Weeskinderen in Veenhuizen: aanvullende informatie bij het boek De kinderkolonie

Het boek De kinderkolonie, met als ondertitel 'Tot een werkzaam leven opgeleid', De wezen van Veenhuizen (1824-1859) verscheen oktober 2016. Het werd vrijdag 23 september 2016 gepresenteerd in het Gevangenismuseum te Veenhuizen (er volgt nog een impressie van die bijeenkomst) en zaterdag 24 september bij boekhandel Godert Walter in Groningen. Later volgde nog een presentatie in Willemsoord (cafť De Steen, zaterdagavond 1 oktober).
De tweede druk kwam uit november 2016 en de derde druk - met nieuwe omslag, zie onder - in juni 2018. Zie voor recensies en algemene informatie de site van uitgeverij Atlas/Contact.



Deze pagina's geven aanvullende informatie bij het boek. Om te beginnen is er de verantwoording van de gebruikte bronnen, met name archiefstukken, met soms wat extra informatie en verwijzingen naar stukken op de site. Die verantwoordingen per hoofdstuk zijn via deze pagina in te zien en/of op te halen. Op een andere pagina staan de in het boek voorkomende persoonsnamen en weer elders de plaatsnamen.

Verder staan hieronder stukken die met de kindergestichten in Veenhuizen te maken hebben. Sommige staan op deze bladzijden, andere staan elders op de site, maar er is altijd een 'Terug'-toets om weer hier te komen. NB: Er zijn ook nog algemene stukken over de kolonie Veenhuizen op deze pagina. Reacties zijn altijd welkom.

Alle inventarisnummers (invnrs) op deze bladzijden horen - tenzij anders vermeld - bij het Archief van de Maatschappij van Weldadigheid dat berust bij het Drents Archief onder toegangsnummer 0186.



In het archief

Informatie over de bewaard gebleven stamboeken/registers van op contract met de regering geplaatste Veenhuizense weeskinderen. Met links naar de online te bekijken registers.
Informatie over de (onvolledig) bewaard gebleven stamboeken/registers van op particulier contract geplaatste Veenhuizense wezen. Met links naar de online te bekijken registers.
Van wat er van de registratie van die op particulier contract geplaatste kinderen WEL bewaard is gebleven zijn transcripties gemaakt, wat de kans er eentje te vinden groter maakt.
En van de niet goed geregistreerde op particulier contract geplaatste weeskinderen zijn er enkele al opgespoord en die worden beschreven op deze pagina.
Wat zijn designatielijsten en wat is de betekenis van het bij elk weeskind horende designatienummer?? En waar in het archief zijn die dingen te vinden?
Van in totaal twaalf weeskinderen zijn de zakboekjes bewaard gebleven. Een overzicht daarvan staat op deze pagina met links naar de door het Drents Archief gemaakte scans van de boekjes.
Een kleine greep uit de honderden Veenhuizense weeskinderen die een vervolgopleiding hebben gehad op het Instiruut voor Landbouwkundige Opvoeding in Wateren.

De voorbereidingen

Op 18 februari 1823 stuurt Johannes van den Bosch het bestek voor de bouw van een gesticht in de kolonie Veenhuizen. Twee eeuwen later wordt dat teruggevonden in het archief in Brussel.
Op 11 mei 1823 komt Johannes van den Bosch met plannen voor een opvoedings instituut in Wateren. Zie op de onderwijspagina's hier voor het ontwerp van Wateren en hier voor een plaatje van het instituut.
Het eerste Concept Besluit Huishoudelijke Inrichtingen voor het Instituut te Veenhuizen is gedateerd 8 november 1823, zal later worden bijgesteld, maar geeft wel een goed beeld van de bedoelingen.
De regenten van het Aalmoezeniersweeshuis in Amsterdam maken 30 januari 1824 na druk van de autoriteiten een lijst van kinderen die ze wťl naar de kolonie Veenhuizen willen sturen
 Op 2 februari 1824 wordt in voorbereiding van de komst van de kinderen door de permanente commissie vastgesteld het Reglement voor de Administratie van het Gesticht van Weezen.
Bij de administratieve regelingen hoort, dus ook van 2 februari 1824, de personeelsopzet voor het nieuwe gesticht, oftewel de Staat der Geemployeerden voor het Gesticht te Veenhuizen

