Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





De crisis rond de gezondheid in het derde gesticht Veenhuizen in 1829


Op 17 december 1828 reageert de permanente commissie op het door het ministerie van Binnenlandse Zaken doorgestuurde rapport van Tonckens van 30 november 1828 (zie hier). Blijkbaar zat daar ook een brief bij van de gouverneur van Drenthe. De permanente commissie loopt de sterfte in het gesticht van 1825 tot 1828 na en meldt welke maatregelen er al genomen zijn en nog overwogen worden. De brief bevindt zich in invnr 363.


Rapport op den brief van den Gouverneur van Drenthe, over de grootere sterfte in het 3e Gesticht, gedurende Nov. JL.

De Permanente Komm. haast zich te voldoen aan UwHEG apost dispositie van den 11 dezer maand N. 35, den 13 bij haar ontvangen.

Zij heeft niet dan met verwondering kunnen zien, dat de Gouverneur van Drenthe bevreemd was van zijnen ambtgenoot uit Vriesland kennis te ontvangen van het bestaan eener ziekte in de gestichten van de Maatschappij van Weldadigheid, in de gemeente Norgh, waarvan ZHEG geene kennisgeving onmiddellijk van wege de koloniale Directie had ontvangen.

Eene bepaalde kennisgeving van eene bestaande ziekte is immers alleen voorgeschreven voor het geval dat die ziekte aanstekend of besmettelijk is, en de mededeelingen van den Heer Gouverneur en van den Burgemeester van Norgh zelve doen zien, dat er zoodanige ziekte niet bestaat.

Van de sterfgevallen, welke in de gemelde gestichten plaats vinden, geschiedt, blijkens het berigt van gem. Burgemeester, eene naauwkeurige en behoorlijke aangifte bij den Burgerlijken Stand dier gemeente en, indien die sterfgevallen, het zij in het algemeen, het zij in eenig Gesticht in het bijzonder, eene bijzondere aandacht verwekten, zoude het, - indien de P.K. zich niet bedriegt, die Burgemeester zijn geweest, welke op de oorzaak dier sterfte informatien had kunnen innemen, of, indien hij vermeend had, dat dit behoorde, daarvan kennis had moeten geven aan den Heer Gouverneur, even gelijk hij dit gedaan zou hebben, indien het zelfde geval met andere inwoners zijner gemeente had plaats gevonden.


De P.K. heeft voorts de sterfgevallen in de koloniale Gestichten en de ziekten, welke in dezelve ontstonden nimmer verbloemd.

Niet alleen getuigt daarvan de aangifte bij den Burgerlijken Stand; maar zij heeft steeds maandelijks in de Vriend des Vaderlands, en vroeger in de Star, alle ontstaande ziekten vermeld en de sterfgevallen, gestichtswijze, en zelfs nominatief, opgegeven, gelijk ook dezelve bij de maandelijksche mutatien aan UwHEG kenbaar gemaakt zijn.


Wat nu het daadzakelijke dier sterfgevallen betreft, zoo is het niet te ontkennen en is het zoo wel aan UwHEGs voorganger als aan UwHEG zelve bekend, dat de sterfte in de twee Gestichten van weezen te Veenhuizen volstrekt niet gelijk staat en in het 3e oneindig veel grooter is dan in het 1ste .

Toen het 3e Gesticht in het najaar van 1825 successivelijk bevolkt werd, was de gezondheid van de aldaar geplaatste ruim 500 weezen gedurende dien ganschen winter en de daarop volgenden zomer van het jaar 1826, volkomen goed en de sterfte aldaar, even als in het 1e, buiten gewoon gering.

Eerst in September en October van het jaar 1826 en niettegenstaande kleeding, voeding en ligging volkomen dezelfde gebleven waren, klom de sterfte in het 3e Gesticht. Zij bereikte in November, toen de bevolking aldaar nog ongeveer 500 groot was, het getal van 32 en nam vervolgens, in de maanden van December en in den aanvang van 1827 wederom af.

