Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





28 maart 1829: Dokter Van der Sluis over de (moeizame) samenwerking met dokter Sasse


De voorzitter van de provinciale geneeskundige commissie in Drenthe Van der Sluis reageert 28 maart 1829 op de eerdere verklaring van dokter Sasse. Er blijkt veel meer frictie tussen de beide artsen te zijn dan Sasse suggereert. Van der Sluis veroorlooft zich zelfs een sneer over 'de geringe ondervinding' die Sasse 'in de weinige jaren praktijks nog kan gehad hebben'. Invnr 96:


Assen, den 28 Maart 1829

Na UHEG bij mijnen brief van 19 Januarij ll. te hebben geinformeerd, dat de Med. Dr. Sasse te Veenhuijzen, ter gelegenheid van het bezoek den 16 dier maand, bij de zieken in het derde Etablissement der Maatschappij van Weldadigheid, aldaar afgelegd, geweigerd had, mij opening te geven, van de behandeling der lijders sedert mijn laatst vorig bezoek, waarbij ik UHEdGestr tevens verzogt, denzelven te willen noodzaken, mij deswegens als nog schriftelijke opgave te doen, heb ik gemeend, mij die zaak, in afwachting van UHEdGestr antwoord, of andere aanleiding niet verder te kunnen aantrekken;

thans bij UHEdG. dispositie van 16 dezer N2 ontvangen hebbende brief van den Heer Administrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen, dato 7 te voren N30, benevens de brief van de Permanente Commissie van Weldadigheid en het rapport van den Med. Dr. Sasse, beide daarin vermeld om daarop, mijne bedenkingen, verlangen, of Consideratiën medetedeelen, vindt ik mij verpligt op de handelwijze van den Heer Sasse terugtekomen, en met terugzending der voorzeide stukken het volgende te rescriberen.

Het bevreemde mij zeer in het verslag van den Heer Sasse vermeld te zien, dat hij alles in overeenstemming met mij heeft behandeld, en tevens de middelen daarin gedeeltelijk anders te zien opgegeven, als die door ZWelEdelZeergel: zijn aangewend;

de aangewezene geneesmiddelen zijn echter meerendeels die, welke ik van meening was dat behoorden te worden toegediend, en ik vermoed dus uit het rapport, met genoegen, dat de Heer Sasse, zich eindelijk met mijn gevoelen heeft vereenigd.

Tijdens mijn eerste bezoek bij de lijders in het gemelde 3de Gesticht te Veenhuizen (1 December ll.) appliceerde de Heere Sasse in de dysenterie geene bloedzuigers, maar gaf inwendig de Calomel met Sulpher aur: art: ,- opceum & fl: arnica met ol: en uitwendig Frictiones ol: Aromaticae;

toen reeds, kwam het mij voor, dat er actieve inflammatie aanwezig was, en proponeerde huridines en in het algemeen eene antiphlogistische  kuur, zijnde ik, daar Dr Sasse zich destijdes met mijne denkwijze niet vereenigde, alleen door deszelfs verklaring dat Hij van de boven vermelde, tot dus verre aangewende middelen, de beste gevolgen ondervond, teruggehouden, dadelijk, op de naarkoming van mijn gevoelen aantedringen.

Bij mijn tweede bezoek (9 December 1828) vond ik den toestand der lijders niet gunstiger, en wierd het mij volkomen duidelijk dat de active inflammatie wel degelijk plaats had het geen ook daaruit bleek dat de eenigste patient waaraan de huredines waren geappliceerd, dadelijk vermindering van pijn, en in het algemeen beterschap ondervond;-

ik zogt den heer Sasse van de grondheid mijner meening te overtuigen en tot het opvolgen der reeds te voren door mij aangeprezen geneeswijze te bewegen, doch zonder vrucht, Zijn Edel Zeer geleerde bleef praetendeeren dat de inflammatie passel (?) was, en gaf mij te kennen dat alle de beste aucteuren ten dien aanzien in zijn voordeel spraken, hij hield het er voor, dat alleen bij dien lijder, aan welke hij de huridines had geappliceerd, de active inflammatie had plaats gevonden, en zoude indien Hem weer zoodanige lijders mogte voorkomen, van dat middel gebruik maken.

