Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





17 februari 1829: Binnenlandse Zaken dringt weer aan en meldt verontrusting in Zeeland


Het ministerie van Binnenlandse Zaken dringt 17 februari 1829 (alweer) aan. Ze meldt dat niet alleen het eerder al genoemde Friesland, zie hier, maar ook de provincie Zeeland uitermate verontrust is. Invnr 95:


ís Gravenhage den 17 Februarij 1829

Ik geef mij de eer, bij deze aan UwelEd: te doen geworden de nader bij mij, van den Heer Staatsraad gouverneur der Provincie Drenthe ontvangen verslagen wegens den staat der ziekte in de Koloniale gestichten te Veenhuizen van den 3e tot en met den 31 der afgeloopene maand, begeleid van eenen brief van den Burgemeester der Gemeente Norgh.

Met leedwezen heb ik uit die stukken ontwaard dat het getal der zieken, vooral in het derde gesticht, nog steeds toeneemt.

Ik zal de bijgaande stukken van UWelEd: terug verwachten, vergezeld van Uw berigt, consideratien en advies, speciaal over den inhoud van den brief van den Burgemeester van Norgh, waarin eenige daadzaken door hem in persoon erkend, vermeld zijn, welke, indien dezelve juist bevonden worden, een gebrek aan voorziening zouden aan den dag leggen, het geen des te meer te bejammeren zou zijn, daar de schadelijke uitwerkselen van hetzelve, door de geheerscht hebbende strengheid van het jaargetijde, nog verergerd hebben moeten zijn.

Een bij mij, dezer dagen, van den Heer Gouverneur der Provincie Zeeland ontvangen brief, heeft mij op nieuw de overtuiging verschaft, hoe nadeelig de indruk is, welke de groote sterfte onder de in het najaar opgezondene kinderen heeft verwekt, alzoo volgens dat berigt van de 34 kinderen die, in October ll., uit die Provincie zijn opgezonden, er 9 in de maanden November en December, zijn overleden.

Ik heb zijn HoogEdelGestr: van de reeds genomene maatregelen kennis gegeven.

Intusschen maakt de voortduring van het kwaad, ondanks die maatregelen het der Commissie ten duren pligt om de zaak in nadere rijpe overweging te nemen, terwijl toch, indien daarin geene spoedige verandering, ten goede, ontstaat, geheel buitengewone maatregelen in het werk gesteld schijnen te zullen moeten worden.

Ik zal UwelEd: antwoord op deze, zoodra mogelijk te gemoet zien.

De Administrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen

De permanente commissie reageert op deze brief op 2 maart 1829.