Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



Karel Möller komt 4 februari 1846 aan in het kindergesticht en schrijft in zijn latere leven een prachtig boek met herinneringen aan zijn tijd in Veenhuizen

Bij de voorbereidende werkzaamheden voor De kinderkolonie konden we, met name dankzij de door Luurt Vrijen gemaakte lijst van alle weeskinderen, Karel Möller identificeren als de schrijver van het prachtige boek De wees van Amsterdam. Karel Möller wordt genoemd op de pagina's 319-325, 338, 347-349 en 351-352 van De kinderkolonie.

Het boek De wees van Amsterdam heeft op de omslag - zie onder - als auteur staan M.C. Rudolfs. Die naam konden we tussen de weeskinderen in Veenhuizen niet vinden, dus het zal een pseudoniem zijn.

Daarna verliep de identificatie van de schrijver als volgt:

Vraagstelling

In het boek wordt beschreven dat de schrijver, die Karel wordt genoemd, enkele dagen na de verjaardag van zijn broer Willem in Veenhuizen aankomt, dat hij er naar toegaat samen met die broer en zijn zus Lize, dat laatstgenoemde tijdens de cholera-epidemie van 1849 overlijdt, dat de schrijver in 1851 naar het Instituut te Wateren gaat en dat broer Willem overlijdt nadat de schrijver op 28 oktober 1854 examen als onderwijzer heeft gedaan en dat de schrijver het jaar daarop de koloniën verlaat.

Is er een wees op wie al deze eigenschappen passen?

Antwoord

Jazeker, Johan Karel Gustaaf Möller, weesnummer 1045, die op 4 februari 1846 met zijn zus en broer in het kindergesticht te Veenhuizen aankomt.

En de laatste twijfel verdwijnt als we ontdekken dat het pseudoniem M.C. Rudolfs de naam is van de in 1842 overleden moeder van Johan Karel Gustaaf Möller.




De drie genoemde Veenhuizense weeskinderen komen uit het huwelijk van:

Gezin

Johann Joachim Carl Möller, geboren in 1805 in Mandelshagen bij Rostock, als zoon van Adolph Möller, kleermaker, en Ilsabe Falke. Volgens het boek verdient hij goed de kost als meubelmaker. Hij is op 19 augustus 1829, met als beroep 'kastenmakersknecht', getrouwd met

Maria Constantie Rudolfs, geboren circa 1798 volgens haar huwelijksakte te Amsterdam, maar ik kom haar tegen in het lidmatenboek Winterswijk 1790-1825 als vertrokken naar Amsterdam op 18-10-1818 dus allicht is ze daar geboren, als dochter van George Willem Rudolfs en Wilhelmina Seegers, ten tijde van haar huwelijk oefent zij het beroep dienstbode uit. Zij overlijdt volgens het boek op 'den avond van Karels achtsten verjaardag', dus op 20 februari 1842. Bekend zijn drie kinderen uit dit huwelijk:

Dorothea Sophia Eliza Möller, in navolging van het boek verder te noemen Lize, geboren 17 maart 1830,
Willem Adolf Christiaan Möller, verder te noemen Willem, geboren 1 februari 1832 en
Johan Karel Gustaaf Möller, = de 'wees van Amsterdam', verder te noemen Karel, geboren 20 februari 1834.

Boek

De tekst van het boek De wees van Amsterdam is - bij mijn weten - nog steeds te koop in het Gevangenismuseum te Veenhuizen, overgetypt door vrijwilligers en uitgegeven door de in 2007 overleden Geert de Wilde, voormalig raadslid en wethouder voor de PvdA in Norg, mede-oprichter van het gevangenismuseum in Veenhuizen en vice-voorzitter van de Historische Vereniging Norch.

Dus ik ga niet de hele tekst weergeven, maar vat hier het begin en het eind van het boek samen.

Halfwees

In het eerste hoofdstuk van het boek, getiteld Het ouderlijk huis, beschrijft Karel Möller de aangrijpende dood van zijn moeder, het onderwijs dat hij en broer Willem en zus Lize genieten en dat hij erg slecht vindt - 'Dat is in onze tijd veel beter.' - en de opvoeding die ze krijgen van hun vader en een na de dood van hun moeder in huis gekomen oudere nicht, juffrouw Retger.