Volkomen overtuigd dat de antiplogistische kuur de eenigste was, welke de lijders konde doen genezen, was ik op middelen bedagt den Heer Sasse door overtuiging tot het bezigen derzelve te brengen; ik oordeelde het niet raadzaam UHEdG. dadelijk met ons verschil bekend te maken, vermits er geen tijd was, eene beslissing van hogerhand aftewachten, en ook zoodanig voorschrift waar door den Heer Sasse zich gekrenkt konde achten, eenen nadeeligen invloed op deszelfs belangstelling in de behandeling der lijders konde uitoefenen, en zeide daarom alleen in mijn rapport den 10 December 1828, aan UHEdG. uitgebragt dat ik den Heer Sasse mijn “gevoelen omtrent den Staat der Lijders en de verdere behandeling derzelve had opengelegd”;

Het zagtste middel om den Heer Sasse te overreden, kwam mij voor, eene beschrijving der ziekte en van wederzijdsche denkbeelden aan een of meer praktiseerende geneesheeren, van erkende bekwaamheden medetedeelen, en het gevoelen van dezen hetwelk ik overtuigd was, dat in mijn voordeel moest uitvallen, aan ZEdZeergel: medetedeelen;

mijne keuze viel tot dat einde op den Zeer ervaren Dr. Oudeman te Groningen, en het Lid der Provinciale Geneeskundige Commissie en Med: art: obst: & Chir: Dr. Amshoff te Dalen, beide legden mij hun gevoelen breedvoerig open, en stemden ten volle met mij in, dat er, bloed ontlasting moest plaats hebben, dat de huridines bij elke verheffing van pijn opnieuw moesten worden aangelegd;- dat de zoo verhittende Flor: Arnicae in het geheel niet te pas kwamen, en ook Calomel in initis morbi of wel het meest active tijd perk der ziekte schadelijk waren.

Na dat ik (15 December ll.) den Heer Sasse den brief van Dr. Oudman had laten lezen, en hij zich nog eenigen tijd tegen mijne stellingen had verzet verklaarde ik zijn Edel ZelGel. van zijne weigering aan UHEGestr. rapport te moeten doen ten gevolge waarvan dezelve mij beloofde, in die gevallen waar pijn aanwezig was, de bloedzuigers te zullen appliceeren, en daar zulks bij alle Lijders het geval was, mogt ik mij overtuigd houden dat dezelve in ruime mate zouden gebezigd worden, en daar de Heer Sasse mij toen ook verklaarde de flor arnicae niet meer te gebruiken vleijde ik mij, ons verschil zonder tusschenkomst van derden te zien gesleten.

Ik moet ontkennen met het gebruik van de Calomel (zoo als in het verslag van Dr. Sasse wordt gezegd) te hebben ingestemd, zelfs ben ik van meening geweest, dat dezelve op mijn verzoek niet meer wierd toegediend, in voegen uit mijn berigt van 23 December 1828 kan consteeren.

Op de verklaring in het verslag van Dr. Sasse, dat de heerschende ziekte in den beginne Dylsenteria Gastrica zoude geweest zijn, en dat die aandoeningen meestal, even als de febres gattricea eene verheffing tegen den avond zouden medebrengen moet ik aanmerken dat (hetgeen ten dezen wel is waar niets afdoet:) de verheffing tegen den avond geen diagnosticum is van de febres gastrica maar wel van de febres rheumatica en catarhales.

Ik heb de ziekte echter ook niet als dysenteria gastrica aangetroffen, dezelve was duidelijk uit gevatte koude ontstaan, en maakte dysenterie of catharrhas intettrorum welke ook wel degelijk met verheffing tegen den avond gepaard ging.

Het voorgeven van den Heer Sasse, dat het verschil tusschen ons zoude ontstaan zijn, uit een misverstand, door dien hij mij de behandeling van twee waterzuchtigen uit het 2e gesticht had opgegeven, komt mij zeer raadzelachtig voor, daar ik nimmer in dat gesticht kwam, of mij met de behandeling van de, in hetzelve aanwezige zieken bemoeijden, kan het niet te pas komen, dat mij deswegens eenig verslag wierd gedaan, het geen ook nimmer is geschiedt; tijdens ik het derde gesticht bezogt heeft de hydrops anasarca aanhoudend in hetzelve gegrasseert en heeft de Heer Sasse over de behandeling daarvan sprekende, toen wij beiden dezelve beschouwden uit gevatte koude te zijn ontstaan, altijd gezegd daarin Inf: Cort: perus; toetedienen terwijl ik herhaalde reizen heb aangeraden, liever diaphoretica als versterkende middelen te geven, waarmede Zijn Edelzeergel. Zich echter niet kon vereenigen.