De Perm. Komm. vestigde hierop dadelijk hare aandacht en won de berigten, tot in de geringste omstandigheden, in.
De bekwame Heelmeester Smit, aan wien de geneeskundige dienst der gestichten te Veenhuizen was toevertrouwd, onderzocht, even als andere daartoe door ons uitgenoodigde deskundigen, alle bijzondere plaatselijke omstandigheden, doch, gelijk wij reeds in het aan UwHEG in der tijd medegedeeld verslag van den 20 September 1827 hebben vermeld, heeft dat onderzoek hoegenaamd geen voldoende zelfs geen waarschijnlijke oorzaak dier meerdere sterfte doen kennen.

Intusschen verzuimde de P.K. geenszins, om, door het aanwenden van alles, wat ten aanzien van voedsel, ligging, water, als ander zins, maar door eenen of anderen deskundigen wierd opgegeven nuttig te kunnen zijn, den verderen voortgang dier meerdere sterfte te keer te gaan, en de uitkomst scheen hare pogingen en die van den Geneesheer te bekroonen, daar de sterfte ofschoon dan hare oorzaak even als die van hare toeneming onbekend bleef, van maand tot maand verminderde en in den zomer tot het gewone getal daalde.

In den nazomer van 1827 nam de sterfte wederom eenigzins toe, zonder dat de omstandigheden nader eenig licht over haar ontstaan verspreidden.

De Perm. Komm. bleef dan ook daarop onophoudelijk hare aandacht vestigen en toen de Heer F. J. Van Maanen, referendaris van de 1e klasse, voor de zaken der geneeskunde bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken, zich als lid van de Komm. van Toevoorzigt, in de maand October te Veenhuizen bevond, verzocht het aldaar aanwezige Lid van de Perm. Komm, het welk reeds door verplaatsingen naar het 1e Gesticht, als anderszins, nieuwe proeven tot stuiting van het kwaad genomen had, opnieuw dien Heer zijne aandacht daarop geheel te willen bepalen.

Het blijkt, intusschen, uit het verslag van gem. Heer, het welk mede aan UwHEG is medegedeeld en opgenomen in N XI van de V. des V. 1827, dat ZE erkende, dat de P.K. alles had aangewend, om de oorzaken op te sporen, de middelen tot herstel aan te wenden; dat ZE niets had aan te merken op voeding, kleeding, ligging als anderzins en, ofschoon met inlichtingen en raadgevingen volijverig hebbende bijgestaan, mede geen bepaalde oorzaken wist aan te wijzen; terwijl ZE, voorts, van zijne ambtsbetrekking gebruik makende, blijkens dat verslag, de aandacht van den voorzitter der Geneeskundige Komm. in Drenthe met welke hij deswege in mond gesprek getreden was, op dat onderwerp heeft bepaald en denzelven verzocht den bekwamen en ijverigen Smit met zijne raadgevingen en medewerking bij te staan.

De sterfte, in de maand October zeer gering zijnde, klom in de volgende maanden November, December en in Januarij 1828 wederom aanmerkelijk, terwijl zij in Februarij en Maart weder afnam.

In de maand April deed de P.K. bij eene inspectie in de KoloniŽn, al de zwakke kinderen uit het 3e Gesticht in het 1e overgaan en kort daarop hield de sterfte in het 3e Gesticht geheel op, welke gunstige toestand voortduurde tot in de maand Aug., wanneer de sterfte wederom aanvang nam en in de navolgende maanden September, Oct en Nov tot de aan UwHEG bekende hoogte klom; terwijl dezelve in deze loopende maand, immers tot nu toe, wederom aanmerkelijk verminderd is.

Dit is de loop van de sterfte in het bedoelde Gesticht geweest.-

Alle de onderzoekingen tot het ontdekken van de bepaalde oorzaken door de P.K., door den Heer Referendaris Van Maanen, door den Geneesheer met de dienst te Veenhuizen belast, door de Geneeskundigen uit andere Gestichten en door verschillende andere Geneeskundigen zijn steeds vruchteloos gebleven, terwijl de aard van de ziekte, bij elke vermeerdering van sterfgevallen, immer dezelfde is geweest.