Vader krankzinnig

In het tweede hoofdstuk - Het courantenbericht - gaat het over de 'typhus' die alle drie de kinderen treft, maar waarvan ze genezen. Dan leest vader in de krant dat een broer van hem bij een scheepsramp is omgekomen, hij wordt krankzinnig en wordt in een gesticht in Amsterdam opgenomen.
Lize gaat naar een tante (een zus van hun moeder) in een dorp in Utrecht, maar kan niet opschieten met haar nichtje en na drie maanden gaat ze dienen bij burgers met een winkel aan de Haarlemmerstraat  Willem en Karel komen onder de hoede van de Inrichting voor Stadsbestedelingen.

Gasthuismin

In hoofdstuk 3 - Bij de Gasthuismin - gaan Willem en Karel als stadsbestedelingen naar een gasthuismin, juffrouw Rijsoord (lijdend aan het water), op de Prinsengracht vlakbij de Leidsestraat (hoge stoep en onderhuis). De dienstbodes heten Heintje en Sophie. Er zijn ook invalide wezen van middelbare leeftijd en ouder in huis.

Volle wezen

In hoofdstuk 4 - Willem en Karel gaan verhuizen - overlijdt juffrouw Rijsoord, vermoedelijk oktober 1845, en worden Willem en Karel door 'Dolf' van de Inrichting voor Stadsbestedelingen naar een andere gasthuismin, met de naam Gulhart, gebracht.
Hun vader overlijdt november 1845. Ze kunnen niet naar een weeshuis, want moeder was ingeschreven als lid van de hervormde Kerk en vader was Luthers maar had zich bij zijn aankomst in Amsterdam niet ingeschreven als lid. De kinderen zijn Luthers gedoopt en dat is volgens het boek de reden dat ze niet in een weeshuis terecht kunnen.

Naar Veenhuizen

Hoofdstuk 5 - De reis naar Veenhuizen - geeft een beschrijving van de provincie Drenthe en de Maatschappij van Weldadigheid. Op de verjaardag van Willem, 1 februari 1846, horen ze dat ze naar Veenhuizen gaan. Lize besluit vrijwillig mee te gaan omdat ze haar broers niet alleen wil laten vertrekken.

De rest van het boek beschrijft hun ervaringen in Veenhuizen en dat is merendeels opgenomen in De kinderkolonie. Hier alleen wat aanvullende archiefinformatie.

Stamboeken

Ze staan alle drie in het stamboek van weeskinderen met invnr 1412. Daarvan zijn scans, zie helemaal bovenaan de pagina hoe die scans te bereiken zijn. Lize heeft daar weesnummer 1043, Willem weesnummer 1044 en Karel weesnummer 1045.

In die stamboeken staat vermeld dat Lize op 23 juli 1849 overlijdt, dat is in de eerste dagen van de cholera-epidemie in het eerste gesticht te Veenhuizen, zie enkele stukken uit die periode over de uitbraak op deze pagina.

Wateren

Karel wordt op 3 mei 1851 uitverkoren om kwekeling te worden op het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren. Meer informatie over dat Instituut is bereikbaar via deze pagina. Hij staat met kwekelingennummer 61 in het register van kwekelingen met invnr 1583 (daarvan zijn nog geen scans). Nergens is vermeld dat hij daar in de kleine bijschool voor de klas wordt gezet, dat staat alleen in zijn boek.

Te Veenhuizen overlijdt zijn broer Willem Möller op 28 oktober 1854.

Vertrek

Als laatste overlevende van het gezin verlaat Karel Möller Wateren en de koloniën met ontslag op 11 april 1855. Hij meldt in zijn boek dat de instituteur hem heeft aanbevolen en er de hoop bestaat dat hij te Amsterdam als ondermeester zal geplaatst worden.

In het laatste hoofdstuk vertelt hij dat ze zich na aankomst in Amsterdam eerst melden bij de boekhouder van de Inrichting voor Stadsbestedelingen. Die laat weten dat ze veertien dagen op kosten van de stad kunnen logeren bij de gasthuismin waar Karel vroeger ook geweest is en in die tijd een baan moeten zoeken.

Ondermeester

Dat lukt Karel. Hij wordt ondermeester bij een hoofdonderwijzer die hem in zijn studie bijstaat. Om zijn karige inkomen aan te vullen geeft hij in zijn vrije uren privélessen en doet hij voor enkele mensen de boekhouding. Ondertussen studeert hij veel en hij haalt de akte voor hoofdonderwijzer.

Hij woont als 'commensaal' bij een vroegere vriend van zijn vader en krijgt verkering met een meisje uit een 'net burgergezin'.

