Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





Opdat eenmaal eens een einde kome aan die groote sterfte, welke in deze gestigten reeds meer als twee jaren heeft geheerscht


Op 30 november 1828 schrijft de burgemeester van Norg Johannes Tonckens aan de gouverneur van Drenthe. Blijkbaar heeft die hem een verontruste brief van de gouverneur van Friesland gestuurd met het verzoek eens onderzoek te doen.
De brief van Tonckens wordt vanuit Drenthe doorgestuurd naar het ministerie van Binnenlandse Zaken, die kopieert hem en stuurt hem door naar de permanente commissie. Die kopie bevindt zich in invnr 94, zie hier de scan.
Ik heb omwille van de leesbaarheid wat extra interlinies en nieuwe regels ingevoerd:


Aan Zijn Excell: den Heer Staatsraad Gouverneur van de Provincie Drenthe

Westervelde, 30 mei november 1828

Op het ontvangen van het besluit van Uwe Excellentie van den 29 dezer no.4, geleidene eene missive van den Heer Gouverneur der Provincie Vriesland welke nevens terug gaat betrekkelijk het te doene onderzoek na de ziekten in de gestigten der Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen heb ik met nauwkeurigheid de registers van den Burgerlijken Stand van overlijden van de maanden september, october en november 1828, nagezien, en daaruit ontwaard, dat
in de maand september 19,
in de maand october 22,
in deze maand november, tot den 29sten, 50 acten van overlijden daarin waren ingeschreven en dat
in de maand september 3 dan aan het 1e gestigt, 7 aan het 2de gestigt en 7 aan het 3e,
in de maand october, 5 aan het 1e, 6 aan het 2e en 9 aan het 3e gestigt van de Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen waren verstorven, en dat in ieder van deze beide maanden slechts 2 in het overige gedeelte van de gehele gemeente waren overleden en
in deze maand november, 1, aan het 1e gestigt, 11 aan het 2e gestigt en 38 aan het 3e gestigt zijn verstorven en geene in het overige gedeelte van deze gemeente, en ik heb daarbij tevens opgemerkt, dat de sterfte zich voornamentlijk bepaald heeft tot de in deze en vorige maand aangekomene kinderen.

Uit een staat welke ik daarvan heb opgemaakt, over de maand november en hiernevens gaat, zal Uwe Excellentie het één en ander nader kunnen zien.

Om met eenige zekerheid over de aard der ziekte, waaraan deze kolonisten overleden zijn, te kunnen berigten heb ik mij hedenmorgen aan het 1e gestigt van de Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen bij de Med: Dr der Maatschappij den Hr H.F.A. Sasse die met de eersten dezer aldaar is aangekomen, en den plattenlands Heelmeester P. Limes vervangen heeft, vervoegd, teneinde eenige inligtingen te bekomen.

Ik heb dan ook van gem: Heer ontwaard, dat aan het 1e gestigt waar weezen zijn, geene ziekten heerschten, en dat de kinderen aldaar zelfs zeer gezond zijn, en dat er van de 1200 kinderen die zich aldaar bevinden, 30 in de ziekenzaal zijn opgenomen, waarvan slechts 9 eigenlijk gezegd kunnen worden ziek te zijn, gedeeltelijk aan koorts, aan waterzucht en oogziekte.

Verder heb ik mij bij den Adjunct-Directeur van het 2e gestigt, waar zich 795 bedelaars bevinden, vervoegd, om mij naar de ziekte aldaar te informeren, en ik heb van Zijn Ed: vernomen dat er 45 zwakke en zieke bedelaars in de ziekenzaal waren opgenomen, waarvan 17 of 18 gezegd kon worden eindelijk ziek te zijn.

Vervolgens heb ik mij naar het 3e gestigt, in hetwelk tot dusverre alle nieuw aangekomenen kinderen zijn opgenomen, behalve 8 uit de gemeente Slogteren, begeven, en bij afwezigheid van den Adjunct-Directeur, van den Onderdirecteur van dat gestigt vernomen, dat hetzelve 823 kinderen verpleegd worden en dat nog op dit oogenblik 54 van dezelve in de ziekenzaal zijn opgenomen,
waarvan 7 laboreren aan de koorts,
18 aan buikloop,
13 aan het water;
dat er 6 met onderscheidene ziekten behebt, aan beter hand waren,
dat er ook 8 zwakke kinderen zich in de ziekenzaal bevonden,
gelijk mede 2 met gebreken van weinig aanbelang.

