Weeskinderen in Veenhuizen: aanvullende informatie bij het boek De kinderkolonie

Het boek De kinderkolonie, met als ondertitel 'Tot een werkzaam leven opgeleid', De wezen van Veenhuizen (1824-1859) verscheen oktober 2016. Het werd vrijdag 23 september 2016 gepresenteerd in het Gevangenismuseum te Veenhuizen (er volgt nog een impressie van die bijeenkomst) en zaterdag 24 september bij boekhandel Godert Walter in Groningen. Later volgde nog een presentatie in Willemsoord (cafť De Steen, zaterdagavond 1 oktober).
De tweede druk kwam uit november 2016, de derde druk - met nieuwe omslag, zie onder - in juni 2018 en de vierde druk oktober 2019. Zie voor recensies en algemene informatie de site van uitgeverij Atlas/Contact.



Deze pagina's geven aanvullende informatie bij het boek. Om te beginnen is er de verantwoording van de gebruikte bronnen, met name archiefstukken, met soms wat extra informatie en verwijzingen naar stukken op de site. Die verantwoordingen per hoofdstuk zijn via deze pagina in te zien en/of op te halen. Op een andere pagina staan de in het boek voorkomende persoonsnamen en weer elders de plaatsnamen.

Verder staan hieronder stukken die met de kindergestichten in Veenhuizen te maken hebben. Sommige staan op deze bladzijden, andere staan elders op de site, maar er is altijd een 'Terug'-toets om weer hier te komen. NB: Er zijn ook nog algemene stukken over de kolonie Veenhuizen op deze pagina. Reacties zijn altijd welkom.

Alle inventarisnummers (invnrs) op deze bladzijden horen - tenzij anders vermeld - bij het Archief van de Maatschappij van Weldadigheid dat berust bij het Drents Archief onder toegangsnummer 0186.



In het archief

Informatie over de bewaard gebleven stamboeken/registers van op contract met de regering geplaatste Veenhuizense weeskinderen. Met links naar de online te bekijken registers.
Informatie over de (onvolledig) bewaard gebleven stamboeken/registers van op particulier contract geplaatste Veenhuizense wezen. Met links naar de online te bekijken registers.
Van wat er van de registratie van die op particulier contract geplaatste kinderen WEL bewaard is gebleven zijn transcripties gemaakt, wat de kans er eentje te vinden groter maakt.
En van de niet goed geregistreerde op particulier contract geplaatste weeskinderen zijn er enkele al opgespoord en die worden beschreven op deze pagina: Bernardus Hendriks, Arnoldus van (der) Krieken, Willem Waldekker, Joseph Dietz.
Wat zijn designatielijsten en wat is de betekenis van het bij elk weeskind horende designatienummer?? En waar in het archief zijn die dingen te vinden?
Van in totaal twaalf weeskinderen zijn de zakboekjes bewaard gebleven. Een overzicht daarvan staat op deze pagina met links naar de door het Drents Archief gemaakte scans van de boekjes.
Een kleine greep uit de honderden Veenhuizense weeskinderen die een vervolgopleiding hebben gehad op het Instiruut voor Landbouwkundige Opvoeding in Wateren.

De aanloop, 1819-1821

Op 3 februari 1819 doet de Maatschappij een eerste verkennend voorstel voor de opvang van vondelingen aan het ministerie van Binnenlandse Zaken, met uitnodiging verder te praten.
Op 24 augustus 1819 laat de Maatschappij het ministerie van Binnenlandse Zaken weten dat ze dit jaar graag 102 kinderen van het Aalmoezeniersweeshuis in de koloniŽn wil opnemen

De voorbereidingen, 1822

Het Koninklijk Besluit van 6 november 1822 spreekt voor het eerst van het opnemen van vondelingen door de Maatschappij van Weldadigheid, zie artikel 7 en verder.
Daarop haakt de Maatschappij op 6 december 1822 in door de minister van Binnenlandse Zaken uit te nodigen zijn mening te geven over af te sluiten contracten.
Vanaf 21 november 1822 is Stephanus Jacobus van Royen al druk met het aankopen van gronden in de buurtschap Veenhuizen ten behoeve van een nieuw te stichten kolonie.
Op 18 februari 1823 stuurt Johannes van den Bosch het bestek voor de bouw van een gesticht in de kolonie Veenhuizen. Twee eeuwen later wordt dat teruggevonden in het archief in Brussel.
Het eerste Concept Besluit Huishoudelijke Inrichtingen voor het Instituut te Veenhuizen is gedateerd 8 november 1823, zal later worden bijgesteld, maar geeft wel een goed beeld van de bedoelingen.
De regenten van het Aalmoezeniersweeshuis in Amsterdam maken 30 januari 1824 na druk van de autoriteiten een lijst van kinderen die ze wťl naar de kolonie Veenhuizen willen sturen
 Op 2 februari 1824 wordt in voorbereiding van de komst van de kinderen door de permanente commissie vastgesteld het Reglement voor de Administratie van het Gesticht van Weezen.
Bij de administratieve regelingen hoort, dus ook van 2 februari 1824, de personeelsopzet voor het nieuwe gesticht, oftewel de Staat der Geemployeerden voor het Gesticht te Veenhuizen

