Een moordaanslag in de kerk op de Ommerschans in augustus 1834

Onderstaande gebeurtenissen zijn beschreven in De strafkolonie pagina 158-159. Hier de stukken en wat aanvullende informatie.

Op 24 augustus 1834 schrijft de onderdirecteur van de Ommerschans, Jan Frederik Krieger, zie voor meer over hem zijn pagina, een proces verbaal over de gebeurtenissen van die dag. Het stuk bevindt zich in Drents Archief, toegang 0186, invnr 150 de scans 402-403:

Proces Verbaal

Op heden den Vier en twintigsten Augustus 1800 Vier en dertig heeft de Bedelaars-Kolonist Cornelis van Liempt, (dienst doende als Veldwagter in de Kolonie Ommerschans), zich bij het aangaan der ochtend kerk voor de gereformeerden ten 10 Ĺ Uuren, zich insgelijks in die kerk begeven, niettegenstaande hij tot eene andere, en wel de Rooms Catholijke Godsdienst behoorde, en aldaar wegens dienstzaken als Veldwagter volstrekt niets te verrigten had.

Aldaar heeft hij tusschen de vrouwen zich begeven, geplaatst achter eene Zekere Bedelaars-Koloniste met name Adriana Gezina Jetske Ladenius.

Daar zich bevindende heeft hij haar gevraagd waarom zij heden ochtend hem als naar gewoonte zelf geen eten of drinken had bezorgd, waarop zij heeft geantwoord dat zij nog niet gekleed was geweest, waarop hij weder heeft gezegd, als je mijn ontrouw wordt, zal een ander geen plaisier van je hebben;- dat aan hare regter zijde heeft gestaan de Bedelaars-Koloniste Catharina Timmermans, en aan haar linker zijde Johanna Maria Fikke en agter haar Christina Ratelband.

Dat, na dat hij Cornelis van Liempt dit laatste had uitgesproken, zich niet heeft ontzien om in de Kerk in het midden der gemeente welke bijna geheel vergaderd was, een aanslag te maken op het leven van voornoemde Adriana Gezina Jetske Ladenius, door haar volgens getuigenis van voornoemde Bedelaars Kolonisten Catharina Timmermans, Johanna Maria Fikken en Christina Ratelband met zijn eene arm om den hals te vatten en met de andere hand het mes alhier tegenwoordig te bezigen en tot driemaal toe op haar hals te stooten, met oogmerk haar om het leven te brengen, het welk haar echter geene wonde heeft toegebragt, als alleen een klein sneetje over haar linker arm, het welk zij bekwam door het mes van zich afteweeren.

Dat daarop ter harer hulp zijn toegesneld de Veldwagters Arend van Wieringen, Guliaan Marinus Specht en Cornelis Innes Bontekoe, welken hem de kerk hebben uitgeleid en vervolgens naar eene kelder ten westen van de Schans gelegen in verzekerde bewaring hebben gebragt.

Dat vervolgens den Onder Direkteur Jan Frederik Krieger zich almede naar voornoemde kelder heeft begeven, en aldaar komende aan Cornelis van Liempt heeft gevraagd in tegenwoordigheid van den Sergeant Cornelis de Bruin, en de Veldwagters Arend van Wieringen, Guliaan Marinus Specht en Cornelis Innes Bontekoe, waarom hij Cornelis van Liempt dit feit had gepleegd, of hij ook beschonken was, waarop hij heeft geantwoord, dat hij niet beschonken was, maar hij zich zelf gezworen had deze wraakoeffening te zullen doen, om reden hij zoo dikwijls al bedrogen was;- dat dit nu wel mislukt was, doch hem niet van zijn voornemen zou doen afzien, om het plegen van deze misdaad te hervatten, en dan beter zijn doel te treffen.

Dat vervolgens den Onder Direkteur voornoemd benevens de Sergeant en Veldwagters de kelder hebben gesloten, de aangeklaagde Cornelis van Liempt in verzekerde bewaring gesteld en hier van Proces Verbaal opgemaakt op dag en datum hier boven voorschreeven.

De Onder Direkteur
J. F. Krieger
de Bruine
A: G: J: Ladenius
Specht
C. I. Bontekoe
Johanna Maria Fikken
Die met een kruisje getekend hebben zijn de kolonisten Timmermans en Ratelband en van Wieringen en hebben zulks in onze tegenwoordigheid gesteld


Op 30 augustus 1834 stuurt de directeur der koloniŽn, bij brief met nummer N1610, het bovenstaande proces verbaal door naar de permanente commissie. Die neemt een en ander op 27 september 1834 'voor notificatie' aan.

Frederiksoord  den 30 Augustus 1834

Ik heb gemeend UWEdG: kenbaar te moeten maken nevens gevoegd proces verbaal van eenen aanslag op het leven der bedelaars kolonist A: G: J: Ladenius, door den kolonist C: van Liempt op ll. Zondag, in de kerk te Ommerschans, welk stuk aan den Burgemeester der Stad Ommen is ingezonden geworden en ten gevolge waarvan de getuigen eergisteren zouden worden gehoord; zijnde mij van den verderen loop dier zaak nog niets bekend.

De belangrijkste medespelenden
Cornelis van Liempt is volgens de inschrijvingen bij het bedelaarsgesticht geboren 23 augustus 1798 te Den Dungen, in de omgeving van 's Hertogenbosch. Vanuit laatstgenoemde plaats wordt hij voor het eerst binnengebracht op 4 februari 1831. Hij staat met bedelaarsnummer 1322 op folio 223 van het register toegang 0137.01 invnr 425. Zijn signalement: lengte 1 el 6 palm 9 duim, ovaal aangezicht, bruin haar en bruine ogen, kleine mond en ronde kin, mismaakte duim aan regterhand.
Aantekeningen: den 10 juni 1833 gedeserteerd, den 30 juni 1833 van desertie terug, den 10 september 1833 gedeserteerd, den 15 november 1833 van desertie terug, 8 september 1834 voor de regter te Deventer. Dat laatste dus vanwege bovenbeschreven kwestie. Hij zit niet zo lang vast, want op 2 april 1835 wordt hij vanuit Avereest weer het bedelaarsgesticht binnengebracht. Later volgt nog een derde opname.

Adriana Gezina Jetske Ladenius is volgens de inschrijvingen geboren te Leeuwarden op 17 april 1792. Zij wordt de eerste keer binnengebracht 19 oktober 1829 door Leeuwarden, en staat in het register toegang 0137.01 invnr 425 met het signalement: lengte 1 El 530 streep, rond aangezicht, donkerbruin haar, lichtblaauwe oogen, kromme neus, gewone mond en ronde kin, geen merkbare tekenen, ze gaat 15 augustus 1831 naar Veenhuizen, en wordt 26 januari 1832 ontslagen.
De tweede opname staat op folio 157 van register toegang 0137.01 invnr 426: binnengebracht 1 augustus 1833 door Leeuwarden, zelfde signalement, 21 november 1834 naar Veenhuizen, 15 juni 1835 ontslagen.