Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



De Directeur Generaal voor de Marine is uitermate chagrijnig over de kosten en vergeefse moeiten die zijn besteed aan de wezen en bedelaars die bij de marine wilden

Onderstaande brief van de marine is gedateerd 24 december 1838 en bevindt zich in invnr 203 de scans 714-715. Zie verderop voor de vindplaatsen van de in de brief genoemde bijlagen, want die zijn wat verspreid geraakt.

's Gravenhage, den 24 december 1838

Naar aanleiding van den brief en bijlagen van de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid van den 24 October jl N1, is, in de maand November daaraanvolgende, in de bedelaarsgestichten te Ommerschans en Veenhuizen, en in de kindergestichten ten laatstgemelde plaats, onderzoek gedaan, ten aanzien van de geschiktheid voor de zeedienst van de daarbij bedoelde personen,

welks onderzoek, na veel wederwaardigheden, ten gevolge van de voortijdig ingevallene vorst, eerst in het begin dezer maand is afgeloopen,

en weinig heeft beantwoord aan de kosten en moeiten die daaraan zijn verbonden geweest, daar er,

blijkens bijgaande lijst sub La A, slechts 48 personen in de zeedienst zijn aangenoomen, en wel 36 als Matrozen der 3e klasse en 12 als jongens;

terwijl blijkens de mede hiernevens gevoegde lijst sub La B de daarop vermelde 17 jongelingen die zich eerst genegen hadden betoond om als jongens in dienst te treden, bij aankomst te Willemsoord volstrekt hebben geweigerd eene andere verbintenis dan die voor matroos der 3e klasse aantegaan, waarvoor zij ten eenemale ongeschikt zijn bevonden, zoo dat derzelver terugzending naar de koloniŽn van Weldadigheid (met uitzondering van J. Swaab die gedeserteerd is) weder heeft moeten plaats hebben, na dat zij reeds van de hoogst benoodigde plunjes voorzien waren, daar de kleederen waarmede zij aan boord kwamen zich vol ongedierte bevonden, en daarom dadelijk zijn overboord geworpen.


Op de laatstgemelde lijst, komen ook nog de personen van C, Louivan(?) en G.H. Bouten voor, wier engagementen als matroos der 3e klasse weder zijn ingetrokken, daar het nader was gebleken dat zij wegens vroegere dieverijen enz, onteerende vonnissen hadden ondergaan, waardoor de premie en plunjes nutteloos zijn verstrekt;

de eerstgenoemde is reeds, gelijktijdig met de bedoelde jongelingen teruggezonden; de laatste zal echter voorloopig op het wachtschip te Willemsoord verblijven, tot dat hij, bij handzamer weder kan worden vervoerd, zijnde deszelfs positie, naar aanleiding zijner eigene opgave te laat ontdekt om hem met voorige transport mede te geven.


Het zal wel niet ondoelmatig te achten zijn, bij die gelegenheid aan de kommissie op te merken, dat behalve de gemelden G. H. Bouten, aan de hierboven bedoelde 17 personen, door de Marine voor eene som van f 281,16 aan plunjes enz is moeten verstrekt worden, die zij tot hunne dekking moesten behouden, terwijl nog voor f 496,45 aan kledingstukken enz, zijn teruggenomen, welke nader, voorzeker met een aanzienlijk verlies, verkocht moeten worden; eene juiste opgave daarvan is vermeld op de twee sub La C en D hierbij gevoegde lijsten.


Wijders heb ik de eer aan de Kommissie mede te delen, dat door den Zeeofficier, die met het bedoelde onderzoek in de kolonien van Weldadigheid is belast geweest, bij vergissing geen acht is geslagen op de al of niet geschiktheid voor de zeedienst, van de jongelingen beneden de 18 jaren oud; daar hij vermeende, dat alleen de zoodanigen die ouder waren in aanmerking moesten komen;

dientengevolge bestaat bij mij het voornemen om na den afloop van dezen winter op nieuw een zeeofficier in commissie te stellen, om ook deze jongelingen de vereischte keuring te doen ondergaan, ofschoon van de uitslag, in het belang der Marine niet veel te wachten is, daar vermoedelijk weinige geschikte voorwerpen zullen gevonden worden, en dan nog de toestemming van derzelver ouders of voogden niet altijd verkregen wordt, zoo als de ondervinding reeds bij herhaling heeft geleerd.