De overheid

Op 1 maart 1823 sluit de Maatschappij van Weldadigheid een contract met de regering voor het overnemen van '4000 Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen' in de kolonie Veenhuizen.
Met het Koninklijk Besluit van 24 maart 1824 N23 luidt koning Willem I het einde in van het Aalmoezeniers Weeshuis en legt hij de basis voor het zenden van kinderen naar Veenhuizen.
Er blijkt nog een dwingende maatregel nodig, het Koninklijk Besluit van 15 januari 1825 N85, om de weeshuizen zo ver te krijgen dat ze weeskinderen naar Veenhuizen sturen.
De Commissie tot Onderzoek naar de Ware Staat der Armen beoordeelt op 25 april 1825 de bezwaarschriften die diverse steden hebben ingediend tegen de opzending van kinderen.
Met het contract van 16 en 19 juni 1826 tussen het gouvernement en de Maatschappij van Weldadigheid erkent men dat het niet gaat lukken 4.000 weeskinderen in Veenhuizen te krijgen.
Het contract van 23 juni 1827 maakt het mogelijk dat ook invalide weeskinderen in Veenhuizen opgenomen worden. Daar moeten de weeshuizen en steden dan wel extra voor betalen.
Op 17 augustus 1827 gaat Zijne Majesteit het voor eens en voor altijd regelen (denkt hij). Koninklijk Besluit N124 keurt bovenstaande contract goed, KB N125 bepaalt a-l-l-e-s.
Met het Koninklijk Besluit van 17 januari 1836 N84 krijgen de koloniŽn (en de kindergestichten) de taak vooral ten dienste te staan van de Nederlandse bezittingen overzee.

Aankomst der kinderen 1824

Op 19 februari 1824 komen de eerste weeskinderen aan in het kinderetablissement. Hier een overzicht van de aankomsten tot 1 juli 1825, met de plaatsen van herkomst.
En vanaf 22 februari 1824 lopen de eerste weeskinderen al weer weg uit Veenhuizen. De landelijke opsporing is nog niet in orde, dus de eerste zes vluchters blijven altijd weg.
Tot de aangekomen kinderen op 28 februari 1824 behoort Jacobus Faber en omdat ik toch al een keer alle weeskinderen met de achternaam Faber op een rijtje had gezet doe ik ze hier.

Aankomst der kinderen 1825

Op 30 januari 1825 worden voor het eerst gedeserteerde kinderen teruggebracht in het gesticht. Dat is een primeur maar zal in de geschiedenis tientallen keren gebeuren.
Maart 1825 worden de kinderen Alles overgebracht naar het kinderetablissement. Jan, Kornelis, Pieter, Grietje, Aaltje en Klaas komen uit de vrije koloniŽn waar ze wees geworden zijn.
Op 2 april 1825 arriveren twee jongens Emeis, een maand later volgt de derde. De twee eersten lopen weg en blijven langdurig weg voor ze in het kindergesticht terugkomen.
Bij het transport uit Leiden en omgeving dat op 2 mei 1825 aankomt zitten twee verstekelingen. Een moeder uit Alkemade die haar kind niet alleen wil laten gaan en haar dochtertje. Wat nu?
Op 1 juli 1825 komen twee kinderen Sasburg uit Heerenveen het kinderetablissement binnen. Later zullen er nog twee volgen en het verblijft in Veenhuizen pakt helemaal niet beroerd uit.
Bij de groep uit Friesland die 2 juli 1825 aankomt zitten Klaas Teeuwis Albertsma en Albert Teeuwis Albertsma die later allebei een bijschool in Wilhelminaoord zullen runnen.
Tussen de 'deserteurs' van begin juli 1825 staan ook drie weesjongens met zeer Friese voornamen. Ze waren krap een week in het kindergesticht. Eentje wordt teruggepakt.
Op weg naar de kolonie gaat de achtjarige Gijsbertus van Merkum/Merkom op 13 augustus 1825 op zijn eigen houtje de stad Amsterdam bekijken. Er wordt een grote zoektocht georganiseerd.