De overheid

Op 1 maart 1823 sluit de Maatschappij van Weldadigheid een contract met de regering voor het overnemen van '4000 Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen' in de kolonie Veenhuizen.
Met het Koninklijk Besluit van 24 maart 1824 N23 luidt koning Willem I het einde in van het Aalmoezeniers Weeshuis en legt hij de basis voor het zenden van kinderen naar Veenhuizen.
Er blijkt nog een dwingende maatregel nodig, het Koninklijk Besluit van 15 januari 1825 N85, om de weeshuizen zo ver te krijgen dat ze weeskinderen naar Veenhuizen sturen.
De Commissie tot Onderzoek naar de Ware Staat der Armen beoordeelt op 25 april 1825 de bezwaarschriften die diverse steden hebben ingediend tegen de opzending van kinderen.
Het contract van 1 maart 1825 voorziet in controle van de leefomstandigheden van de kinderen. Maar een commies van het ministerie heeft 5 september 1825 moeite antwoorden te krijgen.
Met het contract van 16 en 19 juni 1826 tussen het gouvernement en de Maatschappij van Weldadigheid erkent men dat het niet gaat lukken 4.000 weeskinderen in Veenhuizen te krijgen.
Het contract van 23 juni 1827 maakt het mogelijk dat ook invalide weeskinderen in Veenhuizen opgenomen worden. Daar moeten de weeshuizen en steden dan wel extra voor betalen.
Op 17 augustus 1827 gaat Zijne Majesteit het voor eens en voor altijd regelen (denkt hij). Koninklijk Besluit N124 keurt bovenstaande contract goed, KB N125 bepaalt a-l-l-e-s.
Waarom werkt dat KB van 1827 niet en komen er nog steeds te weinig weeskinderen naar Veenhuizen. Binnenlandse Zaken heeft het uitgezocht en rapporteert april 1829.
Met het Koninklijk Besluit van 17 januari 1836 N84 krijgen de koloniŽn (en de kindergestichten) de taak vooral ten dienste te staan van de Nederlandse bezittingen overzee.

Aankomst der kinderen 1824

Op 19 februari 1824 komen de eerste weeskinderen aan in het kinderetablissement. Hier een overzicht van de aankomsten tot 1 juli 1825, met de plaatsen van herkomst.
En vanaf 22 februari 1824 lopen de eerste weeskinderen al weer weg uit Veenhuizen. De landelijke opsporing is nog niet in orde, dus de eerste zes vluchters blijven altijd weg.
Tot de aangekomen kinderen op 28 februari 1824 behoort Jacobus Faber en omdat ik toch al een keer alle weeskinderen met de achternaam Faber op een rijtje had gezet doe ik ze hier.

Aankomst der kinderen 1825

Op 30 januari 1825 worden voor het eerst gedeserteerde kinderen teruggebracht in het gesticht. Dat is een primeur maar zal in de geschiedenis tientallen keren gebeuren.
Maart 1825 worden de kinderen Alles overgebracht naar het kinderetablissement. Jan, Kornelis, Pieter, Grietje, Aaltje en Klaas komen uit de vrije koloniŽn waar ze wees geworden zijn.
Op 2 april 1825 arriveren twee jongens Emeis, een maand later volgt de derde. De twee eersten lopen weg en blijven langdurig weg voor ze in het kindergesticht terugkomen.
Bij het transport uit Leiden en omgeving dat op 2 mei 1825 aankomt zitten twee verstekelingen. Een moeder uit Alkemade die haar kind niet alleen wil laten gaan en haar dochtertje. Wat nu?
Op 14 mei 1825 stuurt de Maatschappij aan het ministerie een lijstje van de invalide kinderen, die tegen alle afspraken in, toch bij het kindergesticht zijn afgeleverd.
Kinderen uit 'de allervoortreffelijkste inrichting van het weeshuis alhier' naar Veenhuizen zenden, betekent het eind van de steun voor de kolonisatie, meldt Workum op 11 juni 1825.
Op 1 juli 1825 komen twee kinderen Sasburg uit Heerenveen het kinderetablissement binnen. Later zullen er nog twee volgen en het verblijft in Veenhuizen pakt helemaal niet beroerd uit.
Bij de groep uit Friesland die 2 juli 1825 aankomt zitten Klaas Teeuwis Albertsma en Albert Teeuwis Albertsma die later allebei een bijschool in Wilhelminaoord zullen runnen.
Tussen de 'deserteurs' van begin juli 1825 staan ook drie weesjongens met zeer Friese voornamen. Ze waren krap een week in het kindergesticht. Eentje wordt teruggepakt.
Op weg naar de kolonie gaat de achtjarige Gijsbertus van Merkum/Merkom op 13 augustus 1825 op zijn eigen houtje de stad Amsterdam bekijken. Er wordt een grote zoektocht georganiseerd.
De regenten van het Heilige Geestgasthuis te Leiden zijn 19 oktober 1825 diep verontwaardigd in het maandblad te moeten lezen dat hun kinderen in erbarmelijke conditie zijn aangekomen.

