Brieven van mensen die naar de koloniŽn wilden, maar er nooit binnengekomen zijn, geven boeiende beschrijvingen van het leven in de eerste helft van de negentiende eeuw

Ik geef toe: deze site gaat over de koloniŽn en de mensen die er gewoond hebben. Maar af en toe heb ik zomaar transcripties van brieven van of over mensen die er graag naar toe willen maar er nooit gekomen zijn. En in plaats van dat weg te gooien, verzamel ik het maar op deze pagina, want de brieven geven vaak hele interessante levensverhalen. Alle stukken komen uit het Archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186.

Februari 1819, de tabaksplanter Pieter Streeflandt

De brief van Pieter Streeflandt, die ergens in de buurt van Zwijndrecht moet wonen, waarin hij voorstelt om als tabaksplanter in de kolonie actief te zijn, staat op een andere pagina, want tot mijn verrassing blijkt men 26 jaar later serieus van plan om op eigen houtje Kolonietabak te gaan verbouwen!

Oktober 1824, ene Harm Jans Smit uit Vledder

Stephanus Jacobus van Royen, eerst schout en later burgemeester van Vledder, is voortdurend in de weer om gronden voor de Maatschappij te kopen. In een van die brieven, 8 oktober 1824, invnr 71, draagt hij ook een plaatsgenoot voor:

Eindelijk neem ik de vrijheid, daar ik geinformeerd ben dat de onderdirecteurs post te Willems-oord eerdaags vacant word, ter vervulling van die post aan de Kommissie te recommanderen zeker Harm Jans Smit, schoolonderwijzer te Broekhuizen, zijnde een boerenzoon te Vledder om de 27 jaren oud en noch ongehuwd.

Hij kan zeer goed rekenen en schrijven en verstaat de landbouw waarbij hij is opgevoed, op wiens zedelijk gedrag niets valt aantemerken, hij is van een ordentelijke boerenfamilie.

Door gemelde persoon verzogt zijnde hem ter bekoming van genoemde post aan UWelEde≠len te willen aanbeveelen, heb ik, ofschoon niet gaarne de Kommissie met dergelijke sollicitanten lastig valle, mij verpligt gevonden dit te moeten doen, om redenen ik zeker van gevoelen ben, dat hij, geŽmployeerd wordende, de Kommissie in alle deelen genoegen zal geven, terwijl bovendien in staat is zijn boekhouder in alles te kunnen naarzien en dus daarvan niet afhangelijk is, als iemant die niet, of zeer gebrekkig schrijft en rekend.

De permanente commissie reageert op 19 oktober 1824, invnr 355:

Wij hebben op de verders in dier brief vervatte aanbeveling van den persoon H.J. Smit te Vledder het mogelijk regard geslagen, dan er was geene gele≠genheid om hetzelve op de vakante plaats van Onder Direkteur van kol. 3 en 6 te doen werken, daar bereids een ander daarmede is begunstigd geworden.

Oktober 1824: Wouter van der Plas uit Steenwijk

Op 17 oktober 1824, invnr 71, schrijft de directeur der koloniŽn aan de permanente commissie:

Na genomen informatie omtrent de persoon van W. van der Plas, wiens aan Zijne Majesteit geadresseerde rekwest hier nevens der Permanente Kommis≠sie wordt terug gezonden, moet dezelve zijn van een goed zedelijk gedrag, zoo ook zijne vrouw kindt.

Intusschen neem ik de vrijheid hier bij te voegen dat hij een eigen bestaan heeft in het ambacht van schilder, verver en glazenmaker te Steenwijk en het mij daar om altijd als bedenkelijk voorkomt de man dadelijk na zijne reengagement bij de armťe als zaalopziener te employeren.

Die boodschap brengt de permanente commissie op 28 oktober 1824, invnr 355, over aan de administrateur voor het armenwezen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken:


Wij hebben de eer gehad op de 18 sept. ll. wel te ontvangen UWHEdG. missive van den 13 te voren N23, met het daarbij gevoegde rekwest van zekeren Wouter van der Plas te Steenwijk.