Kleding

Op 22 januari 1824, bij de voorbereiding op de komst van de eerste kinderen, worden de 'Vaste bepalingen omtrent de kleeding en het huisraad' in het kindergesticht vastgesteld.
Welke kleding dragen de zestien kinderen uit Middelburg die op 20 maart 1825 vandaar vertrekken en acht dagen later de poort van het eerste gesticht binnenlpen?
En hoe gaat het ook uit Middelburg afkomstige groepje gekleed als ze juni 1825 naar Veenhuizen komen? Een overzicht door de 'Subdirectie van 't gesticht No. 3 (Burgerweeshuis)'
September 1834 wil de permanente commissie bezuinigen op de kleding en verdienste van de kwekelingen in Wateren, de directeur protesteert en oktober 1834 wordt het teruggedraaid.
3 februari 1835 Een nieuw besluit dat de geheel afgesleten kleeding der weezen zal worden teruggenomen en van hoe veel kleeding stukken zij steeds moeten voorzien zijn.
Een wijziging van de bepalingen over de kleding van weeskinderen in november 1837 waardoor ze een tweede buis (jongens) of jak (meisjes) pas krijgen als de eerste half versleten is.
Op 22 januari 1840 besluit de permanente commissie dat aan het kledingpakket van de meisjeswezen een 'wit katoenen doek' wordt toegevoegd. Uit de overmaat gebleekte stof.
Er is jarenlang over gediscussieerd en het leek er lang niet door te komen, maar in september 1845 wordt dan toch besloten dat de jongenswezen voortaan onderbroeken krijgen.

Het Geloof

volgt
Dominee Johannes Heersprink meldt in januari 1829 een schreeuwend gebrek aan 'Kerk- en onderwijsboeken'. Meer dan de helft van zijn catechisanten heeft geen 'vraagboeken'.
Welke godsdienstige gezindheid heeft een bepaald weeskind? Enkele fragmenten uit de vaak verhitte discussies over dit onderwerp, waarbij iedereen zich van zijn slechtste kant laat zien.
volgt

Het tuchtrecht

Het Reglement van Tucht voor de Gestichten van Weezen, Vondelingen en verlatene kinderen van den 8 july 1829 regelt de tuchtrechtspraak in de kindergestichten.
Transcripties van de zittingen van de Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het EERSTE gesticht te Veenhuizen van 1826 tot en met 1859.
Transcripties van de zittingen van de Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het DERDE gesticht te Veenhuizen van 1829 tot en met 1842.
Bij bovenstaande transcripties horen lijsten met weeskinderen die - of als beschuldigde of als slachtoffer of als getuide - bij de tuchtzittingen genoemd worden.
Sommige weeskinderen worden veroordeeld tot een tijdelijke verbanning naar de strafkolonie op de Ommerschans. Een lijst van de strafkolonisten onder de weeskinderen.

Het personeel

Een zaalopziener die er al uitvliegt binnen 2 maanden na de aankomst van de eerste wezen. Op 15 april 1824 wordt Gerrit Reemst ontslagen na 'zich aan dronkenschap te hebben overge≠geven
Adjunct-directeur van het eerste gesticht Jannes Poelman heeft de ene ruzie na de andere. Bijvoorbeeld in 1835 met onderdirecteur Laarman.