Kleding

Op 22 januari 1824, bij de voorbereiding op de komst van de eerste kinderen, worden de 'Vaste bepalingen omtrent de kleeding en het huisraad' in het kindergesticht vastgesteld.
Welke kleding dragen de zestien kinderen uit Middelburg die op 20 maart 1825 vandaar vertrekken en acht dagen later de poort van het eerste gesticht binnenlpen?
En hoe gaat het ook uit Middelburg afkomstige groepje gekleed als ze juni 1825 naar Veenhuizen komen? Een overzicht door de 'Subdirectie van 't gesticht No. 3 (Burgerweeshuis)'
Het derde (en laatste) overzicht van kledingstukken van Middelburgse wezen, september 1826. Misschien heeft Middelburg later nog vaker zulke overzichten gestuurd, maar die heb ik niet.
September 1834 wil de permanente commissie bezuinigen op de kleding en verdienste van de kwekelingen in Wateren, de directeur protesteert en oktober 1834 wordt het teruggedraaid.
3 februari 1835 Een nieuw besluit dat de geheel afgesleten kleeding der weezen zal worden teruggenomen en van hoe veel kleeding stukken zij steeds moeten voorzien zijn.
Een wijziging van de bepalingen over de kleding van weeskinderen in november 1837 waardoor ze een tweede buis (jongens) of jak (meisjes) pas krijgen als de eerste half versleten is.
Op 22 januari 1840 besluit de permanente commissie dat aan het kledingpakket van de meisjeswezen een 'wit katoenen doek' wordt toegevoegd. Uit de overmaat gebleekte stof.
Er is jarenlang over gediscussieerd en het leek er lang niet door te komen, maar in september 1845 wordt dan toch besloten dat de jongenswezen voortaan onderbroeken krijgen.

Onderwijs

Stukken over het onderwijs voor alle koloniŽn, dus ook aan de weeskinderen in Veenhuizen, zijn bereikbaar via de Onderwijs-pagina op de site. Daar staan veel verslagen van bezoeken door de adjunct-directeur voor het onderwijs (Jan Hessels van Wolda) en later als opvolger de opziener der scholen Jan Hendrik Geraets aan de schoollokalen te Veenuizen.
Via die onderwijs-pagina zijn ook de schoolmeesters te vinden, waaronder nogal wat die uit de wezenpopulatie komen. Ik ben begonnen van die laatsten een overzicht te maken.
Stukken over het vervolgonderwijs voor onder andere de weeskinderen op het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren zijn bereikbaar via een aparte Wateren-pagina.

Gezondheidszorg

Stukken over de gezondheidszorg voor alle koloniŽn, dus ook voor de weeskinderen in Veenhuizen, zijn bereikbaar via de Geneeskunde-pagina op de site. Daar staan ook enkele van de regelmatige verslagen van de geneesheer in Veenhuizen over ziekten en sterften in het kindergesticht. Van sommige van die artsen zijn aparte pagina's met informatie.
Over de crisis in 1829 toen de buitenwereld reageerde op de vele sterfgevallen in het derde gesticht en er onderzoeken werden gedaan, is een aparte crisis 1829-pagina.

Met verlof

Het Weesarmhuis te Zaandam doet oktober 1826 een oproep om hun kinderen verlof te geven 'om hunne familien waarnaar zij zoo zeer reikhalzen eens te bezoeken'..
De net in functie getreden directeur Van Konijnenburg zendt 13 juli 1829 de lijsten met kinderen die dit jaar met verlof willen, met soms logeeradressen en met overwegingen.

Het Geloof

Naar aanleiding van een verzoek van de Maatschappij wordt bij Koninklijk Besluit van 6 april 1824 een jaarlijks bedrag ter beschikking gesteld voor een dominee in Veenhuizen.
Pastoor Doorenweerd uit Kampen, tot nu toe enthousiast voor de kolonisatie, is 25 april 1825 heel ongelukkig dat zijn schaapjes het in Veenhuizen zonder zielzorg moeten stellen.
Dominee Johannes Heersprink meldt in januari 1829 een schreeuwend gebrek aan 'Kerk- en onderwijsboeken'. Meer dan de helft van zijn catechisanten heeft geen 'vraagboeken'.
De pastoor van Veenhuizen vindt in mei/juni 1829 dat hij een paard nodig heeft om zijn klantjes in de 'op eenen aanmerkelijken afstand' van elkaar gelegen gestichten te kunnen bezoeken.
Welke godsdienstige gezindheid heeft een bepaald weeskind? Enkele fragmenten uit de vaak verhitte discussies over dit onderwerp, waarbij iedereen zich van zijn slechtste kant laat zien.