De Heer Smit, in het voorjaar van 1828, ten gevolge eener andere betrekking, de dienst der Maatschappij verlaten hebbende, is vervangen geworden door den platten lands Heelmeester Limes, aan wien al wederom dadelijk de meeste zorg en het naauwkeurigst onderzoek omtrent het 3 Gesticht is aanbevolen, en toen ZE in Aug JL. te kennen gaf zijn ontslag te verlangen, heeft de P.K., juist uithoofde van de telkens herhaalde meerdere sterfte in het 3 Gesticht, en de onzekerheid van derzelver oorzaken, bepaaldelijk verlangt eenen gepromoveerden Medicinae Doctor in de Gestichten te plaatsen en tot dat einde het traktement met f 250.- vermeerderd, tengevolge waarvan de Heer H. F. A. Sassen dan ook sedert 1e November JL. de geneeskundige dienst aldaar waarneemt.

Uit hoofde van de vooronderstelling, dat de aankomende kinderen het meest vatbaar voor de ziekte zouden kunnen zijn, is reeds in de maand September, vůůr de aankomst van den Heer Sassen, besloten de nieuw aangekomene kinderen allen in het 1e Gesticht te doen opnemen.

Eindelijk moet de Perm. Komm. hier nog bijvoegen, dat alles wat van eenigen invloed kon zijn, gelijk kleeding, ligging, voedsel, water, als ander zins, ook in dit jaar herhaaldelijk is onderzocht geworden, zonder eenig bepaald gevolg op te leveren en dat, gelijk de Heer Referendaris van Maanen dit reeds in het bovengemeld verslag opmerkt, aan den Geneesheer steeds de meeste ruimte is gelaten, tot het toedienen van buitengewoon voedsel en allerlei verkwikkingen.

De Heer Sassen werd ook dadelijk op deze zoo belangrijke aangelegenheid aandachtig gemaakt en, na vier weken in de koloniŽn te zijn geweest, deelde ZE aan de P. Komm. zijne meening daaromtrent mede, waarbij hij de oorzaak gedeeltelijk meende te moeten vinden in den hoogen stand van het water buiten het Gesticht en de hoogte van den grond binnen hetzelve; terwijl hij tevens het aanbrengen van ventilators in de zalen en eene meerdere opvulling van de matrassen in de hangmatten nuttig oordeelde; nog van mening zijnde, dat ook het water niet dan gekookt behoorde te worden gebruikt en het vermeerderen van het gebruik van rogge-pap dienstig konde zijn, terwijl hij de overige mogelijke oorzaken beschouwde buiten het menschelijk bereik.

Ofschoon sommige dier aanmerkingen in liepen tegen het vroeger, na behoorlijk onderzoek geuite gevoelen van andere geneeskundigen, gedeeltelijk ook moeijelijk in overeenstemming te brengen waren met de volmaakte gezondheid van de kinderen in het 1e gesticht bij eene volmaakte gelijke behandeling, - b.v. ten aanzien van de luchtigheid der zalen, in de zamenstelling der hangmatten; -

heeft de P.K. echter, om toch alles te beproeven, dadelijk voorgeschreven al de gem. middelen aan te wenden en zelfs is zij op dit oogenblik werkzaam om de noodige machines in gereedheid te doen brengen, ten einde het water van het 3 Gesticht (ofschoon hetzelve bij het onderzoek door de H H Van Maanen alhier, Stipriaan Luiscius(??) te Delft en Nieuwenhuijzen te Amsterdam, bevonden is geen schaadelijke deelen te bevatten en gelijk te zijn aan dat van het 1e Gesticht, alwaar hetzelve zonder eenig nadeelig gevolg gebruikt wordt) te doen filtreren, wijl de Heer Sassen dit voor nog verkieslijker houdt.

Zie daar Hoog EdGestr Heer! de daadzaken en de verrigtingen, welke de P.K. meent tot een volledig berigt dezer zaak aan UwHEG te moeten mededeelen.

Zij zoude dan ook hiermede haren taak volbragt kunnen achten, in afwachting van het berigt van den President van de Geneeskundige Komm. in Drenthe, het welk de Heer Gouverneur inwachtende was: en waarin zij te meer belang stelt, gelijk zij hiervoren opmerkte, de Heer Van Maanen ingevolge de met hem gemaakte afspraak ZE reeds in het najaar van 1827 daarover onderhield en zijne voortdurende aandacht inriep.