Vertrek: ontslag

Op 10 september 1825 nemen Johannes van den Bosch en Jermias Faber van Riemsdijk het besluit dat weeskinderen met ontslag kunnen als zij twintig jaar of ouder zijn.
De eerste poging, oktober 1825, om kinderen te ontslaan verloopt rommelig. Het wordt uitgesteld tot het volgende jaar en april 1826 verschijnt dan de allereerste ontslagvoordracht. (stukken moeten nog geplaatst, zie verantwoording hoofdstuk 03 bij pagina 109)
In maart 1828 beginnen de werkzaamheden voor de ontslagvoordracht van dat jaar. Er zijn altijd een aantal die dit jaar liever nog niet weg willen. Een reeks voorbeelden.
De gemeenten waar weeskinderen vandaan komen, moeten akkoord gaan met het ontslag. Enkele voorbeelden uit april/mei 1829 van de reacties die binnenkomen.
Den Haag voegt mei 1829 een nieuwe voorwaarde toe aan het ontslaan van wezen: ze moeten lidmaat van een kerk zijn. Iedereen vindt dat een goed idee en voortaan is het vereist.
Ook in deze periode woedt de discussie of niet moet worden bijgehouden of de ontslagen weeskinderen wel goed terechtkomen. In juni 1829 blijkt men het hierover helemaal eens.
Bij de ontslagvoordracht voor 1834 krijgt de een het advies nog een jaar in het kindergesticht te blijven en de ander kan vanwege zijn of haar geschiktheid meteen vertrekken.
Van de ontslagvoordracht voor 1836 behandel ik er drie die van de leiding wel de wijde wereld in zouden mogen. Twee gaan er inderdaad dat jaar, eentje wacht nog twee jaar.
Een individueel ontslag. Iets of iemand heeft het ontslag aangevraagd voor Hendrik Antes en de directeur meldt maart 1838 dat het goed is want hij heeft 'te Veenhuizen het timmeren geleerd'.
Twee brieven uit april 1839 over het al dan niet ontslaan van weeskinderen. Voor sommigen ziet het er goed uit, maar bij anderen is de verwachting dat ze het gesticht nooit zullen verlaten.
De wees Jan Pieter van Ingen wordt oktober 1839 door de stichter der koloniŽn Johannes van den Bosch opgepikt en meegenomen als tuinman naar zijn grote nieuwe villa in Den Haag.
Bij de ontslagvoordracht in 1845 is er een al jarenlang ingeroest vast stramien. Van het eerste vel van die voordracht doe ik bij wijze van voorbeeld de vijf kinderen die daar op staan.
De Instituteur maakt januari 1846 een overzicht van de weeskinderen die in 1845 vanuit het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren de wereld zijn ingetrokken.

Vertrek: naar familie

Een negen tal brieven over familieleden die besloten hebben een weeskind uit Veenhuizen in huis te nemen. Plus voorafgaand enkele algemene notities over dit verschijnsel..
Soms is het de eigen moeder of vader die een kind uit Veenhuizen weer bij zich wil hebben. Meestal omdat de omstandigheden waarin die ouder zich bevindt verbeterd zijn.
Familie die een wees- of armenkind uit Veenhuizen in huis wil nemen, moet de eventuele schuld van het kind voldoen en moet ze afhalen. Over dat laatste een pagina met twee brieven.
Neeltje en Adriaantje Hoed mogen op 19 januari 1829 uit het kindergesticht om zich te voegen bij hun vader en broer die in Wilhelminaoord wonen. Het lijkt zo mooi maar loopt triest af.
Juli 1835 komt er een brief van de ouders van Jacoba Cornelisse dat 'als vondeling gegeven hebben en niet eerder om hebben kunne verzoeken'. Maar nu willen ze haar thuis hebben.
Bij Simon Vestdijk is het geen familie waar hij naar toe gaat, want dat hebben vondelingen niet, maar een timmerman die hem eerder al eens in huis heeft gehad. En het nog eens wil proberen.

Vertrek: militaire dienst

Een nog onaffe pagina met discussies over de dienstplicht voor Veenhuizense weeskinderen. Met welke plaats loten ze, hoe moeten de jongens geregistreerd, enzovoort.
In april 1829 wordt gecorrespondeerd over de wens van drie jongens uit het eerste gesticht om in militaire dienst te gaan. Het ministerie van BZ vraagt toestemming van de voogden.
BelgiŽ maakt zich los van Nederland. 8 oktober 1830 de Bepalingen nopens de algemeene wapening en handhaving der rust in de kolonie. Om 3 maanden later terug te krabbelen.
Voor de meeste negentienjarigen is de lengte onvoldoende om in dienst te gaan. De directeur geeft de resultaten van een meting in maart 1838 waarbij twee van de zeven lang genoeg zijn.

