Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





24 december 1828: Om niets onbeproefd te laten wat slechts zou kunne strekken om bij te dragen tot stuiting van het kwaad


Het ministerie van Binnenlandse Zaken reageert op 24 december 1828 op de brieven van de permanente commissie van 17 en 18 december (zie hier). Duidelijk is dat die brieven niet goed gevallen zijn, het ministerie wijst de permanente commissie enkele malen terecht en maakt gewag van de 'allernadeeligste indruk' die het in Friesland gemaakt heeft dat 1/6de van de in oktober 1828 gezonden kinderen binnen twee maanden was overleden. De brief bevindt zich in invnr 95:


Ik heb de eer gehad te ontvangen UWEd: rapporten van den 17 en den 18 dezer N. 1260 en 1267 betreffende de, in het 3e Gesticht te Veenhuizen onstane buitengewone Ziekte en Sterfte.

Nader zijn bij mij ingekomen de beide hiernevens gevoegde rapporten en bijlagen van den Gouverneur van Drenthe; waaruit blijkt dat,
immers den 10e December de staat der ziekte over het algemeen nog niet gunstiger was, en
dat het voor noodzakelijk gehouden wordt, de vereischte maatregelen te nemen tot bevordering eener meer geregelde afwatering uit het gesticht en deszelfs binnenplaatsen, omtrent welk punt, (hetgeen in UwelEd rapporten nagenoeg onder stilzwijgen is voorbij gegaan) door den Hoofd Ingenieur van den water Staat van Drenthe in de bijgaande stukken voorstellen tot voorziening worden gedaan.

Ik verzoek UwelEd: daaromtrent dadelijk het vereischte onderzoek te doen bewerkstelligen, en mij vervolgens, onder spoedige mededeeling van hetgeen dientengevolge zal verrigt zijn of worden, en met terugzending des nevensgaande stukken een algemeen beknopt verslag te doen, van het geen er ten gevolge der onderhavige briefwisseling ten aanzien van ieder in consideratie gekomen punt, zal gedaan zijn, om zoo snel het mogelijk is, het kwaad te keer te gaan, gelijk mede van den Staat der Zaak op het oogenblik van dat verslag.

In UwelEd rapport van den 17 December wordt gezegd dat “uit hoofde van de veronderstelling dat de aankomende kinderen het meest vatbaar voor de ziekte zouden kunnen zijn, reeds in de maand September, naar de aankomst van den Heer Sassen, besloten is, de nieuw aangekomene kinderen allen in het eerste gesticht te doen opnemen;”

Uit de van den Gouverneur van Vriesland bij dit Departement ingekomen berigten blijkt intusschen dat er, van de, in de eerste dagen van October ll. uit die provincie naar Veenhuizen opgezonden 101 kinderen, op den 29 November reeds 16, dat is nagenoeg 1/6e overleden waren.

Hoezeer welligt op de aankomst derzelve UwelEd besluit in de Kolonie nog niet bekend was, zoo zal echter deze omstandigheid welke in Vriesland eener allernadeeligste indruk heeft verwekt, UwelEd overtuigen van welk eene gebiedende noodzakelijkheid het is dat de hand gehoude worde aan de opneming van alle nieuw aankomende kinderen in het eerste gesticht, waarvan dan ook dezerzijdsch aan gemelden gouverneur de verzekering is gegeven, gelijk mede om niets onbeproefd te laten wat slechts zou kunne strekken om bij te dragen tot stuiting van het kwaad.

Nog moet ik UwelEd met betrekking tot de inleiding van uw rapport van den 17 December ll. tot derzelver rigtsnoer voor het vervolg opmerken, dat de bepaling omtrent het geven van berigten bij het ontstaan van aanstekende of besmettelijke ziekten, volgens Zijner Majesteits besluit den 22 Augustus 1827 (Staats blad N. 38) ook op alle heerschende ziekten toepasselijk zijn, waaronder de onderhavige wel kan gezegd worden te behooren.

De Administrateur voor de gevangenissen en het Armwezen

Voordat de permanente commissie hierop kan reageren is Binnenlandse Zaken er weer met een brief op 27 december 1828.