door den alom bekenden tegenloop der visscherij

Ook in 1818, bij de voordracht (De proefkolonie blz 74) van proefkolonist Breukel, had de secretaris van de subcommissie van weldadigheid Maassluis de slechte resultaten van de haringvangst al opgevoerd als belangrijkste oorzaak van de armoede in de plaats. Overigens heet die secretaris ook nog naar vis.

Sindsdien is het niet beter geworden. Hier reageert dezelfde secretaris op een circulaire van prins Frederik waarin die subcommissies aanmoedigt meer leden voor de Maatschappij te werven.
Het stuk komt uit het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186, invnr 57.

Aan Zijne Koninklijke Hoogheid Frederik, Prins der Nederlanden.

Hebben wij de eer op hoogstdeszelfs circulaire van 12 dezer te rescriberen, dat wij uit wezenlijke overtuiging van de heilzame bedoeling der Maatschappij van Weldadigheid & de daaruit spruitende voordeelen, steeds op de krachtdadigste & meest gepaste wijze werkzaam zijn geweest, het getal der deelnemers te deezer plaatse te doen aangroeijen, 't gene ons dan ook volmaakt gelukt zoude zijn, zoo niet de sints drie achter eenvolgende jaren geheel mislukte haringvaart, de zoo wel menende pogingen had tegengewerkt.

De important geledene verliezen bij die visscherij hebben deze plaats in eenen behoeftigen staat gebragt, welke verliezen des te knellender zijn, daar de hoofdbron van inkomsten der ingezetenen in dien tak van handel bestaat.

Onbetwistbaar zal het gevolg wezen, bijaldien dit jaar ('t gene de Hemel verhoede!) de vangst weder zoo noodlottig uitvald, als in de ongelukkige jaren van 1818, 1819 en 1820 de rheder zijne schepen niet meer zal kunnen uitrusten, maar dezelven als renteloze kapitalen zal moeten laten liggen - een bedroevend & schrikwekkend vooruitzigt derhalve - waarom de rheder thans niet dan met vrees het tijdstip ziet naderen der aanstaande haringvaart!

Deze allerbelangrijkste & drukkende verliezen zijn dan de vernaamste drijfveren geweest, waardoor wij met het uiterst leedwezen moesten ontwaren er elk jaar eene vermindering van inteekenaren plaats had & het is dan ook om bovengemelde reden, dat wij niet zonder vrees zijn dit jaar zulks weder het geval kan wezen, schoon wij geene pogingen, om zulks voor te komen, onbeproefd laten of zullen laten, met verzekering tevens aan Uwe Koninklijke Hoogheid, wij ons ten volle overtuigd houden van den besten wil te medewerking onzer ingezetenen, doch wier verminderde algemeene toetreding hoofdzakelijk moet worden toegeschreven aan derzelver uitgeputten finantieelen staat, door den alom bekenden tegenloop der visscherij.

Wellicht de plotselingsche terugzending van ons huisgezin Breukel c.s. in 't begin de voorleden jaars ('t welk in 't laatst van 1818 naar de kolonie Frederiksoord was ge-expedieerd geworden) ook mede oorzaak is van de vermindering der inteekenaren. Sedert dat tijdstip, welks terugkomst eenen zeer nadeeligen invloed op de gemoederen van eenige individus alhier gemaakt heeft, 't welk gevoegd bij de teruggang der visscherijen, alzoo medewerkte tot afval eeniger contribuanten.

(...)

Uwer Koninklijke Hoogheid
Sub-Kommissie van Weldadigheid, namens dezelve
L. Steur, sekr.

Maassluis den 24 april 1821