Naar het overzicht
van stukken over GENEESKUNDE





Op 14 mei 1829 reageert de permanente commissie op de kritische kanttekeningen van Waterstaat Drenthe op de genomen maatregelen 'omtrent de waterafleiding bij het 3e Gesticht te Veenhuizen'. De brief met nummer N417 bevindt zich in invnr 364 (geen scans):


In antwoord op UwHEGs Missive van den 7 Maart JL N31, hebben wij de eer UwHEG, na ingewonnen rapport van den Direkteur der KoloniŽn op het verslag van den Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat in Drenthe, omtrent de aftapping van het water om het 3 Gesticht te Veenhuizen, te berigten, dat men de waterafleiding aldaar reeds begonnen was alvorens het gevoelen van den gen: Staatsambtenaar bij de Directie der KoloniŽn bekend was;

dat de ongelegenheid, welke deze meent gelegen te zijn in de afdamming van het kanaal om het Gesticht loopende, niet bestaat, daar er geene behoefte is om het zelve te kunnen omvaren, en wanneer dat het geval mogt worden, de daarin gelegde dammen zeer wel daar weder uit te nemen zijn, terwijl men ook steeds zoo veel waters door dezelve zal kunnen laten loopen, als men zal goed vinden;

zijnde met de afdamming van het kanaal, in alle gevallen, de vermeende nadeelige werking van het hooge water op de gezondheid der bevolking in het daar binnen gesloten Gesticht nog zoo veel te zekerder weggenomen, als nu niet slechts in de Slooten, maar ook in het Kanaal, welke dezelve omgeeft, het water op een peil gebragt is, als het welk men wenschelijk heeft geoordeeld, kunnende overigens de doorstroming van versch water en afleiding van hetzelve naar de beneden wijk, langs een korteren weg, vast niet minder goed worden bewerkstelligd.-

Met het verdiepen en verwijden der Slooten en opruimen en verbeteren der wegen, binnen en om het gesticht, is men, sedert de dooi is ingevallen, begonnen en vervolgens zoodanig voortgegaan, dat daaraan thans zeker weinig meer zal ontbreken.

De P. K. van W
Namens Dezelve