Met terugzending van dat rekwest, meenen wij, ter voldoening aan UWHEdG. ons daaromtrent gedaan verzoek, UWHEdG. te moeten aanmer≠ken, dat voor zoo verre des rekwestrants verzoek strekt om in de dienst van de M. van Weld. bij derzelver kolonien te worden geŽmployeerd, hij zich aan ons zoude behooren te adresseren; doch dat ons bij voorraad geen termen zij voorgekomen om op zoodanig verzoek van die persoon, veel min op de bevordering van deszelfs mede verzocht reŽngagement in den militairen dienst, een gunstig regard te slaan; daar hij te Steenwijk als schilder, verwer en glazenmaker een eigen bestaan heeft, waardoor hij volkomene aanspraak mist op die toegenegene hulpvaardigheid, welke anders een behoeftig gediend militair voorzeker zoude verdienen.

Februari 1825, de kleermaker Tieleman Vermasen

Op 25 februari 1825 schrijft B. de Cock, secretaris van de subcommissie Coevorden aan de permanente commissie. De brief bevindt zich in invnr 72 scan 575, en luidt als volgt:

Koevorden, den 25 February 1825

Wij hebben de eer hiernevens bij UWelEd. in te zenden eene voordragt van een huisgezin bestaande uit man, vrouw en drie kinderen hetwelk niet in staat is om genoegzaam hun bestaan hier te kunnen vinden en genegen om in het Etablissement te Veenhuizen te worden geplaatst.

Uit de daartoe door ons opgemaakte staat geblijkt dat de man een kleermaker van beroep is, en wij moeten hierbij aanmerken dat hij alleen onder beding van in dit zijn beroep aldaar werkzaam te kunnen zijn, hiertoe inclineerd;

zijnde hij ook niet geschikt tot het beoefenen van landbouw en soortgelijke werkzaamheden, hebbende hij zich daarmede ook nooit van belang bezig gehouden.

Wij vertrouwen dat deze man in het Etablissement als kleermaker zeer wel zal kunnen worden geŽmployeerd, en hopen hierop een gunstig besluit van UwelEd. te zullen ontvangen.

Uit naam der kantonnale subkommissie te Koevorden,
De secretaris,
B. Cock

Op de achterkant van de brief, invnr 72 scan 576, heeft de permanente commissie genoteerd dat het gaat om het gezin van Tieleman Vermasen en dat zij de brief heeft beantwoord op 2 maart 1825. Dat antwoord heb ik niet gezien, maar moet in invnr 356 zitten.
Een tijdje later, 13 april 1825, wijst de permanente commissie een plek in Veenhuizen toe aan het gezin Vermasen. Zie designatie 76 in het designatieregister 1824.
Maar misschien was er in die toekenning toch sprake van landbouwwerk? Ik weet het niet, maar het gezin bedankt bij nader inzien en komt nooit in Veenhuizen.

Oktober 1825, de gescheiden vrouw Zweers

Op 22 oktober 1825, invnr 76, schrijft 'E:C: Zweers gesepareerde vrouw van J: Chijs' uit Amsterdam, die blijkens haar brief haar alimentatie niet ontvangt:

Eerbiedig neemt den ondergeteekende de vrijheid zich bij deeze tot UWel≠Edelen te wende.

Daar zij sedert vier jaare bij een wettig vonnis dezer regtbank van haare man gescheiden is en met haar 3 kinderen waar van de oudste 8 jaare en een van 7 jaare en een meitje van 4 jaare sedert dien tijd zonder eenig hulpmiddel heeft bestaan, daar aan de toelaage welke de regtbank aan haar gesepaareerde man heeft toegelegd niet is voldaan geworde,

waarbij zij ondergeteekende om haare kinderen behoorlijke voeding te besorge alles heeft opgezet, en hier alle moeite heeft aangewend aange≠zien omstandigheden dien haar door deeze versorging waar aan zij tot heeden heeft voldaan van alles heeft beroofd, geen hulpmiddel ter redding en versorging haarer kinderen heeft kunnen erlangen,

daar wat haar zelve betreft zij voor zich zelve alleen door werkzaam te zijn nog in haar eigen behoefte zoude kunne voorsien, dan dat alles wat zij ook aanwend het haar volstrekt onmoogelijk maken in de behoefte haare 3 kinderen te voorsien,

en daar zonder redding eene onvermijdelijke armoede, waarvan zij en haare kinderen de vergevorderde schreede helaas reeds bitterlijk gevoele haar deel is, zoo is 't WelEdele Heere om deeze meede door omstandigheede ge≠prangd dat zij de vrijheid neemt om redding en hulp voor haare kinderen bij UEd. te smeeken,

overtuigend dat de weldaadigheid uwer inrigting haar het vertrouwe inboesemen, dat UWelEdelen haare ongelukkige omstandighee≠dens overwegende die verligtende hulp zult geeven welke zij door deeze de vrijheid neemt van UWelEdelen af te smeeken haar lot bij UWelEdelen aantebevelen.

