Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





27 januari 1829: De directeur stuurt een rapport van adjunct-directeur Drijber en een brief van dokter Sasse

Op 27 januari 1829 stuurt de directeur der koloniën met zijn brief met nummer N57A twee rapporten naar de permanente commissie. Alles invnr 95. In zijn begeleidende briefje meldt de directeur een dreigend tekort aan droge turf:


De Perm. Komm. heb ik de eer bij deeze te doen toekomen extract uit eenen brief van den Heer Adj. Direkt. Drijber, een in originali des heer Sassen, en een ziekenrapport uit het 3e Gesticht Veenhuizen; terwijl volgens bekomen berigt van de Heeren de Geus en Poelman den kinderen in hunner onderhebbende Etablissementen gedurende de strenge vorst in de voorgaande week, niets heeft ontbroken en behoorlijk verwarmd zijn geweest.

Intusschen zijn wij gelukkig dat die koude voorbij is, daar men - zonderling genoeg - gebrek aan droge turf te Veenhuizen begon tegemoet te zien; zoo dra ik hiervan geinformeerd wierdt, zond ik per expresse berigt dat men geen moeite nog kosten moest ontzien om door aankoop van droge turf te Haule of Smilde, gebrek daar aan voortekomen, met herhaling van vroegere orders van toch niets te verzuimen wat strekken kon om in deeze dagen de bewoners van de Etablissementen voor gebrek van eenige aard te behoeden.

Het eerste meegezonden stuk komt van de adjunct-directeur van het tweede of bedelaarsgesticht Sikke Berends Drijber. Alles wordt gedaan om iedereen in het gesticht warm te houden, maar hij klaagt over de publieke opinie en Tonking (hij bedoelt Tonckens):


Veenhuizen 25 Januarij 1829

Uit UWelEDG Missive mij door Jan Jansen geworden: ben ik overtuigd dat door de strenge ingevallen vorst, de noodzakelijkheid van bijzondere aanwendingen der middelen tot verwarreming en voorziening in de daartoe noodwendige behoeften wel in één punt ter UWEDG overweging is gebragt,
en waarom ik bij deesen met genoegen UWelEDG kan kennis geven, dat wij door onophoudelijk hier toe aangewende pogingen, ons gewenschte doel gunstig bereiken, zodanig dat geen enkele Kolonist is uitgesloten, of zij leggen de sterkste dankbetuiging aan den dag, voor de verkwikkende hulp die men inzonderheid nu aan hen betoond, zoo wel ter verschaffing van doelmatige verwarremende middag spijzen, en de gedurige toediening van warm drinken, als ter verzorging voor eene genoegzame en meer dan gewone verwarremende zaal,
daarbij geeft men uit de Bakkerij tegen het vallen van den avond hoofdzakelijk aan de zwakke vrouwen ieder één kool vuur in de stoof en alzo goed verwarremend, en bijzonder verkwikt gaan zij in hunne hangmatten ter rust, terwijl men insgelijks aan de Invalide mannen, en alle overigen, op de doelmatigsten wijze hen in hunne behoeften volledig voorziet,
dan niettegenstaande alle deze aangewende pogingen en heilzame strekkingen: heeft de publieke wereld dit anders verondersteld, en mogelijk gevleid(?) dat het oogenblik nu geboren was, waarin de goede naam der Maatschappij zoude kunnen worden ondermeind.-

Uit een bezoek ons gisteren door de Heer Tonking aangedaan moet ik hier van de overtuigendste blijken veronderstellen; deeze dan kwam gisteren zich bij mij aandienen met oogmerk om te onderzoeken in hoe verre de gerugte gegrond of ongegrond waren, die men elders ten lasten der Gestigten had uitgestrooid,
dan verbleidend overtuigd zijnde, dat niet de minste aanmerkingen konden worden gemaakt, dat na de geringste behoefte zweefde; geleide ik hem door alle de zalen, liet hem door de Kolonisten zelve overtuigen dat zij het zeer goed hadden, en deed hem op de spijzen, zo wel als op de warme kagchels opmerkzaam zijn, waardoor hij eindelijk zelven moest bekennen, dat alles in order was; en in alle mogelijke noden volledig was voorzien:
uit dit één en ander, en uit het ongegronde reflectie maken op de kagchels, dat die wat groter in omvang zoude kunnen zijn, vergelijk ik dezelfde bezwaren mij wel eens meer door de Heer Heerspink gemaakt, en alles overwogen hebbende, zoude ik mij bijkans overtuigd kunnen houden, dat het onder onze eigene Ambtenaren schuilt(?) die deze verkeerde zaden onder onze weldadige inrigtingen zoeken te strooijen.-
waarom enz.   

