Naar het overzicht
van stukken over Willempje van der Dooze





Enkele bijzonderheden van het leven van Willempje van der Dooze en haar gezin in Veenhuizen van 1838 tot 1843


Invnr 196 scan 27 en verder is een 'Staat van voorgevallen veranderingen in het personeel gedurende de maand Meij 1838'. Met personeel wordt niet bedoeld employťs maar bewoners.
Op scan 28 staat bij woning 92: Harbregt, Christiaan Willem met vrouw en drie kinderen, den 5 Meij overgenomen van de Ommerschans'.

Ze staan nu in het stamboek van arbeidershuisgezinnen met invnr 1574 op scan 29, waar te zien is dat woning 92 van het derde gesticht is doorgestreept en vervangen door het woningnummer 101.

Invnr 223 scan 227 is de 'Stand van rekening van arbeiders en bedelaarsgezinnen gedurende het jaar 1839'. Bij 92 staat Harbrecht. Zoals de meeste gezinnen hebben ze schuld.

Op 5 februari 1840 brengt de directeur de wens van de familie over om in de vrije koloniŽn geplaatst te worden, waar echter door de permanente commissie afwijzend op gereageerd wordt, zie op de hoofdpagina onder het kopje 'Naar de vrije koloniŽn?'

Op 28 april 1841 trouwt dochter Cunera, 25 jaar oud, als Kuinera Schoolbroek, dan wonend in de Suikerbakkersteeg te Amsterdam, met ene Wilhelm Hemelrijk, geboren en getogen in Amsterdam, van beroep metselaar, 20 jaar oud. Op de huwelijksakte staat ook: 'Verklarende de echtgenote en hare moeder niet te kunnen schrijven.' Meer over het gezin Hemelrijk-Schoolbroek staat op deze pagina.

Invnr 251 scan 237-238 is een 'Nominative Staat van Arbeiders Huisgezinnen bij de gestichten 1 en 3 te Veenhuizen, welke vroeger tot de gewone Kolonien hebben behoord'. Op scan 238 staat onderaan het gezin Harbregt-Van der Dooze.

In een latere brief van 8 februari 1844, als het gezin al een klein jaar in de vrije koloniŽn woont, speelt in Veenhuizen een kwestie rond het magazijn van het derde gesticht. Als de directeur daarover schrijft, blijkt dat Christiaan Willem Harbrecht te Veenhuizen een tijd lang als magazijnknecht gewerkt heeft.
De directeur verdenkt hem met terugwerkende kracht ervan de veroorzaker te zijn van de tekorten in het magazijn. Hij meldt ook dat de magazijnknecht (dus Christiaan Willem Harbrecht) 'zich nu en dan aan misbruik van sterken drank schuldig maakte'. Het hele betreffende briefgedeelte, invnr 290 scans 683-685:

Eindelijk heeft mij de nieuwe benoemde Magazijnmeester bij het 3e Gesticht, G.L. de Lange, verzocht bij UwEdGeb zijn beklag uit te brengen over het Besluit van 11 December 1843 N1, waarbij hem de vergoeding van zulk een groot deel der tekortkomingen, als voorwaarde zijner benoeming, is opgelegd geworden, daartoe aanvoerende, dat de overledene Meijer niet slechts in naam, maar ook in der daad effectief magazijnmeester was, die de sleutels droeg en derhalve uit- en inging zoo als hij verkoos;
van wiens tekortkomingen hij niet eerder iets vernomen heeft, dan toen dezelve in July 1842, kort voor de opneming, met verlof was gegaan, en hij door vergelijking van het boek met de aanwezige quantiteiten eenige belangrijke verschillen bemerkte
en die den Magazijnsknecht Harbrecht teveel vertrouwde, als welke de levensmiddelen ook aan den kolonistenhuisgezinnen uitgaf, geheel buiten hem adsistent, of liever schrijver van het Magazijn, om en daarbij wel uitgiften kan hebben gedaan, die niet opgegeven werden, maar waarvoor hij persoonlijk vergoeding van de Kolonisten kan hebben ontvangen;
terwijl deze Harbrecht later in January 1842 openlijk wederkeerig den Magazijnmeester Meijer beschuldigde, nu en dan objecten uit het Magazijn voor zijn huisgezin te hebben geleend, die Meijer niet heeft kunnen bewijzen te hebben teruggegeven, welk verschil hierover mij toen noodzaakte een eind aan de zaak te maken door Meijer het Magazijn te ontzeggen en De Lange, van dat ogenblik af aan, verantwoordelijk te stellen, toen er dan ook eene opneming heeft plaatsgehad, waarbij wederom tekorten zijn ontdekt, volgens den Staat welken hij mij daarvan overhandigd heeft en die UwEdGeb hiernevens wordt aangeboden.
Zonder nu juist de oneerlijkheid van den overledene Meijer zooverre te verdenken, zou ik toch ook De Lange van grove ontrouw vrij achten, daar zijne benoeming dan beter achterwege gelaten ware; maar geloof ik den toenmaligen Magazijnknecht, die zich nu en dan aan misbruik van sterken drank schuldig maakte en later, in de gewone Kolonien overgeplaatst zijnde, zich ook van geen gunstige zijde bij mij heeft doen kennen, voor de eigenlijke oorzaak der groote tekortkomingen te moeten houden, die bij Meijer veel te veel vertrouwen had, terwijl deze, sedert zijn blindheid, als verantwoordelijk Magazijnmeester had moeten aftreden.

Tenslotte staat op scan 29 van invnr 1574 vermeld 'Terug naar de Gew(one) Kol(oniŽn)' en dat ze zijn overgeplaatst 'naar kol 1/123 den 15 April 1843'.