Het tuchtrecht

'Ter beteugeling van sommige ondeugden welke onder de kinderen begonnen te ontstaan', stelt de directeur op 4 november 1824 regels op voor de tuchthandhaving onder de wezen.
Van de werking van dat eerste reglement is slechts ťťn zitting van de 'Raad van Disciplinen' bewaard gebleven, maar er kan ook veel worden afgeleid uit een brief van september 1827..
Een nieuw 'Reglement van Tucht voor de Gestichten van Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen van den 8 july 1829' regelt vanaf die datum de tuchtrechtspraak in de kindergestichten.
Zie daarvoor de transcripties van de zittingen van de Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het EERSTE gesticht te Veenhuizen van 1826 tot en met 1859.
En de transcripties van de zittingen van de Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het DERDE gesticht te Veenhuizen van 1829 tot en met 1842.
Bij bovenstaande transcripties horen lijsten met weeskinderen die - of als beschuldigde of als slachtoffer of als getuige - bij de tuchtzittingen genoemd worden.
Sommige weeskinderen worden veroordeeld tot een tijdelijke verbanning naar de strafkolonie op de Ommerschans. Een lijst van de strafkolonisten onder de weeskinderen.

Het personeel

Landarbeid verrichten de wezen onder leiding van de onderdirecteur-buiten en de wijkmeesters. Al die functionarissen vanaf het begin tot 1859 staan met elkaar op een pagina.
April 1823 wordt op voorstel van Johannes van den Bosch Jannes Poelman benoemd als eerste adjunct-directeur voor het dan nog op te richten eerste etablissement.
De onderdirecteur binnen administreert de weeskinderen. Oktober 1823 solliciteert Jakob Heinrich Textor die dit werk zes jaar zal doen. Later zal zijn zoon Augustinus Textor het overnemen.
Andries Gerret Los is in 1824 een zeer kortstondig zaalopziener bij het eerste gesticht te Veenhuizen, die kinderen 'zoms tot de lendens uijt het vuijl moet haalen'.
Als weeskinderen het gebouw in of uit willen, moeten ze langs de portier. Dat is vanaf het begin in 1824 tot 1836 de arbeiderskolonist Cornelius Hagen uit Amsterdam.
Een zaalopziener die er al uitvliegt binnen 2 maanden na de aankomst van de eerste wezen. Op 15 april 1824 wordt Gerrit Reemst ontslagen na 'zich aan dronkenschap te hebben overge≠geven
Als opvolger april 1824 wordt Cornelis Albert Brandt benoemd, maar die wordt al gauw magazijnmeester van het eerste gesticht en daarna de winkelhouder van het etablissement.
De eerste boekhouder van het eerste gesticht die de weeskinderen administreert, moet in 1825 al vertrekken. Later komt een (of twee?) van zijn kinderen vanuit Haarlem in het wezengesticht.
De meisjes in het eerste gesticht krijgen les in naaien en breien van arbeidersvrouwen. Voor dezelfde activiteit in het derde gesticht komt 28 juli 1825 de weduwe Haarman uit Amsterdam.
Zaalopziener Bolman zou op zeer ruwe wijze met de kinderen omgaan, aldus de veldwachter van de gemeente Norg. Ik zoek op een aparte pagina uit wie de hierbij betrokken weesjongens zijn.
Adjunct-directeur van het eerste gesticht Jannes Poelman heeft de ene ruzie na de andere. Bijvoorbeeld in 1835 met onderdirecteur Laarman.
De bedelaar Pieter Johannes van de Poel in 1842 promoveren tot zaalopziener in het kindergesticht is een allesbehalve goede keus. Maar ja, hij is katholiek.

Naamsveranderingen

Januari 1829 wordt er druk gecorrespondeerd over de naam en vooral het geboortejaar van Hendrik Jans Cordel alias Hendrik Harms.
De speurtocht in 1838 naar de identiteit van Hendrik de Vries, die uiteindelijk Hendrik Mozes blijkt te heten. Met die speurtocht is men wel een jaar bezig en dan moet Hendrik in dienst.
Alsof het bijna niks scheelt: de naam van weesnummer 1012 Maria Welgeschikt blijkt volgens bericht van Binnenlandse Zaken op 1 september 1840 Constantia Mulder te zijn.
Volgens de gouverneur van Drenthe op 18 mei 1841 noemt Felix Franciscus Dennis zich ten orechte Chapman. Dat is een naam die zijn vader zomaar heeft aangenomen.



Ouderloze bedelaarskinderen

Begin 1829 wordt onderzocht of in de bedelaarsgestichten ouderloos geworden kinderen kunnen worden overgebracht naar de kinderetablissementen. Meestal mag het wel.
Maar in de praktijk gebeurde het al, Pierre Etienne Chartier de Fontenille komt 29 april 1828 over uit het bedelaarsgesticht waar zijn vader, zijn moeder en zijn zusjes overleden zijn.
Er kunnen per 1 april 1829 al een vijftal over van de Ommerschans naar het kindergesticht. Waaronder de zoon van de voormalig arts van de schans en drie jongens van ťťn moeder.
Daarna volgen per 1 juni 1829 de in de bedelaarsgestichten ouderloos geworden kinderen uit Zeeland, want de Zeeuwse steden - en vooral Middelburg - juichen overplaatsing toe.
Ergens tussen september 1830 en 1 juni 1831 komen Jakle Pieters Donia, Tietje Pieters Donia en Jacob Pieters Donia over nadat hun ouders te Ommerschans overleden zijn.
De jongens Tange komen met hun vader in het bedelaarsgesticht en als die laatste overlijdt, gaan ze november 1832 met toestemming van Arnemuiden over naar het kindergesticht.
Arie Mollenbeek gaat februari 1850 over van bedelaarsgesticht naar kindergesticht als zijn moeder is overleden. Hij staat onderaan deze pagina met andere Mollenbeeks.