Ten slotte gaat hierbij sub La E eene lijst van de afgekeurde personen, waaronder de zoo even bedoelde jongelingen beneden de 18 jaren met de woorden te jong zijn aangeduid.

Zoo mede onder La F de door de Kommissie verlangde opgave van de vereischten om tot de dienst bij de Marine te worden toegelaten, ten einde voortaan de zoodanigen welke die vereischten niet bezitten, buiten aanmerking te houden,
De Directeur Generaal voor de Marine,
Wittenbeek(??)

Oorspronkelijk kwam ik dit stuk tegen in invnr 203 in een omslag met opschrift 'No 66 van 1839', met erbij alle bijlagen. Die bijlagen zijn in het proces van scannen echter wat verspreid geraakt:
Bijlage A: 48 personen in de zeedienst aangenoomen, invnr 203 scans 369-370
Bijlage B: 17 jongelingen die alleen als matroos wilden, invnr 203 scan 371
Bijlage C: Kledingkosten, invnr 203 scan 373
Bijlage D: Kledingkosten, invnr 203 scan 375
Bijlage E: Afgekeurde manschappen, invnr 203 scans 376-383
Bijlage F: Opgave omtrent de vereischten tot de dienst bij de Marine, invnr 203 scans 384-385. Van deze laatste heb ik een transcriptie die hieronder staat:


La.F
Opgave omtrent de vereischten tot de dienst bij de Marine

Artikel 1
De ouderdom van diegenen, welke zich als Matrozen in de Zeedienst wenschen te verbinden is bepaald van achttien tot en met vijfenveertig jaren, hiervan zijn uitgezonderd de zoodanige welke nimmer gevaren hebben, en als Matrozen van de 3e klasse in dienst komen, als wanneer de ouderdom zich niet verder dan tot en met 30 jaren uitstrekt, echter hieromtrent wordt ook bijzonder naar gelang van het uiterlijk voorkomen en geschiktheid gehandeld;
jongelingen een of anderhalf jaar beneden den bepaalden ouderdom van 18 jaren mogen ook als Matrozen worden geŽngageerd, mits consent hunner ouders of voogden overteleggen, diegenen welke als officiers- of scheepsjongens kunnen worden aangenomen moeten de ouderdom van zestien jaren hebben bereikt, kloek en robust van gestel zijn en mede consent als boven produceren.

Artikel 2
Geene manschappen of jongens zullen in de Zeedienst opgenomen worden, zonder bevorens gevisiteerd en zonder ligchaamsgebreken te zijn bevonden.

Artikel 3
Van den 1e Januarij tot den 1e Junij van elk jaar, kunnen geene personen welke alsdan hun 19de jaar zijn ingetreden, en in de eerste termen der Nationale Militie vallen, aangenomen worden.

Artikel 4
Zijlieden welke niet tot de werkelijke dienst der Nationale Militie of Schutterij zijn geroepen, moeten daarvan voldoende bewijzen der bevoegde authoriteiten of bij volbragte dienst, hun bekomen paspoort of ontslag overleggen; de zoodanigen welke nog niet tot de Militie behooren, moeten voorzien zijn van eene geboorte- of doop-akte.

Artikel 5
Geen Russen, Franschen of Engelschen, alsmede geene Amerikaansche onderdanen mogen aangenomen worden ten ware door laatstgemelden wordt overlegd hunne City acte, of andere voldoende bewijzen, ten blijke zij werkelijk Amerikanen en geene Engelschen zijn.
Pruissische en Hanoveraansche onderdanen mogen mede niet geŽngageerd worden zonder productie van bescheiden, dat zijlieden aan de militaire verpligting in hun Vaderland hebben voldaan.

Aldus opgemaakt ingevolge Resolutie van het Departement van Marine van den 8 December 1838, Litt. B, N5.
De kommies van aanneming
(get.) A.R.Blok.

Voor eensluidend afschrift
de Secretaris-Generaal bij het Departement van Marine
Quarles van Ufford