Uit de ingewonnene informatien zoo van de Doctor van het gestigt als anderszins, is het mij gebleken,
- dat het in de maand November aan het 1e gestigt overledene kind aan eene zeer verouderde kwaal is gestorven,
- dat het grootste gedeelte der in deze maand verstorvene bedelaars aan het 2e gestigt overleden is, wegens ouderdom of verzwakking,
- doch dat de ziekte waaraan het groot getal en voornamentlik van de nieuw aangekomene kinderen aan het 3e gestigt in deze maand is overleden, zich bijna alleen bepaald tot eene buikloop, zijnde een soort van roodeloop en waterzucht.

Het is mij tevens kenbaar, dat aan dezelve soort van ziekte ook reeds in het vorige jaar en bijzonder einde herfst de meesten van de toen ook in grooten getalle aldaar overledene kinderen zijn gestorven,
- en dat de oorzaak van deze ziekte zeer onderscheiden wordt opgegeven en
- door sommigen wordt toegeschreven aan het voor de nieuwe aangekomene kinderen geheel ongewone voedzel, waaronder ook inzonderheid genoemd moet worden het aardappelbrood, samengesteld uit rogge en een groote kwantiteit, gewoonlijk van het slegtste soort van aardappelen (gewoon roggenbrood wordt aan de kinderen niet gegeven); - aan de ongewone ligging en dekking in de hangmatten, aan de lageren vochtige ligging van het 3e gesticht en aan slegt water terwijl, andere omstandigheden te zamen genomen, voor de oorzaaken dezer ziekte houden.

Het is zeker, dat er aan het 3e gesticht iets bestaat hetwelke deze ziekten veroorzaakt, die niet aan het 1e gesticht, waar mede kinderen zijn, heerscht en ik verblijde mij hartelijk van goederhand te hebben vernomen,
dat de Permanente Commissie van de Maatschappij van Weldadigheid op voordragt van den bekwamen en ijverigen Doctor Sasse heeft besloten,
om alle in het vervolg nieuw aankomende kinderen aan het 1e gesticht optenemen en
ik voede de hoop dat deze heer Sasse van de Permanente Commissie zal weten te verwerven,
dat de weezen en ook de bedelaars met meer gezond en voor een mensch geschikt voedzel, worden gevoed,
en dat het 2e en 3e gestigt te Veenhuizen welke door hare vochtigheid meerendeels veroorzaakt door de hoge opdamming van het water in de grachten rondom de gestigten, en de boven de vloeren der gestigten enige voeten verhevene binnenpleinen welke het water voor de gestigten doen toevloeijen, niet anders zeer ongezond kunnen zijn, zodanig worden veranderd, dat de vloeren der woningen en zalen, die nu bijna met het water in de grachten en in de stinkende gruppen om de gestigten egaal hoog zijn, verscheiden voeten door bouw worden verheven,

opdat eenmaal eens een einde kome aan die groote sterfte, welke in deze gestigten reeds meer als twee jaren heeft geheerscht, en waarvoor de sterfregisters in deze gemeente het treurig bewijs opleveren

en ik heb tevens het blijde vooruitzicht, dat ook dit mijn berigt in handen van Uwe Excellentie niet weinig zal toebrengen tot de verbetering van het lot aan een zoo groot aantaal weezen, arme en verlatene kinderen en bedelaars in de gestigten der Maatschappij van Weldadigheid opgenomen

en ik neem deze gelegenheid waar, om Uwe Excellentie in het belang dezer kolonisten te verzoeken, U veelvermogen invloed ook daartoe te willen besteden, dat de weezen goed en de bedelaars niet slegter gevoed worden als Z.M. onzen geëerbeidigden Koning de voeding voor de bedelaarsgestigten van de Noordelijke Provincien heeft voorgeschreven bij Besluit van den 12 october 1825, no.176.

De Burgemeester van Norg, (get) J. Tonckens
Voor kopie autentiek, het Lid der Gedepe Staten, belast met de functien van Griffier, (get). Vos

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris-Generaal bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Wenckebach

De bovenaan deze brief genoemde kopie door het ministerie van Binnenlandse Zaken komt volgens de samenvatting op de achterkant bij de permanente commissie binnen op 13 december 1829. Dat is een beetje raadselachtig, want pas op 17 januari 1829, invnr 95, schrijft Binnenlandse Zaken dat ze de brief doorstuurt, dus ik begrijp het niet helemaal:.


No.134
’s-Gravenhage, den 17 Januarij 1829.

Ter voldoening aan het namens UwelEd aan mijne administratie uitgedrukt verlangen, heb ik de eer bij deze aan UwelEd te doen geworden afschrift van den brief van den Burgemeester van Norg betrekkelijk in het 3e gesticht te Veenhuizen ontstane ziekte.
De Administrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen,
Priviaire.