Ouderloze bedelaarskinderen

Begin 1829 wordt onderzocht of in de bedelaarsgestichten ouderloos geworden kinderen kunnen worden overgebracht naar de kinderetablissementen. Meestal mag het wel.
Er kunnen per 1 april 1829 al een vijftal over van de Ommerschans naar het kindergesticht. Waaronder de zoon van de voormalig arts van de schans en drie jongens van ťťn moeder.
Daarna volgen per 1 juni 1829 de in de bedelaarsgestichten ouderloos geworden kinderen uit Zeeland, want de Zeeuwse steden - en vooral Middelburg - juichen overplaatsing toe.
Ergens tussen september 1830 en 1 juni 1831 komen Jakle Pieters Donia, Tietje Pieters Donia en Jacob Pieters Donia over nadat hun ouders te Ommerschans overleden zijn.

Alle bedelaarskinderen

Bij een besluit op 23 september 1839 wordt in artikel 2 bepaald dat bedelaarskinderen van meer dan vijf jaar worden overgebracht naar het wezengesticht Veenhuizen-3.
Uit een brief op 19 oktober 1840 blijkt echter dat die bedelaarskinderen massaal de benen nemen omdat zij 'worden gekweld door de weezen en achtergesteld door de zaalopzieners'.
Toch probeert men het weer. November 1846 wordt opnieuw besloten dat bedelaarskinderen bij de wezen worden ondergebracht. De enige reden is dat de bedelaarsgestichten te vol worden.

Naamsveranderingen

Januari 1829 wordt er druk gecorrespondeerd over de naam en vooral het geboortejaar van Hendrik Jans Cordel alias Hendrik Harms.
De speurtocht in 1838 naar de identiteit van Hendrik de Vries, die uiteindelijk Hendrik Mozes blijkt te heten. Met die speurtocht is men wel een jaar bezig en dan moet Hendrik in dienst.
Alsof het bijna niks scheelt: de naam van weesnummer 1012 Maria Welgeschikt blijkt volgens bericht van Binnenlandse Zaken op 1 september 1840 Constantia Mulder te zijn.
Volgens de gouverneur van Drenthe op 18 mei 1841 noemt Felix Franciscus Dennis zich ten orechte Chapman. Dat is een naam die zijn vader zomaar heeft aangenomen.

Divers 1826-1832

In oktober 1826 komen de kinderen Lutkenhuis/Lutjenhuis/Lutkenhaus in het kindergesticht. Moeder is overleden en vader is 'van verlof achtergebleven'. Al komt hij in VH terug!
Een voorbeeld van actieve opsporing op 27 augustus 1828 als Anna Maria Westhoff niet van verlof terugkeert en daarmee een 'allerschadelijkst voorbeeld voor de verlofgangers' wordt.
Op 26 maart 1829 arriveren uit Arnhem Johannes Hermanus Lenting en Hendrikus Lenting. De directie heeft moeite ze uit elkaar te houden en nog meer moeite ze in toom te houden.
De wees Neeltje de Kam trouwt in juni 1829 een veteraan die later zaalopziener wordt. Met een terugblik op een affaire tussen Neeltje de Kam en een zaalopziener in Veenhuizen-3.
Op 10 september 1829 schrijft de adjunct-directeur van het derde gesticht een bevel uit voor de wijkmeester dat hij twee kinderen uit Friesland moet ophalen. Dat gaat hem niet lukken.
In september 1830 komen Maria, Dirk en Hermanus van den Berg in het kindergesticht, na de afgelopen jaren als arbeiders- en strafkolonistengezin hun ouders verloren te hebben.
Als Cornelis van Zijl op 15 januari 1831 anderhalf jaar na zijn vlucht voor de tuchtraad verschijnt, blijkt hij die tijd gewerkt te hebben bij boeren in Blankenham die wisten dat hij ontvlucht was.
Op een rijtje gezet de weeskinderen die komen uit Loenen aan de Vecht. Met als eerstelingen drie die op 16 april 1832 in het kinderetablissement aankomen.

