Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





Dat de Heer van der Sluis mij verklaard heeft, dat de behandeling, zoo min als de voeding enz der gezonde kinderen niets te wenschen overlaat


Op 4 december 1828 schrijft de directeur der koloniën Wouter Visser dat de onderdirecteur van het derde gesticht hem gemeld heeft dat Tonckens langs is geweest. Als Visser zelf in Veenhuizen is, ontmoet hij de president van de Drentse geneeskundige commissie die door de gouverneur van Drenthe op onderzoek is uitgestuurd. De brief van Visser bevindt zich in invnr 95, zie de scan:


Frederiksoord, 4 december 1828

Op den 1e dezer des avonds ontving ik van den Heer Ond. Dir. Hulst eenen brief, inhoudende dat de Burgemeester van Norgh op last van den Gouverneur van Drenthe, te Veenhuizen naar het getal en den aard der ziekte in die kolonie was komen informeeren, en heb gemeend, dien brief in zijn geheel aan de Permanente Kommis­sie te moeten zenden,

met verdere informatie dat ik den volgende dag in persoon te Veenhuizen zijnde, aldaar aantrof den Heer v.d. Sluis, Med. Doctor en President der Geneeskundige Kommissie te Assen, mede voorzien van een order des Heren Gouverneur houdende, om naar het bekomen rapport van den Burgemeester van Norgch, zich dadelijk naar de kolonien te begeven, zich te overtuigen van den staat der ziekte niet alleen, maar ook van de kleding, voeding en behandeling der gezonden, en wel bepaaldelijk der zieke kinderen, de geneeskundige hulp, enz enz, om daar van onverwijld een gemotiveerd rapport aan hem Gouverneur in te zenden;

en dat genoemde Heer van der Sluis mij verklaard heeft, de aard der ziekte niet het minste aanstekelijk of gevaarlijk voor anderen te zijn,

als mede dat de behandeling derzelve, zoo min als de voeding enz der gezonde kinderen niets te wenschen overlaat;

Ik heb ZWEd verzogt de goedheid te hebben mij dit in geschrift te geven, het geen aangenomen of beloofd is. Na den ontvangs van dit stuk zal ik de eer hebben dit ter kennis van de Perm. Komm. te brengen.

Afgescheiden van dit onderzoek, den aard der omstandigheden waaraan hetzelve moet worden toegeschreven en de gevolgen die het hebben kan, is het ongelukkig al te waar, dat de sterfte in het 3de Etablissement vooral in de afgelopen maand buitengewoon groot was – ik meen 37 personen – en wij dus niet genoegzaam kunnen voortgaan met het nemen van zodanige maatregelen, als maar eenigzints denkbaar zijn dat van nut kunnen weezen en binnen ons berijk vallen;

hiertoe behoord dan op nieuw het aanbrengen van ventilaters, het aftappen van het water om het gestigt, de matrassen in de hangmatten, en tot nu toe het koken van het drinkwater, dat wij gaarne door het van de Perm. Komm. voorgestelde zuiverings werktuig zullen vervangen zien.

Door deze middelen en het verder aanwenden van alles wat de kunst vermag, meend de Heer Sassen zich te mogen vleijen van het kwaad te boven te zullen komen; het laatste sterfgeval heeft plaats gehad op zaturdag 29 Nov.

Nog een opmerking moet ik hier bij voegen, namentlijk deze dat van de 37 kinderen in november overleden 36 zijn welke in dit jaar zijn aangekomen, en dat van de laatst aangekomen aan het 1e gesticht geene zijn overleden, maar daar en tegen aan dat Etabl. thans eene gezondheid, bijna zonder eenige uitzondering bestaat; en dat niettegenstaand deze gunstige zijde van het 1ste boven het 3e gestigt de kinderen gaarne naar het laatste willen overgaan, zeker uit overtuiging van de niet min goede behandeling welke zij daar ondervinden.

Ook aan het 2de Etablissement is de staat der gezondheid voldoende, overigens was het aan de 3 gestigten als naar gewoonte.

Op het land was de Heer Poelman de Heer Drijber vooruitgegaan, de eerste heeft 100, de twede slegts 80 morgen rogge gezaaid, die voor zoo verre zij eenige tijd in de grond geweest zijn allen zeer goed staan – beide de heeren zetten den arbeid met de meesten ijver voort.