Alle bedelaarskinderen

Bij een besluit op 23 september 1839 wordt in artikel 2 bepaald dat bedelaarskinderen van meer dan vijf jaar worden overgebracht naar het wezengesticht Veenhuizen-3.
Uit een brief op 19 oktober 1840 blijkt echter dat die bedelaarskinderen massaal de benen nemen omdat zij 'worden gekweld door de weezen en achtergesteld door de zaalopzieners'.
Toch probeert men het weer. November 1846 wordt opnieuw besloten dat bedelaarskinderen bij de wezen worden ondergebracht. De enige reden is dat de bedelaarsgestichten te vol worden.



Vertrek: ontslag

Op 10 september 1825 nemen Johannes van den Bosch en Jermias Faber van Riemsdijk het besluit dat weeskinderen met ontslag kunnen als zij twintig jaar of ouder zijn.
De eerste poging, oktober 1825, om kinderen te ontslaan verloopt rommelig. Op voorstel van het ministerie van Binnenlandse Zaken wordt het uitgesteld tot komend voorjaar.
In april 1826 verschijnt dan de allereerste ontslagvoordracht. Stukken volgen nog
In maart 1828 beginnen de werkzaamheden voor de ontslagvoordracht van dat jaar. Er zijn altijd een aantal die liever nog niet weg willen en een jaar willen blijven. Een reeks voorbeelden.
De ontslagvoordracht voor 1829 is eerder klaar, maar dan moeten de gemeenten waar weeskinderen vandaan komen akkoord gaan met het ontslag. Enkele voorbeelden.
Den Haag voegt mei 1829 een nieuwe voorwaarde toe aan het ontslaan van wezen: ze moeten lidmaat van een kerk zijn. Iedereen vindt dat een goed idee en voortaan is het vereist.
Ook in deze periode woedt de discussie of niet moet worden bijgehouden of de ontslagen weeskinderen wel goed terechtkomen. In juni 1829 blijkt men het hierover helemaal eens.
Bij de ontslagvoordracht voor 1834 krijgt de een het advies nog een jaar in het kindergesticht te blijven en de ander kan vanwege zijn of haar geschiktheid meteen vertrekken.
De Regenten over de Stads Bestedelingen in Amsterdam reageren 27 februari 1835 op de ontslagvoordracht voor dit jaar en volgen helemaal het advies dat de Maatschappij geeft.
Van de ontslagvoordracht voor 1836 behandel ik er drie die van de leiding wel de wijde wereld in zouden mogen. Twee gaan er inderdaad dat jaar, eentje wacht nog twee jaar.
Een individueel ontslag. Iets of iemand heeft het ontslag aangevraagd voor Hendrik Antes en de directeur meldt maart 1838 dat het goed is want hij heeft 'te Veenhuizen het timmeren geleerd'.
Eind maart 1838 heeft de permanente commissie nog een aantal vragen over de ontslagvoordracht van wezen in dat jaar. De directeur beantwoordt ze.
Twee brieven uit april 1839 over het al dan niet ontslaan van weeskinderen. Voor sommigen ziet het er goed uit, maar bij anderen is de verwachting dat ze het gesticht nooit zullen verlaten.
De wees Jan Pieter van Ingen wordt oktober 1839 door de stichter der koloniŽn Johannes van den Bosch opgepikt en meegenomen als tuinman naar zijn grote nieuwe villa in Den Haag.
Bij de ontslagvoordracht in 1845 is er een al jarenlang ingeroest vast stramien. Van het eerste vel van die voordracht doe ik bij wijze van voorbeeld de vijf kinderen die daar op staan.
De Instituteur maakt januari 1846 een overzicht van de weeskinderen die in 1845 vanuit het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren de wereld zijn ingetrokken.

Vertrek: naar familie

Een tiental brieven over familieleden die besloten hebben een weeskind uit Veenhuizen in huis te nemen. Plus voorafgaand enkele algemene notities over dit verschijnsel..
Soms is het de eigen moeder of vader die een kind uit Veenhuizen weer bij zich wil hebben. Meestal omdat de omstandigheden waarin die ouder zich bevindt verbeterd zijn.
Familie die een wees- of armenkind uit Veenhuizen in huis wil nemen, moet de eventuele schuld van het kind voldoen en moet ze afhalen. Over dat laatste een pagina met twee brieven.
Neeltje en Adriaantje Hoed mogen op 19 januari 1829 uit het kindergesticht om zich te voegen bij hun vader en broer die in Wilhelminaoord wonen. Het lijkt zo mooi maar loopt triest af.
Juli 1835 komt er een brief van de ouders van Jacoba Cornelisse dat 'als vondeling gegeven hebben en niet eerder om hebben kunne verzoeken'. Maar nu willen ze haar thuis hebben.
Bij Simon Vestdijk is het geen familie waar hij naar toe gaat, want dat hebben vondelingen niet, maar een timmerman die hem eerder al eens in huis heeft gehad. En het nog eens wil proberen.