Het berigt van den Burgemeester van Norgh, aangaande deze zaak aan den Heer Gouverneur gezonden, echter, noopt haar eenige aanmerkingen daar omtrent hier nog bij te voegen.

De Heer Burgemeester toch, doet het voorkomen als of de kinderen slecht voedsel zouden genieten, en bepaaldelijk in het zoo genoemd aardappelbrood de oorzaak van de sterfte zoude gelegen zijn.
Ja zelfs wordt in dat berigt de uitdrukking gevonden: ďdat ZE de hoop voedt, dat de Heer Sassen van de P.K. zal weten te verkrijgen, dat de weezen en ook de Bedelaars met meer gezond en voor den mensch geschikt voedsel worden gevoedĒ. -

UwHEG gevoelt hoezeer deze uitdrukkingen de P.K. moeten grieven en dat zij er te meer gevoelig over moet zijn, wijl zij voor haar zelve de overtuiging heeft, dat dezelve volkomen met de waarheid strijdt.

Het is hier de plaats niet om te treden in al de bijzonderheden van de voeding, welke nog onlangs in de mede aan UwHEG medegedeelde Beantwoording der P.K. van de vlugtige waarnemingen volledig zijn uit een gezet; maar zeker is het, dat de voeding in het 3e gesticht volkomen gelijk staat en zelfs, in sommige opzigten, juist uit hoofde van de herhaalde sterfte, nog beter is dan in het 1e Gesticht;- dat hetzelfde brood in beide gegeten wordt, en dat in het 1e Gesticht noch van het een, noch van het ander, eenig nadeelig gevolg wordt ondervonden.-

Zeker is het, dat de voeding bij elke gelegenheid door deskundigen even als door andere bezoekers is onderzocht en goedgekeurd; -

dat dezelve, en bepaaldelijk het zoogenoemd aardappelbrood, ook het onderwerp is geweest van het onderzoek van den Heer Van Maanen, van andere geneeskundigen en leden van de Komm. van Toevoorzigt, en ook nog dit jaar in het bijzonder van UwHEGs voorganger, en dat zoo wel voedsel als brood steeds de algemeene goedkeuring heeft weggedragen en aan dit brood, waarvan de zamenstelling mede in de bovengemelde Beantwoording is opgegeven, geen  de minste schadelijke eigenschap is geoordeeld geworden, te kunnen worden toegeschreven.-

Zeker is het dat ook de Heer Sassen, bij zijne zoo naauwkeurig medegedeelde aanmerkingen, geene bedenkingen hoegenaamd, omtrent voedsel in het algemeen of brood in het bijzonder, heeft gemaakt.

Ook op de Bedelaars, in het 2e Gesticht opgenomen, heeft deze scherpe aanmerking van den Heer Burgemeester betrekking, in weerwil dat in dit Gesticht geene met deszelfs bevolking onevenredige sterfte plaats heeft, daar toch het groot getal invaliden aldaar noodwendig meerdere sterfte moet veroorzaken en de Heer Burgemeester zelf zegt, dat ouderdom en verzwakking de oorzaken van het overlijden aldaar geweest zijn.

Ook omtrent de voeding en het brood aldaar zal de P.K. slechts opmerken, dat de voeding aan UwHEG bekend is; dat zij gelijk staat aan de bepalingen van het Besluit van 12 Oct 1825; dat de P.K. geen de minste zwarigheid zoude maken om bepaaldelijk de soep, bij dat Besluit vermeld, te doen verstrekken, dat aanvankelijk gedaan heeft, doch de Bedelaars zelven het tegenwoordige voedsel hebben verkozen, en dat, wat het brood betreft, hier wederom geldt het geen hier boven is aangemerkt; waarbij zij nog kan voegen, dat het niet alleen in al de Gestichten, en ook in de vrije koloniŽn, zonder eenig nadeelig gevolg en met smaak, wordt gebruikt; maar dat ook veteranen, - (en UwHEG weet hoe ongemakkelijk deze op dit punt zijn) hetzelve met de meeste tevredenheid gebruiken.