Divers 1833-1840

Een onbekende heeft een verslag gemaakt van de viering van Koningsdag 24 augustus 1834 in de kolonie Veenhuizen, welk verslag volgens een bijschrift is geplaatst in de Groninger Courant.
In april 1835 wordt de wees Janus Meijer Drees aangesteld als bijschoolhouder in de kolonie Wilhelminaoord. Hij is schoolmeester geworden zonder in het Instituut te Wateren te zijn geweest.
In een algemeen verslag over de kolonie Veenhuizen op 3 juni 1835 maakt de directeur op het eind kritische opmerkingen over het verlofgaan van weeskinderen. Nodig maar lastig en duur.
Adjunct-directeur voor het onderwijs Jan Hessels van Wolda heeft eind juni 1835 de scholen in Veenhuizen geÔnspecteerd en hij doet verslag van het onderwijs en de onderwijzers.
Ene meneer  'V. Ghestelles-Kerk te Kampen' heeft blijkbaar geÔnformeerd hoe het gaat met de in het kindergesticht opgenomen kindjes Marchant en op 1 juli 1835 wordt dat beantwoord.
Als Adriaan Veltman op 26 juli 1835 de benen neemt, ontstaat er een rel over het gebrek aan alertheid (en bereidheid) van de authoriteiten om ontvluchte wezen op te pakken.
Een bijzonder ingewikkeld verhaal over een groepje Amsterdamse kinderen dat februari 1836 aankomt. Het is onduidelijk wie er nu dood gaat en wie niet. En het loopt nog slecht af ook.
In maart 1836 keert de Veenhuizense wees Noach Scheffener terug in het Instituut te Wateren waar hij vůůr zijn vijfjarige militaire dienst ook gezeten heeft. Hij gaat werken voor de kolonie
Per 1 juni 1836 opgemaakte lijsten door de artsen en adjunct-directeuren van het eerste en derde gesticht te Veenhuizen van invalide weeskinderen die voor handarbeid ongeschikt zijn.
De wees uit het derde gesticht Christoffel Kleinzoon schrijft 14 november 1836 dat hij graag wil ingaan op de uitnodiging ťlŤve-muzikant te worden bij de twaalfde afdeling Infanterie.
Op 8 april 1837 doet directeur der koloniŽn Jan van Konijnenburg verslag van zijn onderzoek naar weeskinderen met bevroren tenen die daaraan bezweken zijn. Een onthutsend rapport.
Neeltje Adriane de Winter mag in 1837 terug naar Hoge en Lage Zwaluwe, maar wil liever even wachten tot haar jongere broer Aart ook weg mag. Dat vindt het gemeentebestuur niet goed.
Oktober 1837 wordt besloten om weeskinderen die zo gebrekkig zijn dat ze toch nooit het gesticht zullen verlaten, NIET te dwingen om te sparen voor later, maar ze uit te betalen.
Jan Kloosterman wordt na zijn ontslag begin 1838 niet bepaald warm welkom geheten door het gemeentebestuur van Nisse in Zeeland. Jan Hessels van Wolda is daar wel kwaad over.
Het verhaal van Johan Bauer die erg goed kan fantaseren, die op het Guyot-instituut blijkt NIET doof te zijn en die in 1838 twee maanden behoort tot de bewoners van het kindergesticht.
In 1839 wordt Johannes Pieter Droit zomaar bij het kinderetablissement afgeleverd, terwijl niemand weet waarom. Het besluit hem de kolonie af te zetten, wordt niet uitgevoerd.
De politie van Leeuwarden heeft in 1839-1840 een dagtaak aan het oppakken en naar de kindergestichten terugbrengen van jongens die NIET in Veenhuizen willen zijn.

Divers 1841-1859

Op 31 augustus 1841 stuurt de tuchtraad 2 kinderen naar de strafkolonie. Wilhelmus van Eek wegens herhaalde desertie en Grietje Willemsen wegens onzedelijke praatjes.
Zes weesjongens hebben mei 1842 een feestmaal gepland met gekookte aardappelen en een haas. Om het voor elkaar te krijgen moeten er wel wat illegale handelingen verricht worden.
De vondeling Johannes Janssen is zeven jaar als hij op 26 mei 1845 in het kindergesticht wordt binnengebracht. Negen jaar later zijn er tal van problemen. Met een staartje in 1867 uit Pruisen.
Een GROOT OFFENSIEF om de zedelijkheid onder de weeskinderen te bevorderen in 1849. Het moet netter, zindelijker, kuiser en godsdienstiger. Boeiende briefwisselingen.
Omdat hij ongehoorzaam en ondeugend is wordt de twaalfjarige Hendrik Johan Stumpff in juni 1851 door zijn vader naar het kindergesticht gestuurd. Een jaartje Veenhuizen doet wonderen.