Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





10, 19 en 24 januari 1829: De directeur reageert op de voorstellen van Waterstaat voor een betere waterbeheersing

De 'fungerende HoofdIngenieur van den Waterstaat' in Drenthe heeft voorstellen gedaan voor een betere waterbeheersing rond het derde gesticht, De permanente commissie heeft daar een eerste reactie op gegeven en op 10 januari 1829 komt de directeur met zijn visie. Alles op deze pagina is uit invnr 95:


Frederiksoord, 10 Januarij 1829.

In antwoord op de missive der Permanente Kommissie dd. 30 december N1304 betrekkelijk de afwatering en waterlossing om en nabij het 3e Gesticht Veenhuizen, heb ik de eer te berigten dat die afwatering naar onze wijze van zien, veel doelmatiger was bewerkstelligt, dan zulks volgens het plan van den Ingenieur van de Waterstaat zoude kunnen geschieden, en wel door het leggen van dammen in het Kanaal bij A en B, en eene doorsnijding bij C waardoor het water uit de vaart om het gebouw langs de bestaande grep tot op gelijke laagte als het water agter de overval, dat is op 3, 4, vijf of zes voeten beneden de vloeren in de zalen kan worden afgetapt, hetgeen naar het plan van den Ingenieur eene onmoogelijkheid bleef.

Overigens vind ik het vreemd te veronderstellen dat de grondpomp, die bij B ligt, daar niet zijn zoude, het is niettemin waar dat die zich daar bevind in het water doorlaat niet alleen uit de greppen in en om het gebouw, maar ook van den wel twee voet lager gelegen tuin voor hetzelve.

Verder valt het in het oog dat de duikers op de hoeken van het gebouw geproponeerd, aldaar van geen het minste nut kunnen zijn ter doorspoeling van het water binnen het gebouw, maar dat juist die pomp welke zich onder de achterpoort bevind tot dat einde dienstbaar was; deeze diende namentlijk om het hoger water in te laten en die welke onder de voorpoort is gelegd, hetzelve weder uit te laten, en dan langs de grep voor de voorflank des gebouw tot bij de meergenoemde grondpomp bij B te brengen, en vervolgens langs de overzijde der vaart achter de overval.

Dat de greppen welke als waterleidingen moeten dienen in eenen tot dat einde bruikbarer staat behoren te zijn, spreekt van zelve, ook is het voorstel om het zwarte veenachtige zand weg te neemen en daarvoor grof wit zand in de plaats te brengen, alleen om de bijna onuitvoerbaarheid daar ter plaatse, af te keuren: kunnen de doelmatigheid en wegens de veiligheid om het gebouw, bijna noodzakelijkheid, hiervan niet worden ontkend - de figuratieve kaart gaat hiernevens terug.

Zoals de directeur het voor zich ziet wordt het uitgevoerd. Op 19 januari 1829 rapporteert hij:

Ook is mij wel geworden die van den volgende dag N51, in antwoord op deeze heb ik de eer te melden dat, naar mijne aanwijzing de beide dammen in de gragt ter Veenh. 3e Etab. gelegd zijn, en de doorsnijding in de buitenwal gemaakt, zoo dat het water uit het gedeelte om het gebouw gaande, geheel kan worden afgetapt, en tijdens mijn laatste verblijf aldaar zeeker reeds eenen elle gedaald was, & dus het naastbijzijnde water tenminste 4 Rijnl. vt. beneden de vloer der zalen stond.

Ginr het eerder al over wit zand en de moeilijkheid dat hier te krijgen, op 24 januari 1829 komt de directeur daar op terug:


Dat de moeijelijkheid of bijna onuitvoerbaarheid om grof wit zand om en in het 3e Gesticht Veenh. te brengen, naar mijn inzien bestaat, in de groote hoeveelheid benodigd, en den afstand van waar hetzelve moet worden gehaald; daar toch het zand onmiddellijk op het zogenaamde zwart of ongeschikt land, op de plaats zelve, volgende is, leemachtig en dus tot nog meerder morigheid zoude aanleiding geeven: intusschen is het mogelijk dat ik mij vergis, en er zoude dus in het aanstaande gunstige saisoen, hieromtrent eene proeve te nemen zijn, tenminste indien de grep en het schuins afgraven van het terrein enz. door mij bevolen, niet aan de verwagting mogt beantwoorden.