Overigens zegt de Heer Sasse, dat hem mijn toezigt over de behandeling der zieken onaangenaam was, en behalven het voorgewende misverstand ook het gevoel van het  weinige vertrouwen hetwelk ik in Zijne behandeling scheen te stellen, eenige verwijdering had te weeg gebragt, en dergelijken meer.

Hoe wel ik volkomen met den Heer Sasse instem, dat in de behandeling van eene plaatselijke epidemie, de aldaar praktiseerende geneesheer de beste opening kan geven; en het zelfs daarvoor houd, dat een enkel consult in de meesten en vooral in koortsige ziekten, somtijds meer na dan voordeel voor de lijder aanbrengt, als mede, dat de waarnemende Geneesheer in alles moet voorlichten, zoude het mij echter in het geval van den Heer Sasse (vooral bij de geringe ondervinding welke Zijn Edel Zeergel: in de weinige jaren praktijks nog kan gehad hebben) bij de behandeling eener ziekte als die in het 3e Gesticht vergezeld van eene zoo enorme sterfte, als daarin de laatste maanden des vorigen jaars moet hebben plaats gehad;- steeds zeer aangenaam zijn geweest, daarover voortdurend met een Mijner kunst genoten te kunnen consulteeren.-

Ik heb opzettelijk bij mijn eerste bezoek, om de in voren staande periode en reeds vroeger gemelde redenen op geene verandering in de geneeswijze aangedrongen doch nu grondig onderzoek zoo omtrent den oorsprong en loop der ziekten, als het geen verder ter materie dienstig was, meende ik even goed als den Heer Sasse, met de ziekten bekend te zijn, en heb ZijnEdZeergel. dien aangaande steeds beleefdelijk mijne gedachten medegedeeld en denzelven zoo als uit mijne ter dier zake ingezondene rapporten en de tegenswoorde kan geblijken, op de zagtste wijze tot mijne denkbeelden zoeken te brengen, zoo als mogelijk, door veele mijner Ambtgenoten niet bij aanhoudenheid  met zoo veel geduld zoude zijn geschiedt.-

Om welke redenen den Heer Sasse, dus bij gelegenheid van mijn laatste bezoek te Veenhuizen den 16 Januarij ll. geweigerd heeft, mij opening van zaken te geven, verklaar ik niet te begrijpen, doch vermeen ik, als nog daarop te moeten aandringen, dat mij overeenkomstig het verzoek bij brief van 19 Januarij ll. gedaan de vereischte opgaven door den Heer Sasse, schriftelijk worden gesuppediteerd, vermits bij gebreke van in dezen te worden gehandhaafd, zoodanige weigeringen inkomstig ook door andere geneeskundigen zouden kunnen worden gedaan, waar door het niet der bepalingen van art: 41(?) en volgende van zijner Majesteits besluit dato 31 Meij 1818 (Staatsblad N. 25) meerdendeels zoude vervallen.-

Daar het mij uit de bovengemelde brieven is voorgekomen dat de Heer Administrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen, gelijk mede de Permanente Commissie van weldadigheid, schijnen te verlangen, dat ik bij voortduring de behandeling der bedoelde ziekten gadesla zal ik na ontvangst der verzochte opgave van Dr. Sasse, met genoegen die taak weder opvatten, en als te voren overeenkomstig UHEdG. Resolutie van 5 December 1828 N. 15 van tijd tot tijd, wegens mijne bevinding en verrigtingen verslag doen.

Het was mij bijzonder aangenaam uit de bovengemelde stukken te ontwaren, dat de sterfte binnen het 3e gesticht gedurende de maand februarij zeer gering is geweest, en  men dus hoopte de ziekten te hebben overwonnen, doch hoor ik thans tot mijn leedwezen dat dezelve in deze Maand weer aanmerkelijk waren toegenomen, en dat veele der lijders daaronder zijn bezweken.

De President der Provinciale Geneeskundige Commissie van onderzoek en toevoorzigt in Drenthe
(get:) J. A. Sluis

Voor Kopij Conform
Het Lid der Gedep. Staten, belast met de functien van Griffier
(get:) Vos

Voor Eensluidend afschrift
De Secretaris Generaal bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken

Calomel = kwikchloride
huridines zijn bloedzuigers
antiphlogistische is ontstekingsremmende
initis is ontsteking
morbi is ziekte
hydrops is oedeem
diaphoretica zijn zweetbevorderende middelen