UEDGetsr DVD
(get) S. B. Drijber

Het tweede meegezonden stuk is van de arts van Veenhuizen Sasse (door de directeur altijd Sassen genoemd). Dokter Sasse is uiterst optimistisch en zegt wat iedereen wil horen: 'De Epidemie als zoodanig is geheel en al opgehouden in het derde gesticht.'


Veenhuizen den 25 Jan 1829

WelEdele Gestrenge Heer

Gebrek aan tijd heeft mij tot dus ver verhinderd mijne belofte te voldoen en dan ook kan ik UEd slechts een kort verslag geven van den toestand der bevolking, terwijl ik de wijze van het ontstaan der ziekten waarschijnlijk aanstaande Donderdag zal zenden en dezelve zoo inrichten dat dezelve geschikt wordt om geplaatst te worden in het maandwerk der Maatschappij.

De Epidemie als zoodanig is geheel en al opgehouden in het derde gesticht, het getal der in de vorige week gestorvenen bedraagt wel is waar 6, maar door buitengewone omstandigheden daar in de voorafgegane week slechts 2 gestorven waren. Dit meerder getal is het gevolg van eenige reeds eenigen tijd sukkelende lijders wier levensdraad nu was afgeloopen geheel onafhanglijk dus van de gewone sterfte.

Verre weg het grootste getal lijders in het 1ste en 3de gesticht in de zieke zalen aanwezig bepaalt zich tot ziekten uit den indruk der strenge zoms vochtige koude en scherpe lucht; dikke opgezwollen voeten en beenen verkoudheid en ziekten, hier en daar een soort van kinkhoest, koortsen van verschillenden aard, borstziekten, scheurbuik en zoms een kwaadaardige meest dodelijke waterkanker die aan de onderlip zich uitbreid en in weinige dagen de geheele wang wegvreet, een pestachtige lucht ontwikkelt zich uit de zweer in den omtrek des lijders en als een rottend lijk met tot den dood toe aanhoudende eetlust sterft de zieke.

Door de zorgvuldigheid waarmede terstond door de Heeren Direct. in de ziekezalen voornaamlijk gezorgd is voor behoorlijke verwarming zullen de thans bestaande ziekten, naar ik vertrouw voorspoedig hersteld worden. Aan het tweede gesticht is weinig roem te behalen, daar zelfs bij de meeste zorg de oude afgeleefde, uitgemergelde verzwakte bewoners even als een licht bij gebrek aan olie afsterven.

Met de vroedvrouw heb ik onlangs gesproken en haar UEd toezegging bekend gemaakt, hoewel niet geheel tevreden, scheen zij toch bij nadere verklaring met het aanbod tevreden te zijn, naderhand is een mijner voorgangers de Heer Smit aan de gestichten geweest en heeft haar overgehaald om met April haar ontslag te vragen, met belofte haar als dan een geschikte plaats te bezorgen, sedert dien tijd dat is nu twee week geleden heb ik er verder niets van gehoord, hoop dus dat de vrouw zich bedacht heeft, daar wij hier bezwaarlijk zulk eene geschikte vrouw weer krijgen zouden.

Mij en mijne echtgenoote in UEds vriendschap aanbevolen hebbende, noem ik mij met de meeste hoogachting

WelEd Gestr Heer
UwelEd Dnr D. H. F. A. Sasse

De permanente commissie noteert op de brief dat zij hierover schrijft aan het ministerie van Binnenlandse Zaken op 16 februari 1829, brief nummer N160.