Vertrek: militaire dienst

Bij koninklijk besluit van 19 september 1826 wordt vastgelegd waar koloniejongens. voor de dienstplicht moeten worden ingeschreven. Meestal is dat de plaats van herkomst.
Dat wil niet zeggen dat alles meteen geregeld is. Op 3 oktober 1828 maakt de gouverneur van Drenthe duidelijk wat voor lijsten de Maatschappij hem jaarlijks moet leveren.
De lijst van 9 december 1828 wordt door de gouverneur naar de desbetreffende provincies gestuurd en dat leidt januari 1829 tot vragen en discussies over leeftijden, namen en herkomst.
In april 1829 wordt gecorrespondeerd over de wens van drie jongens uit het eerste gesticht om in militaire dienst te gaan. Het ministerie van BZ vraagt toestemming van de voogden.
BelgiŽ maakt zich los van Nederland. 8 oktober 1830 de Bepalingen nopens de algemeene wapening en handhaving der rust in de kolonie. Om 3 maanden later terug te krabbelen.
Het is ook mogelijk vrijwillig in militaire dienst te gaan, maar weesjongens die dat willen hebben de toestemming nodig van hun voogden. Een briefje uit februari 1832.
Onder de Amsterdamse weesjongens 'heerscht het algemeen gevoelen, dat geen hunner op vrijstelling te hopen heeft' als het om dienstplicht gaat. De affaire Emanuel februari 1835.
Voor de meeste negentienjarigen is de lengte onvoldoende om in dienst te gaan. De directeur geeft de resultaten van een meting in maart 1838 waarbij twee van de zeven lang genoeg zijn.

Vertrek: bij de marine

Eerste lijst belangstellenden voor de marine volgt
De Directeur Generaal voor de Marine is 24 december 1838 uitermate chagrijnig over de kosten en vergeefse moeiten die zijn besteed aan de wezen en bedelaars die bij de marine wilden.
Met name weesjongens die tijdelijk verbannen zijn naar de strafkolonie op de Ommerschans hebben veel zin om uit te varen. Vier daarvan hebben zich eind december 1839 aangemeld.