Met verschuldigde eerbied heb ik de eer met waare hoogachting mij te noemen UWelEdelen Heere UED DWDienaresse
E:C: Zweers gesepareerde vrouw van J: Chijs

Amsterdam 22 oct. 1825
woonplaats op 't Blauwe Erf No 8 ten huise van de wed. Wiljemin agter de Gravestraat

Oktober 1825, ene Faber uit Leeuwarden zonder adres

Op 28 oktober 1825, als na het vertrek van de boekhouder Rad, zie hier, de directie alle mogelijke moeite heeft de administratie op orde te houden, schrijft de directeur der koloni:en aan de permanente commissie, invnr 76:

In antwoord op eerstgen. heb ik de eer te berigten dat van de sollicitant Faber te Leeuwarden bij ons geen adres bekend is en wij denzelven daarom niet kunnen schrijven hier te komen;

buitendien herinneren wij ons niet aangaande zijne vroegere betrekkingen en vermoedelijke geschiktheid tot den post van boekhouder; waarom ik de vrijheid neem de Permanente Kommissie te verzoeken zelve daar over te oordeelen, en indien zij dit mogt goedvinden, hem op eene proeftijd herwaards te zenden:


December 1825, onderwijzer Jan Groen

Op 10 december 1825, invnr 76, schrijft Jan Groen vanuit Den Haag aan Johannes van den Bosch:

Daar ik van jonge af tot den post van onderwijzer ben opgeleid geworden, en als zoodanig door het provinciaal schoolbestuur, met eene acte van den tweeden rang in al de vakken van het lager onderwijs, erkend; maar dat ik in de jongste omwenteling, door den lande gerequireerd, den dienst der admini≠stratie bij het batt. vrijwilligers, gestationeerd geweest voor de vestingen Koevorden en Delfzijl, zonder eenige betaling, heb waargenomen, waardoor ik van mijne kostwinning geheel ben beroofd geworden; zoo dat ik genood≠zaakt werd dienst bij de 10 afd. inf. te moeten nemen, welke ik ook den tijd van ruim 6 jaren, als deszelfs onderwijzer, getrouwelijk vervuld heb.

Daar ik thans reeds voor drie jaren gepasporteerd, buiten eenige werkzaamheid ben, in droevige omstandigheden, en zonder eenig onderhoud mij bevindende, wende ik mij, na vele mislukte pogingen elders, tot U WelE Heeren! met dit ootmoedig verzoek, indien eenigzins mogelijk, mij met eene post als school≠onderwijzer, boekhouder, zaalopzigter of met eene andere convenable bediening, bij de kolonie van Weldadigheid, zoo als ten meesten nutte derzelver verstrekken kan, goedgunstig te begiftigen

's Gravenhage den 10 dec. 1825
ten huize van M. Hubens in de Moriaan, in de Spuistraat alhier.

Bijgevoegd is een getuigschrift van een emeritus predikant en twee andere personen:

De ondergetekenden verklaren bij dezen in de gelegenheid, meer dan anderen, geweest te zijn van den persoon van Jan Groen, gehuwd doch geen kinderen hebbende, te hebben leeren kennen voor iemand die niet alleen zeer veele kundigheden bezit, waar van men overvloedige bewijzen zoude kunnen produceren, ten aanzien van de vruchten van zijn onderwijs in 't schrijven, lezen, rekenen, zingen etc., maar ook die van een gansch onberis≠pelijk en zeer braaf levensgedrag is, om welke redenen wij met een ruim geweten hem als een zeer bekwaam en geschikt onderwijzer aan een ijgelijk durven aanprijzen.

Amsterdam 13 nov: 1822
J: Nederhouw, rust: predik:
Hendricus Theodorus van Elst
Hendrik Polder

Ook bijgevoegd is een briefje gedateerd 9 augustus 1826, dat er later bijgevoegd zal zijn, over een verhuizing van Jan Groen:

De ondergeteekende geeft aan de Commissie van Weldadigheid berigt, als dat hij uit de Moriaan in de Spuistraat verhuist is, naar de Papestraat op de hoek van de Oude Molstraat lett. E, No 216

J. Groen
's Gravenhage d. 9 aug. 1826