De P.K. kan het overigens niet ontveinzen, dat deze aanmerkingen van den Burgemeester haar nog sterker zoude getroffen hebben, indien zij UwHEG niet confidentieel konde mededeelen haar gevoelen dat welligt zijne beschouwing van het geen de Gestichten van de maatschappij betreft, onwillekeurig misschien, minder gunstig is geworden ten zake van zekere gevoeligheid over het niet tot stand komen van verlangde overeenkomsten met, en het niet erkennen van zekere gesustineerde regten door de Permanente Kommissie.

De Heer Burgemeester schijnt dan ook zijne klagte geenszins gegrond te hebben op een plaatselijk en behoorlijk onderzoek in eigen persoon, gelijk wij met alle redelijkheid en billijkheid hadden mogen verwachten; maar zich blootelijks op geruchten of andere ongegronde bewijzen te hebben verlaten.

Ten slotte zij het de P.K. geoorloofd hier nog bij te voegen dat, wanneer zij aan de H.H. Gouverneurs der ProvinciŽn waarin de koloniŽn gelegen zijn, verzocht heeft, onmiddellijk met haar te corresponderen of wel, aan de koloniale ambtenaren heeft voorgeschreven, om, bij het bekomen van aanvragen, dezelve naar ons te verwijzen, het doel hiervan nimmer geweest is, om de koloniale Etablissementen aan de provinciale administratie te onttrekken; maar enkel en alleen, om voor te komen, dat door de subalterne geŽmployeerden, die natuurlijk met vele omstandigheden niet kunnen bekend zijn, geene verkeerde, gebrekkige of ongepaste antwoorden zouden worden gegeven; om te zorgen, dat de P.K. met alles bekend bleef en om te vermeiden, dat door de mindere ambtenaren niet uit verschillende beginselen gehandeld wierd of ook daden wierden verrigt, waarop zij zich bij vervolg, genoodzaakt zoude kunnen zien te moeten terug komen; terwijl zij zich steeds beÔjverd heeft, om aan iedere aanvrage op de meest volledige wijze te voldoen.

De P.K. vertrouwt hier mede aan UwHEGs verlangen te hebben voldaan en zal het nader rapport van den voorzitter der Geneeskundige Kommissie van Drenthe inwachten.
De P.K. van W
Namens Dezelve

'V. des V.' is het maandblad van de Maatschappij Vriend des Vaderlands, zie hier. Met 'Vlugtige waarnemingen' wordt bedoeld een geschrift tegen de Maatschappij, waarop met een 'Beantwoording' is gereageerd. Even genoemd op pagina 248 van De proefkolonie en meer uitgebreid op pagina 147-148 van De kinderkolonie en pagina's 196-197 van De strafkolonie.

Het gedeelte waarin de motieven van burgemeester Tonckens van Norg 'confidentieel' in twijfel worden getrokken, gaat over een afspraak tussen Johannes van den Bosch en Tonckens uit 1823 dat Tonckens een financiŽle vergoeding zou krijgen voor elke door hem bemiddelde aankoop van grond in Veenhuizen, welke afspraak de Maatschappij daarna gemakshalve is vergeten. Tonckens komt daar in januari 1829 nog eens op terug.

Op 18 december 1828 reageert de permanente commissie op een volgende door de administrateur doorgestuurde missive van de gouverneur met daarbij een verslag van de voorzitter van de provinciale geneeskundige commissie. De pc is uiterst te spreken over dat verslag omdat de ziekte daarin niet wordt toegeschreven aan de verzorging van de kinderen.
Ze is ook heel blij dat de voorzitter 'zijne bijzondere aandacht' aan de kwestie gaat besteden en 'den Geneeskundige van de Gestichten zal bijstaan in het bedenken en beproeven van alles, wat ter eindelijke geheele overwinning van de meerdere sterfte in het 3 gesticht slechts dienstbaar kan geacht worden'.
En: 'Wij kunnen hier nog bijvoegen, dat, volgens de laatst ingekomen berigten, de ziekte inderdaad aan het afnemen is.'

Het ministerie van Binnenlandse Zaken reageert op de brieven van 17 en 18 december op 24 december 1828.