Divers 1824-1832

De permanente commissie realiseert zich 4 september 1824 dat ze iets vergeten is. Door Veenhuizen niet af te bakenen met jachtpalen, kan elke idioot er komen jagen!
Een positief advies in april 1826, waardoor drie kinderen van Doede Klaas de Vries en Marijtje Broers uit de zalen van het gesticht naar hun ouders in een woning aan de buitenkant mogen.
September 1826 worden vier kinderen uit Amsterdam ontslagen wegens 'de bijzondere omstandigheden' waarin ze verkeren. Ik heb geen idee war hiermee bedoeld wordt.
Ook september 1826 stuurt de gemeente Dirksland een meisje dat nog geen zes jaar oud is. Goed, het scheelt maar ťťn maandje, maar toch is het onverantwoord.
In oktober 1826 komen de kinderen Lutkenhuis/Lutjenhuis/Lutkenhaus in het kindergesticht. Moeder is overleden en vader is 'van verlof achtergebleven'. Al komt hij in VH terug!
Op 2 oktober 1826 arriveert een klein groepje uit Haarlem aan in het derde gesticht. Dat is geen gezonde omgeving, van de vijf kinderen zijn er na een jaar drie overleden.
Op 10 oktober 1826 raken de kinderen Prins verweesd en gaan ze van de woning aan de buitenkant van het gesticht naar de zalen aan de binnenkant.
Een familielid dient een rekwest in bij de koning voor het ontslag van een wees uit Veenhuizen en vrijstelling voor een andere wees, maar in het verzoek wordt 31 oktober 1826 'gedifficulteerd'.
Als arbeidersgezin bij het derde gesticht raken de kinderen Van den Bosch eerst hun moeder en daarna hun vader kwijt, waarna ze op 4 oktober 1827 overgaan naar het kindergesticht.
Een voorbeeld van actieve opsporing op 27 augustus 1828 als Anna Maria Westhoff niet van verlof terugkeert en daarmee een 'allerschadelijkst voorbeeld voor de verlofgangers' wordt.
De directeur der koloniŽn schrijft op 20 september 1828 dat de uit Amsterdam gekomen wees Maria Hendrika Dresselhuis zodanig krankzinnig is dat ze uit Veenhuizen weg moet.
Het is al vervelend dat een wees 14 dagen gevangenis krijgt omdat hij 'op eens anders land schapen heeft gehoed', maar op 9 december 1828 blijkt dat ze hem daarna niet vrijlaten.
In de eerste maanden van 1829 wordt in brieven af en toe terloops een naam genoemd van een weeskind, waar ik verder niets van weet en van wie ik probeer uit te zoeken wie het betreft.
Grietje Schraa weduwe Van Varick wil op 14 januari 1829 dar er een 'wakend oog op het zedelijk gedrag' van haar zestienjarige dochter wordt gehouden en stuurt haar naar Veenhuizen.
Twee Groningse meisjes klagen over Veenhuizen, maar het hoeft niet serieus genomen want het is ze alleen maar te doen om geld voor 'snoeperijen', aldus de directeur op 13 februari 1829.
De alleen door het land zwervende Wilhelmus Hidser van circa acht jaar wordt niet in het kindergesticht opgenomen en komt noodgedwongen 7 maart 1829 dus in de Ommerschans.
Op 26 maart 1829 arriveren uit Arnhem Johannes Hermanus Lenting en Hendrikus Lenting. De directie heeft moeite ze uit elkaar te houden en nog meer moeite ze in toom te houden.
De directeur der koloniŽn beantwoordt 1 juni 1829 een serie vragen over diverse wezen. Foutjes op de naamlijst van Wateren, een paar die zich goed kunnen redden en een met zinneloosheid.
De wees Neeltje de Kam trouwt in juni 1829 een veteraan die later zaalopziener wordt. Met een terugblik op een affaire tussen Neeltje de Kam en een zaalopziener in Veenhuizen-3.
KopiŽren is in de negentiende eeuw overschrijven en dus gaat er heel veel mis. In een brief op 4 augustus 1829 wordt geprobeerd verschillen met het stamboek in Den Haag op te lossen.
Employťs van de gestichten schrijven 6 en 9 september 1829 roerende brieven hoe verslangerd ze zijn aan de jacht en waarom ze zo graag op koloniegrond willen jagen.
Op 10 september 1829 schrijft de adjunct-directeur van het derde gesticht een bevel uit voor de wijkmeester dat hij twee kinderen uit Friesland moet ophalen. Dat gaat hem niet lukken.
In september 1830 komen Maria, Dirk en Hermanus van den Berg in het kindergesticht, na de afgelopen jaren als arbeiders- en strafkolonistengezin hun ouders verloren te hebben.
Als Cornelis van Zijl op 15 januari 1831 anderhalf jaar na zijn vlucht voor de tuchtraad verschijnt, blijkt hij die tijd gewerkt te hebben bij boeren in Blankenham die wisten dat hij ontvlucht was.
Drie kinderen die er niet in geslaagd zijn na hun ontslag een baan te vinden, vragen oktober 1831 of ze nog een winter in het gesticht mogen blijven. Dag mag tot 1 mei, maar niet langer,
De adjunct-directeur van het derde gesticht moet zich op 2 april 1832 verantwoorden waarom de wezen in het derde gesticht meer aan kleding kosten dan die in het eerste gesticht.
Er komt april 1832 zomaar een baantje in Zutphen voor de wees Johanna van der Poort en volgens de directeur zou Johanna, 'naar gissing 16 jaren oud', dat wel aankunnen.
Op een rijtje gezet de weeskinderen die komen uit Loenen aan de Vecht. Met als eerstelingen drie die op 16 april 1832 in het kinderetablissement aankomen.
De kinderen Hennenbergue komen juli 1832 in het kindergesticht aan. Zoals gebruikelijk heeft de kleinste het het zwaarst, hij overlijdt. De andere twee verlaten het gesticht met ontslag.
In september 1832 komen de kinderen Steeneker aan, die de afgelopen jaren hun ouders hebben verloren. Twee gaan weer weg door de voordeur, eentje door de achterdeur.