Hoofd der school

In 1864 wordt hij benoemd tot hoofd van een lagere school in De Koog op Texel en dat betekent een inkomen waarmee hij een gezin kan stichten. Dus trouwt hij op 25 augustus 1864 te Amsterdam met:

 Isabella Petronella Krab Henning, geboren 23 november 1837 volgens haar huwelijksakte te Nieuwediep en volgens haar overlijdensakte in Nieuwe Niedorp. Zij is volgens de 'Genealogie van Friedrich Siegmund Godtfied Henning per generatie', zie hier, een dochter van Reinier Krab Henning, die de beroepen van onderwijzer en ambtenaar van de rijksbelastingen heeft uitgeoefend en die in 1879 zal overlijden te Oudeschild op Texel, dus hoogstwaarschijnlijk bij zijn dochter en schoonzoon, en Petronella Soutendijk.

Naar Texel

Het begin van zijn werkzaamheid in De Koog ondervindt wat vertraging, blijkens onderstaande brief van Karel Möller dd 25 augustus 1864 aan de burgemeester van Texel die op de Gomes-genealogie staat:

Edel Achtbaren Heer!
Ofschoon ik alle pogingen heb aangewend om eenige dagen vroeger mijn ontslag te bekomen, is mij dit echter niet mogen gelukken.
Niet weinig verheugde mij daarom UEd.Achtbare's laatste geëerde; want naardien UEdel Achtbare de niet verwachte, of liever te eischen goedheid hebt gehad, mij te berigten, dat het ook nog goed was wanneer ik Vrijdag den 2 September van hier vertrok, zoo kan ik tot den laatsten oogenblik aan mijne verpligting voldoen.
Ik begreep wel, dat UEdelAchtbare niet wilde, ik op min aangename wijze hier werd ontslagen, maar aan den anderen kant begreep ik ook, dat op stel en sprong te vertrekken niet zeer verkieselijk is.- Beide bezwaren zijn door UEdelAchtbare uit den weg geruimd, waarvoor ik UEdelAchtbare ten hoogste dankbaar ben.
Indien UEdelAchtbarenu nog eenen wensch wilde vervullen, nl den Schipper, welke op 2 September vaart bij mij te zenden, op de Brede Schans, ten huize van den Heer R. R. Krab-Henning N 294, dan zou ook de laatste vervuld zijn.
Na minzaame aanbeveling verblijf ik van
UEdelAchtbare de DW. Dienaar J.K.G. Möller

In De Koog

Eenmaal gearrriveerd in De Koog blijkt zijn woonsituatie allesbehalve ideaal, gezien zijn onderstaande brief aan de burgemeester dd 9 januari 1865, die is opgediept door Irene Maas en ook op de Gomes-genealogie staat:

Edel Achtbare Heer
Daar wij dagelijks met vreeze in huis zitten, voel ik mij gedrongen UEdel Achtbare van het volgende kennis te geven:
De schoorsteen van mijn woonhuis verkeert in zeer slechten staat, zoodat we ook bij den minsten wind ons beangsten, dat hij door den zolder heen zal vallen. Hij is geheel buiten de loodlijn, en zelfs deskundigen beweren, dat hij het niet houden kan tegen harde wind, veel min tegen storm.
Mijn vriendelijk verzoek was dan, of UEdel Achtbare ons van die ongerustheid zoudt willen bevrijden, waartoe wij ons vriendelijk by UEdel Achtbare aanbevelen, voor al in dezen tyd van stormen.
Na minzame groeten, hoogachtend
UEdel Achtbare DW Dienaar
JKG Möller

Oudeschild

Of het met die huisvesting te maken heeft weet ik niet, maar na enkele jaren in De Koog accepteert Karel Möller per zomer 1868 dezelfde functie in Oudeschild, zie de lijst van schoolhoofden op Texel op de site van Irene Maas. Daar blijft hij heel lang als hoofd der school werken. Op diezelfde site staan fragmenten uit het dagboek van dominee Huizinga waar Karel Möller in voorkomt.

De wees van Amsterdam

Het is als schoolhoofd in Oudeschild dat hij zijn herinneringen aan Veenhuizen ophaalt in het boek De wees van Amsterdam. Over de preciese datum van verschijning is wat onduidelijkheid. Google books en veel andere internetbronnen dateren het rond 1920 maar dat klopt niet, het moet eerder zijn, want al in het Haarlems Dagblad van 3 december 1888 staat de volgende advertentie:



Naar ik uit genealogieën op internet begrijp krijgt het echtpaar Möller-Henning zes kinderen. Echtgenote Isabella Petronella Krab Henning overlijdt 27 mei 1904. Twee jaar later, als hij al 72 jaar is, beëindigt Karel Möller zijn werk als schoolhoofd. Hij overlijdt 13 januari 1919 te Velsen, waar een getrouwde dochter woont.