Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





De directeur doet af en toe verslag en is op 24 en 25 april 1829 bij de inspectie door de drie presidenten


Op 2 april 1829 zendt de directeur 'de gewone Staat van sterfte enzovoort aan het 3e Etablissement te Veenhuizen van den 23 29 Maart'.

Op 9 april schrijft hij in een verslag dat elders op de site staat dat er zo'n honderd kinderen uit het eerste gesticht naar het derde zijn overgegaan, zodat er in het eerste plaats is voor nieuwkomers.

En dan gaat hij op vrijdag 24 en zaterdag 25 april naar Veenhuizen om de inspectie door de drie presidenten van de geneeskundige commissies van Groningen, Drenthe en Overijssel bij te wonen. Daarvan doet hij nog op 25 april 1829 verslag, invnr 96 scans 751-752:


Frederiksoord, den 25 April 1829.

Naar aanleiding van de missive van de Permanente Kommissie dd. 12 dezer no.307 en 15 daaraanvolgend no. 320 heb ik mij dezer dagen naar Veenhuizen begeven ter bijwoning van het bewuste consult aldaar, en heb de eer haar bij dezen mijnen opmerkingen mede te deelen, welke hoofdzakelijk hierop neder komen,

dat geen ligt over de bestaande oorzaken der ziekten in het 3e Etablissement is opgegaan, immers heeft men mij geene anderen aanmerkingen gemaakt op het gebouw, de voeding, kleeding, ligging, geneeskundige behandeling enzovoorts dan dat de binnenplaats naar het oordeel der H.H. Presidenten te hoog is, en enkelde kleine hoogten die buiten het gebouw nog zijn overgebleven konden worden weggenomen, terwijl de Heer professor Strating als ook Dr. Ramaer het aardappelbrood voor ongezond hielden, immers voor de zoodanige die daaraan niet gewoon zijn.

Op de geneeswijze der Dr. Sassen gevolgd, heb ik geene aanmerkingen bespeurd.

Als eenen bijzaak scheen den Heer Ramaer gaarne te willen geloven een door den Heer Tonckens van Westervelde uitgestrooid en zich verder verspreid hebbend gerugt, dat den kinderen gedurende den felle vorst in den afgelopen winter veel koude zoude hebben geleden.

Hoe ongerijmd en lasterlijk zulks ook zijn mogten, en zeeker met de vroegere of algemene oorzaak der ziekten in geen het minste verband kan staan, hebben wij de Kommissie door alle insgelijke daadzaken van den ongegrondheid daartoe overtuigd.

Overigens heeft de Heer Strating verzogt en verkregen drie kruiken water, als eene gevuld uit den Vaart of met veenwater, een tweede door het gewone pompwater, de derde van gezuiverd pompwater, thans algemeen in gebruik; en tenslotte den Heer Sassen verzogt deszelfs gevoelen om den aard en oorsprong der ziekten alsmede Zijne Edelgestrenge gevolgde geneeswijs, bij wijze van verslag nu dan te delen.

Het getal der overleedenen is intusschen veel vermindert en bedraagt in de loop deezer maand tot op gisteren slegts vijf kinderen.

Ik heb de eer te zijn,
de Directeur der Kolonien,
Visser.

Zie hier voor het uiteindelijke verslag van de presidenten van de geneeskundige commissies. Op de laatste dag van de maand moet hij tenslotte nog wat toelichten over het gedoe van adjunct-directeur De Geus met de waterkuipen, 30 april 1829, brief N269A, invnr 96 scan 844:

Frederiksoord, 30 April 1829

Erkennende de ontvangst der missives van de Permanente Kommissie dd. 28 dezer no,348 en no. 349 heb ik de eer in antwoord op de eerste te berigten dat het bewijs naar aanmerking dier latere genomen proef van de Adjunct-Direkteur de Heer de Geus met de drie andere waterkuipen voorgekomen zijnde, ook deze reeds in werking verminderen, en dus het wasschen en vernieuwen der Kool enzovoort in dezelve van tijd tot tijd noodzakelijk zal zijn; het eene gewenschte zaak zoude weezen eene voorraad van Durkool te Veenhuizen te bezitten; de opgave der werking van de laatst aangekomen kuipen te Veenhuizen had ik de eer bij de mijne dezer de Permanente Kommissie te doen toekomen.