Divers 1833-1840

Als een ontslagen wees al vertrokken is, dan vindt de Maatschappij in januari 1833 dat ze per se en war voor moeite het ook kost haar afgesloten zakboekje in handen moet krijgen.
Als van twee gedeserteerde weeskinderen in januari 1833 eentje eerder is verexcuseerd door de burgemeester van Den Helder, suggereert de directeur die burgemeester de rekening te geven.
Als kinderen hebben gevraagd of ze nog een winter in het gesticht mogen blijven, moet er al snel daarna, bijvoorbeeld hier in februari 1833, verantwoord of ze al weg zijn.
Om de 'leerlust' van in het spinnen nog onhandige wezen op te wekken, krijgen ze er vanaf februari 1833 meer voor betaald. En er wordt geŽxperimenteerd met het weven van linnen.
Jan Pieters de Groef mag op 3 februari 1834 het kindergesticht uit en gaat wonen in een van de woningen aan de buitenkant. Zie op deze pagina onder het kopje 'Gurbe Klazes van Boven'.
Bij een verslag over Veenhuizen op 13 juni 1834 blijken de wezengestichten overbevolkt. Geen plek meer voor de scabieuzen en 100 hangmatten worden door twee kinderen beslapen.
Marinus Willem van Rooijen had graag nog wat in Veenhuizen gebleven, maar 21 juni 1834 wordt meegedeeld dat Middelburg er 'zwarigheid' in maakt om nog langer de kosten te betalen.
De stad Deventer denkt blijkens een brief van 22 augustus 1834 ook wel twee kinderen te kunnen sturen die nog geen zes jaar oud zijn. Mooi niet. Ze overleven het allebei niet.
Een onbekende heeft een verslag gemaakt van de viering van Koningsdag 24 augustus 1834 in de kolonie Veenhuizen, welk verslag volgens een bijschrift is geplaatst in de Groninger Courant.
In april 1835 wordt de wees Janus Meijer Drees aangesteld als bijschoolhouder in de kolonie Wilhelminaoord. Hij is schoolmeester geworden zonder in het Instituut te Wateren te zijn geweest.
In een algemeen verslag over de kolonie Veenhuizen op 3 juni 1835 maakt de directeur op het eind kritische opmerkingen over het verlofgaan van weeskinderen. Nodig maar lastig en duur.
Adjunct-directeur voor het onderwijs Jan Hessels van Wolda heeft eind juni 1835 de scholen in Veenhuizen geÔnspecteerd en hij doet verslag van het onderwijs en de onderwijzers.
Ene meneer  'V. Ghestelles-Kerk te Kampen' heeft blijkbaar geÔnformeerd hoe het gaat met de in het kindergesticht opgenomen kindjes Marchant en op 1 juli 1835 wordt dat beantwoord.
Als Adriaan Veltman op 26 juli 1835 de benen neemt, ontstaat er een rel over het gebrek aan alertheid (en bereidheid) van de authoriteiten om ontvluchte wezen op te pakken.
Een bijzonder ingewikkeld verhaal over een groepje Amsterdamse kinderen dat februari 1836 aankomt. Het is onduidelijk wie er nu dood gaat en wie niet. En het loopt nog slecht af ook.
In maart 1836 keert de Veenhuizense wees Noach Scheffener terug in het Instituut te Wateren waar hij vůůr zijn vijfjarige militaire dienst ook gezeten heeft. Hij gaat werken voor de kolonie
Per 1 juni 1836 opgemaakte lijsten door de artsen en adjunct-directeuren van het eerste en derde gesticht te Veenhuizen van invalide weeskinderen die voor handarbeid ongeschikt zijn.
Discussie over verlof in 1836. Onaffe pagina, wordt aan gewerkt.
De directeur is het 27 maart 1838 met de adjunct-directeur van het derde gesticht en de gouverneus van Friesland eens over het 'doelloze' om Grietje Sijbrens Rijpstra verlof te geven.
De wees uit het derde gesticht Christoffel Kleinzoon schrijft 14 november 1836 dat hij graag wil ingaan op de uitnodiging ťlŤve-muzikant te worden bij de twaalfde afdeling Infanterie.
Op 8 april 1837 doet directeur der koloniŽn Jan van Konijnenburg verslag van zijn onderzoek naar weeskinderen met bevroren tenen die daaraan bezweken zijn. Een onthutsend rapport.
Neeltje Adriane de Winter mag in 1837 terug naar Hoge en Lage Zwaluwe, maar wil liever even wachten tot haar jongere broer Aart ook weg mag. Dat vindt het gemeentebestuur niet goed.
Oktober 1837 wordt besloten om weeskinderen die zo gebrekkig zijn dat ze toch nooit het gesticht zullen verlaten, NIET te dwingen om te sparen voor later, maar ze uit te betalen.
Jan Kloosterman wordt na zijn ontslag begin 1838 niet bepaald warm welkom geheten door het gemeentebestuur van Nisse in Zeeland. Jan Hessels van Wolda is daar wel kwaad over.
Het verhaal van Johan Bauer die erg goed kan fantaseren, die op het Guyot-instituut blijkt NIET doof te zijn en die in 1838 twee maanden behoort tot de bewoners van het kindergesticht.
In 1839 wordt Johannes Pieter Droit zomaar bij het kinderetablissement afgeleverd, terwijl niemand weet waarom. Het besluit hem de kolonie af te zetten, wordt niet uitgevoerd.
De politie van Leeuwarden heeft in 1839-1840 een dagtaak aan het oppakken en naar de kindergestichten terugbrengen van jongens die NIET in Veenhuizen willen zijn.

Divers 1841-1859

Op 31 augustus 1841 stuurt de tuchtraad 2 kinderen naar de strafkolonie. Wilhelmus van Eek wegens herhaalde desertie en Grietje Willemsen wegens onzedelijke praatjes.
Zes weesjongens hebben mei 1842 een feestmaal gepland met gekookte aardappelen en een haas. Om het voor elkaar te krijgen moeten er wel wat illegale handelingen verricht worden.
De vondeling Johannes Janssen is zeven jaar als hij op 26 mei 1845 in het kindergesticht wordt binnengebracht. Negen jaar later zijn er tal van problemen. Met een staartje in 1867 uit Pruisen.
Een GROOT OFFENSIEF om de zedelijkheid onder de weeskinderen te bevorderen in 1849. Het moet netter, zindelijker, kuiser en godsdienstiger. Boeiende briefwisselingen.
Drie kinderen van Jeltje Klazes Riemersma komen na de dood van hun moeder in 1850/51 in het kindergesticht. Slechts eentje overleeft dat.
Omdat hij ongehoorzaam en ondeugend is wordt de twaalfjarige Hendrik Johan Stumpff in juni 1851 door zijn vader naar het kindergesticht gestuurd. Een jaartje Veenhuizen doet wonderen.
Na haar tijd in het kindergesticht gaat de Haarlemse Johanna Elisabeth van den Berg niet ver weg. Ze trouwt 24 juli 1852 een zoon van een arbeiderskolonist en trekt daar in.


76: