Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





31 mei 1829: Rapport van de presidenten van de provinciale geneeskundige commissies van Groningen, Drenthe en Overijssel over het derde gesticht te Veenhuizen

Het is een voorstel van de permanente commissie zelf om drie onderzoekers hun licht te laten schijnen over de ongewoon grote sterfte onder weeskinderen in het derde gesticht. Ze doen hun onderzoek eind april en sturen hun rapport 31 mei naar het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daar wordt het gekopieerd - voor kopie conform, de Secretaris Generaal bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Wenckebach - en naar de Maatschappij gestuurd.

Het is van die kopie, invnr 97, scan nummer 382 en verder, dat deze transcriptie is gemaakt. In De kinderkolonie gaat het over dit rapport op pagina 176 en verder, bij Roelfsema op pagina 103 en verder.


Door UHoog Edel Gestrenge op voorstel van de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid, de Heeren Gouverneurs der Provincie Overijssel, Groningen en Drenthe, verzocht zijnde bij Missive van den 11 April 1829 N. 18, om de Heeren Presidenten der Provinciale Geneeskundige Commissiën in die gewesten uit te noodigen om zich gezamenlijk op een door hun over een te komen tijdstip naar het Derde gesticht in de Koloniën der Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen te begeven,
om,
voor zoo veel noodig met overleg van den Geneesheer der gestichten aldaar, den Medicine Docter Sasse een opzettelijk Onderzoek te doen naar den aard der aldaar heerschende Ziekte en derzelven geschikte geneeswijze, alsmede naar al dat gene het welk nog zoude dienen aangewend te worden om de vermoedelijke oorzaken van dit onheil te doen ophouden.

Zoo hebben na ontvangene uitnoodiging van de Heeren Gouverneurs dezer Provinciën de Heeren G. A. Ramaer President der Provinciale Geneeskundige Commissie van Overijssel en S. E. Stratingh Secretaris van Provinciale Geneeskundige Commissie van Groningen (zijnde de president dezer Commissie de Heer E. J. Thomassen à Thuessink nog door ongesteldheid buiten staat om dezen taak te volvoeren) zich op den 23 April ll. tot het bewerkstelligen van dit onderzoek naar Assen begeven,
en na van den Heer J. A. Sluis President der Provinciale Geneeskundige Commissie van Drenthe ingevolge aanschrijving de nodige inlichtingen bekomen hebbende omtrent de ziekte en andere omstandigheden,
zoo als die geweest zijn op het tijdstip dat door Zijn WelEdele te voren daaromtrent in het derde gesticht te Veenhuizen onderzoek is gedaan,
hebben wij gezamenlijk dien avond alle stukken nagezien die bij het Gouvernement van Drenthe van tijd tot tijd waren ingekomen betrekkelijk dit Onderwerp; daar de Heer Gouverneur de goedheid had gehad dezelve tot dat einde vooraf op het Bureau in gereedheid te leggen.

Wij hebben ons daarop gezamenlijk den 24 en 25 April naar de Kolonie Veenhuizen begeven en voornamelijk met het Onderzoek in het derde Gesticht een aanvang gemaakt.

Wij voldoen dan bij dezen aan het verzoek om UHoog Edele Gestrenge, één zoo veel mogelijk omstandig verslag van onze bevinding mede te deelen.

Ten dien einde zijn wij van Oordeel, dat deze zaak het best kan behandeld worden, indien wij in de eerste plaats de aandacht vestigen op al dat geen het welk in het algemeen tot deze zieklijkheid in dit derde Gesticht aanleiding zoude kunnen gegeven hebben en om die reden zoude vorderen dat zulks verbeterd werd,
om dan in de tweede plaats meer bijzonder de ziekte zelve die daar geheerscht heeft te beschouwen, om dan daaruit eene gerede aanleiding te erlangen;
om in de derde plaats die bijzondere maatregelen voor te dragen welke dezelve ter beteugeling ons is voorgekomen te vorderen.

Tot zover de inleiding. Dan gaan de doktoren de door hen gemaakte driedeling navolgen. Eerst de mogelijke algemene oorzaken van ziekte: het gesticht ligt te laag, buiten stinkt er teveel en binnen is er tocht en een gebrek aan verwarming zodat er veel kans is kou te vatten.

I. Er is in de daad niets, het welk meer het naauwkeurigst onderzoek van den Geneesheer vordert wanneer hier of daar, vooral in een bepaald gesticht, zich eene algemeene doorgaande ziekte openbaart, dan het geen tot de plaatselijke gesteldheid eenige betrekking heeft.
Met genoegen hebben wij uit de aan ons mede gedeelde stukken gezien, dat dit hoogst aangelegen onderwerp, dikwerf de aandacht der Permanente Commissie van Weldadigheid heeft tot zich getrokken, en ook onderscheidene verbeteringen te dezen opzigte zijn daargesteld die buiten twijfel strekken moeten ter bevordering van de gezondheid der bewoners van dit derde gesticht; evenwel zijn wij van oordeel dat tot dusverre niet alles gedaan is, hetwelk thans noodzakelijk is, en voor het vervolg de vatbaarheid voor de hier heerschende ziekte der kinderen weg te nemen


1. Indien men de ligging van dit derde gesticht zoo wel van buiten als van binnen beschouwt, dan valt het dadelijk in het oog, dat de oppervlakte van den grond vooral van den binnenkant veel hooger is dan het gebouw zelf, zoodat wanneer men zich op het midden van dit binnenplein begeeft, men op het gebouw als in de laagte gelegen nederziet.-

Deze lage ligging van het gebouw in vergelijking van den omringenden grond, wordt naar ons oordeel daarom inzonderheid schadelijk om dat de toegang der lucht in de vertrekken en Zaalen daardoor verhinderd wordt en niet alleen eene somberheid in dezelve te wege brengt, maar vooral om dat het water bij stortregens de hoogte af naar het gebouw afloopt.-

Deze afloop van het water tot in de huizen, heeft men trachten te verbeteren, door eene breede Sloot rondom deze hoogte op eenigen afstand van het gebouw te graven, welke Sloot het afvloeijende water ontvangt, het welk daar in gedeeltelijk blijft stilstaan terwijl het door vele vuiligheden van het gebouw herkomstig, verontreinigd en rottende wordt.

Belangrijk is wel de verbetering, dat dit morsige water in dezen rondgaanden binnen sloot bevat, zich niet weder met het meer zuivere water hetwelk van buiten om het gebouw loopt, kan vermengen maar terstond buiten het gebouw wordt afgeleid; evenwel is het ons voorgekomen, dat deze afleiding niet wel aan het oogmerk beantwoordt; want wij vonden bij ons bezoek deze sloot, en ook vele andere kleinere gooten nog nader aan het gesticht gelegen, met veel water gevuld, het welk op sommige plaatsen eenen zeer onaangenamen stank verspreidde; ofschoon het thans eene zeer koude dag was, zoo dat het niet missen kan, of in den Zomer, moet dit stilstaande water zeer nadeelige uitwasemingen veroorzaken.

Wij bevonden ook den grond buiten om het gesticht, veel te hoog, zoo dat ook het gebouw van die kant, als in een laagte ligt, waardoor ook de vrije luchtstroom verhinderd wordt;- Men behoorde ook dezen grond te slechten en moest met eene genoegzame helling tot aan de gracht zich uitstrekken.

Hoe zeer dit 3e Gesticht ten dezen opzigte eene mindere gunstige ligging heeft en daarom meer aanleiding tot ziekte geeft hiervan werden wij volkomen overtuigd toen wij met oogmerk om de gestichten te Veenhuizen onderling te zamen te vergelijken ook het eerste en tweede bezochten, wij bevonden in het eerste gesticht den grond van buiten vlak en zelfs eenigzins afhellend, van binnen vooral niet hooger dan het gebouw dat denzelven omringt; zelfs zagen wij hier niet dien rondgaanden sloot, noch ook die kleinere gootten geen wonder derhalve, dat wij overal op het binnen plein aan deze beide gestichten eene zuivere lucht inademden.
   
Het eerste gesticht droeg onze goedkeuring in dit opzigt weg, en wij houden her daarvoor, dat, wanneer het derde gesticht, ten opzigte van deszelfs ligging, dezelfde voordelen opleverende als het eerste, buiten twijfel eene der algemeene oorzaken van de heerschende ziekte zal uit den weg geruimd zijn.

Wij  moeten echter ook hier aanmerken dat de binnenplaats van het tweede gesticht echter nog veel te hoog is, zoo dat men ook daar door slooten het water van de huizen moet afleiden.

Wij vinden ons derhalve verpligt, om daar op ter bevordering van gezondheid, bij dezen aan te dringen, dat het binnen plein van het derde gesticht geslecht worde, dat, konde het zijn, eeven zoo min dáár als in het eerste gesticht die slooten en gooten gevonden worden dan, zoo zulks niet doenlijk is, te zorgen, dat de afwatering van dit stinkend water spoediger dan tot nu toe, plaats kan grijpen.

Inzonderheid moet ook de hooge grond buiten om dit gesticht aanzienelijk worden afgenomen.



2. De plaatsing van de secreten trok ook onze aandacht tot zich; deze kwam ons voor al te zeer in de nabijheid van het gebouw te zijn, vooral, daar het hooger binnen gelegen plein eenigzins aanleiding geeft, dat de uitwazemingen van dezelve meer in den omtrek van het gebouw door de lagere ligging en ongenoegzame doorstroming van de lucht opgehoopt blijven hetwelk vooral een zaak van aanbelang is, daar men de uitwerpselen in kleine bakken vergaderd, die bijkans dagelijks zullen moeten worden geledigd, en derhalve gedurig aanleiding geven om eene vermeerdering van schadelijke uitwazemingen te veroorzaken.



3. Het zelfde geldt ook omtrent de mesthoopen, welke buiten het gebouw aanwezig waren; deze waren al te nabij het gebouw geplaatst; want daar dezelve grootendeels uit menschelijke uitwerpselen bestaan kan het niet anders, of de daarin bevatte stoffe veroorzaakt eene rotting waarvan de uitwazemingen voor de gezondheid allernadeeligst kunnen zijn, vooral, wanneer er in zoo danig gesticht eene ziekte heerscht welke ter beteugeling volstrekt vordert, dat alles zoo veel mogelijk verwijderd worde, hetwelk aan den dampkringslucht nadeelige eigenschappen kan mededeelen.

Wenschelijk zou het derhalve ook naar ons oordeel zijn, dat deze mesthoopen op eenen meer verwijderden afstand van het gesticht werde aangelegd.-



4. Wat nu het gebouw zelf aanbelangt, zoo kunnen wij, wat de zindelijkheid der onderscheidene zalen betreft voor het tegenwoordige niet anders dan gunstig getuigenis daaromtrent geven, evenwel zijn ons twee zaken voorgekomen, die verandering vorderen,

om de zalen gedurig van versche lucht te voorzien, maakt men vooral hier gebruik van tuimelramen en luchtgaten onder aan den grond der zalen, wanneer de ramen zelve hooger waren en het bovenste gedeelte geopend zijnde, de van buiten intredende lucht niet zoo onmiddelijk op de aanwezige personen viel, hetwelk echter nu bij de laagte derzelven het geval moet zijn en daarom aanleiding tot het vatten van kou, en dus tot vele ziekten moet geven; deze luchtgaten vonden wij ook in de slaapvertrekken, en waren niet, gelijk in het eerste gesticht van schuiven voorzien,

wanneer nu de hangmatten worden neergelaten dan slapen zeer vele kinderen vrij nabij deze openingen; dit moge in den eersten opslag niet zoo belangrijk schijnen, daar men denkt dat de kinderen zelve zulks hen hinderende, door iets voor deze openingen te plaatsen, het nadeel zullen voorkomen, even wel behoort in deze ongelegenheid op eene geregelde wijze voorzien te worden, en wel dat er schuiven zijn, die des avonds door de Zaal opziener voor dezelve geplaatst worden.

Wij zouden bovenal ter luchtiging van de Zalen het zeer doelmatig vinden, dat men over al gelijk in sommige zalen van trechters gebruik maakte in de zolders, die met ruime buizen door het dakwerk heen met de buitenlucht gemeenschap daarstellen –

deze trechters zullen vooral ter zuivering van de lucht der zalen veel nut doen indien men er het onderste gedeelte van de trechter voor al des avonds, wanneer de kinderen zich in die zalen bevinden eene lamp brandende houdt, daar het toch bekend is, dat de luchtstroom naar een brandend ligchaam en in dit geval, naar den trechter geleid wordt.

Het tweede Onderwerp, hetwelk wij hier moeten behandelen is de wijze op welke de zalen verwarmd worden.
Deze kwam ons niet genoegzaam voor eene ja zelfs twee kagchels van dien omtrek en van dat maaksel met zoo weinig pijpwerk voorzien, kunnen in eenen strengen winter geene genoegzame warmte opleveren veel minder zoo vele kinderen verwarmen; daar toch maar een klein gedeelte rondom de kagchel zal kunnen zitten; en wij moeten derhalve de getuigenis geloven van onderscheidene personen die in den vorigen winter op eenen kouden dag, dit gesticht bezoekende de zalen buitengewoon koud vonden terwijl de kinderen blijken opleveren van daardoor veel te lijden.

Daar het lijden van koude vooral als eene gewigtige oorzaak tot daarstelling van de in dit gesticht geheerst hebbende ziekte moet beschoud worden, indien zulks werkelijk heeft plaats gegrepen, zoo willen wij inzonderheid dit gewigtig onderwerp, bij dezen, zeer nadrukkelijk hebben aanbevolen; te meer, daar wij in het vervolg van dit  verslag, sprekende over de verzorging der kinderen, ons in de verpligting bevinden, om te dezen opregte zeer ongunstige berigten mede te deelen, die wanneer ze door UHoogEdelGestrenge als volkomen naar waarheid opgegeven bevonden worden ten eenenmale zouden bevestigen, voor al bij zulk een gering aantal kagchels, dat de kinderen gedurende dezen winter zeer veel koude tusschen beiden hebben moeten lijden.

Daar het ons oogmerk is om afzonderlijk over de zieke zalen te spreken zullen wij bij die gelegenheid vooral over derzelver verwarming iets zeggen.

Dat is tamelijk vernietigend. Het volgende gedeelte over de voeding en verzorging van de kinderen in het derde gesticht, lijkt positiever te verlopen. Totdat... de heren onderzoekers bij de burgemeester van Norg Johannes Tonckens te rade gaan.


II Na de ligging en plaatselijke gesteldheid van het gesticht in overweging genomen te hebben, moeten wij de aandacht van UHoogEdelGestrenge vestigen op de voeding en verzorging der kinderen, tevens in aanmerking nemende, het geen daar mede in het naauwste verband staat.



1. Met de meeste nauwkeurigheid hebben wij alle levensmiddelen onderzocht, die in het magazijn en in de kelder of elders zoo als in den winkel zich bevonden en wij hebben het genoegen UHoog Edel Gestrenge te kunnen verzekeren dat wij thans even gelijk te voren, de Heer Dr Sluis, President der Geneeskundige Commissie van Drenthe een ruime voorraad van goede levensmiddelen hebben aangetroffen,
aanzienelijk vooral was die van droog spek, het welk vooral werd opgehelderd, toen men ons zeide, dat ook hier de voorraad te dienste van het tweede gesticht zich bevondt.

Het rund- en schaapvleesch scheen ook van welgevoede en gezonde dieren herkomstig; de gort, rijst, graen, erwten, zuurkool, aardappels enz., geene van deze voorwerpen leverden ons eenige blijken op, van geringere deugdzaamheid, waar door ze derzelver gebruik aanleiding tot ziekelijkheid zouden kunnen geven.
   
Om echter volkomen overtuigd te zijn dat de levensmiddelen te voren en wel bepaaldelijk van den tijd af aan, dat in dit gesticht vooral in dezen laatsten winter, de ziekte zoo algemeen geheerscht heeft, altoos die zelfde goede hoedanigheden hadden opgeleverd, welke wij in dezelve ontdekten,
oordeelden wij het dienstig om daaromtrent pertinentelijk het gevoelen zoo wel van alle de bestuurders van dit gesticht als ook van den Geneesheer Sasse te vragen en ontvingen hier omtrent zoo wel van den Directeur Visser (thans hier aanwezig) van den Adjunct directeur de Geus en van den Onder Directeur Hulst als ook van den genoemden Geneesheer het meest voldoend antwoord,
het welk daarop hoofdzakelijk neerkwam, dat er in al dien tijd geen gebrek aan goed en gezond voetsel geweest is, dat men zelf in vergelijking van het eerste gesticht de voeding der kinderen ter voorkoming van de ziekte ruimer en beter gemaakt hadt, dan zulks wel volgens voorschrift bepaald is.

Dan wij oordeelden niet volkomen aan het in ons gesteld vertrouwen beantwoord te hebben, in dien wij ook niet ten opzigte van dit belangrijk onderwerp het gevoelen zochten te vernemen van andere ook geloofwaardige personen, die in de nabijheid van het gesticht wonende in de gelegenheid zijn zelfs op eene legale wijze zich te overtuigen omtrent de al of niet deugdzame gesteldheid der levensmiddelen gedurende dezen winter en die als meer belangloze personen zeer veel kracht zouden kunnen bijzetten aan het getuigenis, het welk door de Bestuurders van zoodanig gesticht gegeven is, indien zij hetzelve volkomen bevestigden.

Van zelf werd derhalve onze aandacht gevestigd op den Burgemeester der gemeente Norg alwaar deze Gestichten zich bevinden, wij hebben bij denzelven een bezoek afgelegd en na denzelven het oogmerk onzer zending en de reden van onze komst mede gedeeld te hebben stelden wij denzelven de vraag voor of hij ook in staat zoude zijn, om ons eenige ophelderingen mede te deelen omtrent de oorzaken welke tot de ziekte, vooral sedert eenige maanden in het derde gesticht heerschende aanleiding zouden hebben gegeven?

Daar wij nu van den Burgemeester zeer belangrijke bijzonderheden vernamen, die wij bij onze inspectie den vorigen dag gehouden niet hadden opgemerkt, en die bovendien zoo zij overeenkomstig de waarheid zijn zeer veel licht over deze ziekte verspreiden en dringend vorderen, dat zoodanige misbruiken niet meer plaats grijpen wil men deze ziekte volkomen meester worden, zoo oordeelden wij het aan ons medegedeelde van dat belang te zijn, dat wij den Burgemeester verzochten, ons omtrent het een en ander een schriftelijk rapport te geven op dat wij hetzelve als eene  bijlage van het onze aan UHoogEdel Gestrenge zouden kunnen toezenden, aan ons verzoek door den Burgemeester voldaan zijnde, leggen wij hetzelve hierbij over onder Letter A.

Wij willen kortelijk den inhoud daarvan nagaan, ten einde het belangrijke dezer mededeeling zoo veel te beter onder de aandacht van UHoogEdel Gestrenge te brengen.

Na dat de Burgemeester ook eenige mingunstige bijzonderheden omtrent het plaatselijke van dit derde Gesticht heeft voorgedragen bepaalt hij zich in de eerste plaats tot het roggenbrood tevens met aardappelen bereid.

Hij verklaart ook brood alleen uit rogge gebakken (het geen gedurende deze winter meest heeft plaats gegrepen) vergezeld van de beide Assessoren zeer slecht doorwerkt en niet halfgaar gebakken bevonden te hebben zoo dat het voor menschen geen bruikbaar voedsel konde opleveren, hij voegd er bij, zelfs bij twee Visitatiën geen enkel brood noch in het magazijn, noch in den winkel gevonden te hebben.

Het getuigenis omtrent de aardappelen is vooral niet gunstiger; hij zegt dat dezelve van het slechte soort geweest zijn alleen tot voeding van het vee dienstig;- ja wat nog veel erger is, dezelve bij eene inspectie zoo bevroren en verrot bevonden te hebben, dat uit dezelve, als uit een natte spongie het water bij drukking uitliep, en dat er evenwel geen twijfel aan was of deze verrotte aardappelen waren nog tot dagelijksche spijze gebruikt.

Waarlijk indien dit alles zoo heeft plaats gehad zoude het eerder te  verwonderen geweest zijn, dat de kinderen gezond waren gebleven, dan dat nu onder dezelve eene zeer hevige ziekte is uitgebroken, die zich voor al door buik en persloop en waterzucht onderscheide.-

Zonder ons thans in te laten met de beantwoording van de vraag, of brood bestaande uit een derde rogge en twee derde aardappelen een gezond voedsel op den duur oplevert vooral voor kinderen die in dit gesticht komende te voren daaraan niet gewoon zeer veel vatbaarheid voor ongesteldheden van den onderbuik mede brengen?

Zoo durven wij echter volkomen verzekeren, dat zal zulk brood geene aanleiding tot ziekte geven, omtrent de daarbij gebezigde aardappelen het volgende moet in acht genomen worden:

1. Zij moeten van de beste soort zijn; de ondervinding heeft bewezen dat voor al het schadelijk beginsel, aan alle plantae solonacae eigen waaronder ook de aardappelen behooren in eene meerdere hoeveelheid in slechte, dan in goede aardappelen wordt aangetroffen dit beginsel werkt zeer nadeelig op de gezondheid van den mensch en verwekt na langdurig gebruik eene ziekelijke ongesteldheid van de ingewanden des onderbuiks.

2. Om die reden zal het altoos dienstig zijn, om de raauw geraspte aardappelen waarvan brood moet gebakken worden een en andermaal eerst met zuiver water af te wasschen, of, schoon het steeds verkieselijker zal zijn om daartoe vooraf gekookte aardappelen te bezigen, om dat dan zoo als de ondervinding overvloedig geleerd heeft zoo veel te beter dit schadelijk beginsel wordt afgescheiden.
Om voor al niet terstond aardappelen met andere groenten gaar te kooken waar al zoo de eerste verre weg boven de laatste den overhand hebben, om dat dan dit nadeelig beginsel geheel in dat voedsel blijft hangen.

3. Moet men de aardappelen alleen op dat tijdstip van het Jaar tot het bakken van brood bezigen, wanneer dezelve het beste zijn. Zoodra zij in het voorjaar en vervolgens beginnen te kiemen dan verliezen zij hare voedzame bestanddeelen en deelen aan het daaruit gebakken brood zeer nadeelige eigenschappen mede.

Na dit omtrent den aardappel te hebben opgemerkt naar aanleiding van het berigt van den Burgemeester willen wij hetzelve verder volgen.


Ontzettend is het geen hier op volgt namelijk dat men in den herfst van het vorige Jaar eene groote menigte gallige schapen in het tweede en derde gesticht heeft geslacht om daar mede ook de kinderen te voeden, die zoo weinig waarde hadden, dat tien van dezelve te zamen op twee Gulden en vijftig Cents door den Priseerder zijn gewaardeerd,  en voor al moet hierbij in aanmerking komen dat naar alle waarschijnlijkheid zoo als de Burgemeester vermoedt nu het gebruik van dit Vleesch van zieke schapen ruimer dan wel in andere tijden, om aangevoerde redenen zal geweest zijn.

Wij moeten hier echter niet verzwijgen dat door ons in zonderheid den Dr Sasse hier omtrent gevraagd zijnde, ons verklaard heeft, dat het Vleesch van zieke schapen niet tot voedsel aan kinderen is gegeven.

Men zoude indien noodig was, door eene menigte van voorbeelden uit lateren en vroegeren tijd kunnen aantoonen, dat het dagelijksch gebruik van Vleesch van ziek Vee herkomstig aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van zeer hevige volksziekten en het lijdt derhalve geen twijfel, of, zoo er ook door andere oorzaken eene zoodanige algemeene ziekte is ontstaan, moet zoodanige Spijze op eene zeer nadeelige wijze medewerken om dezelve aan den gang te houden en te verergeren.
Weshalve wij ons verpligt vinden omtrent het Vleesch het volgende aan te merken.

1. Men zorge dat aan de kinderen in het derde Gesticht geen ander Vleesch tot Spijze worde gegeven, dan het geen van volkomen gezond en wel gevoed vee herkomstig is.

2. Men make, voor al wanneer de ziekte zich weder mogte verheffen zoo min mogelijk van Schapenvleesch gebruik, daar hetzelve uit deszelfs aart en minder gezond voedsel oplevert, inzonderheid indien de Spijsvertering reeds te voren verzwakt is.

3. Zouden wij het zeer wenschelijk oordeelen dat de voeding der kinderen zoo werd ingerigt, dat ze ten minsten tweemaal in de week vleesch tot eene zekere hoeveelheid met eenig ander plantaardig voedsel elk afzonderlijk bereid gebruikten, zoo dat ze werkelijk ondervonden Vleesch te eten; deze voeding is buiten twijfel voor onze landaard de geschikste en brengt dat voordeel aan, dat de krachten in het algemeen worden opgewekt, zonder de spijsverteering te bezwaren.

Met genoegen hebben wij vernomen dat men in dit 3de gesticht meestal de kinderen op die wijze voedt.

De derde bijzonderheid die door den Burgemeester wordt verhaald is de koude welke de kinderen van wege het gebrek aan turf gedurende dezen winter hebben moeten lijden, met bijvoeging, dat ze verpligt zijn geweest twee maal des daags op eenen afstand van ¾ uur twaalf turven te halen, waarvan het gevolg was, dat ze met natte voeten te huiskomende, niet in staat waren dezelve te droogen.

Vooral is dit gebrek van brandstoffe in de felle koude van dezen laatsten winter eene zeer zorgelijke omstandigheid geweest, daar reeds, zoo als wij te voren reeds hebben opgemerkt de middelen ter verwarming van de vertrekken niet genoegzaam zijn, en dringend eene verbetering vorderen.

Niets kan er voor de gezondheid schadelijker worden uitgedacht dan het lijden van koude, vooral, zoo tevens die hulpmiddelen ontbreken waardoor men in staat gesteld wordt om daaraan behoorlijke wederstand te kunnen bieden, onder welke vooral eene goede en gezonde voeding behoort, zoo dat deze beide omstandigheden zich in een gesticht van kinderen vereenigende die reeds daar komende, niet in den besten staat van gezondheid verkeeren, men niet ver heeft te zoeken naar de oorzaak van die ziekte, waar door ze zoo hevig zijn geteisterd, en die ook ten allen tijde daar tevoorschijn moet treden waar zulke nadeelige oorzaken zich te zamen vereenigen.

Wij houden het dan ook daarvoor, wil men deze ziekte beteugelen, dan moet er voor eene goede verwarming der vertrekken gezorgd worden en voor al, dat de kinderen met natte kleederen te huis komende dezelve zoo dra mogelijk met drooge verwisselen, daar de onderdrukking der uitwazeming van de huid zeer duidelijk tot de aldaar heerschende ziekte heeft aanleiding gegeven.


2. Wij hebben vervolgens onze aandacht gevestigd op het water het welk tot dagelijksche drank der kinderen moet verstrekken, het welk veen en putwater is, daar beide reeds op het eerste gezigt geene zeer gunstige eigenschappen opleverden, oordeelden wij het van belang beide dezer waters aan een nauwkeurig scheikundig onderzoek te moeten onderwerpen, wij hebben daarom dezelve mede genomen en ze aan den Heers S. Stratingh Ez Hoogleraar in de Scheikunde aan de Hoogschool te Groningen ter hand gesteld, die aan ons verzoek voldaan hebbende, ons hieromtrent een schriftelijk rapport heeft medegedeeld, het welk wij UHoog Edel Gestrenge tevens hierbij onder Letter B. toezenden.

Ofschoon uit dit scheikundig onderzoek is gebleken dat dit veen- en putwater eigenlijk geene onmiddelijk schadelijke eigenschappen bezitten zoo zijn echter daarin zoodanige stoffen bevat, die het volstrekt noodzakelijk maken dat hetzelve, voor dat het gedronken wordt, door daartoe dienstige werktuigen gezuiverd wordt,
met genoegen zagen wij dan ook, dat deze Filtreer machines reeds in het derde gesticht tot dat einde gebruikt worden en wij moeten daarop ten sterksten aandringen dat toch geen ander, dan gezuiverd water tot dagelijkschen drank aan de kinderen gegeven worde;
want juist die bestanddeelen, welke door het scheikundig onderzoek in dezelve ontdekt zijn, werken dan vooral schadelijk wanneer er voor buikloop veel vatbaarheid heerscht, dan wordt door het drinken van dit water de nadelige invloed van andere schadelijke oorzaken zeer vermeerderd.

Indien het derhalve mogt blijken, dat het aandeel van zoodanige zuiveringswerktuigen nog niet genoegzaam is om voor dagelijksch gebruik de noodige hoeveelheid waters op te leveren, dan dient er gezorgd te worden, dat derzelver getal vermeerderd worde.


3. Wat de zorg voor de zindelijkheid der kinderen aanbelangt, hieromtrent moeten wij dit aanmerken, dat in de ziekezalen de kinderen visiterende die geene schurft hadden het echter onze opmerkzaamheid tot zich trok dat de oppervlakte van de huid bij velen zoo morsig was; om nu niet te zeggen dat het getal van die genen, welke met schurft behebt waren, niet gering was.

Boven dien werd ons door een zeer geloofwaardig persoon verhaald, die dikwerf in de gelegenheid was om vooral zieken van nabij te bezien dat ze buiten mate met luizen waren bedekt. Ja zelfs verhaalde hij ons dat voor eenigen tijd uit het derde naar het eerste gesticht kinderen verplaatst zijnde dezelve daar komende zelfs door huidzweren waren aangedaan, die door dit ongedierte waren te wege gebragt.
   
Wij melden zulks UHoog Edel Gestrenge ten einde in staat gesteld te zijn daaromtrent een naauwkeuriger onderzoek te doen, dan het ons bij de kortheid des tijds wel mogelijk was. Wij moeten echter zeggen, daarvan thans niets bespeurd te hebben. De zorg voor zindelijkheid en daardoor het voorkomen van huidziekte is een zaak van het hoogst aanbelang indien men vooral onder kinderen eene algemeene ziekte wil beteugelen, want uit de ziekelijke ongesteldheid van de huid neemt meestal zoodanige ziekte haren oorsprong, en kan niet volkomen genezen worden zoo niet weder de werkzaamheid van de huid behoorlijk hersteld wordt.


4. Ofschoon de zedelijke behandeling der kinderen minder dan de physieke een onderwerp van ons onderzoek moesten uitmaken zoo zijn ons echter twee zaken voorgekomen die wij niet kunnen verzwijgen.

Bij gelegenheid van ons bezoek bij de Burgemeester van Norg was daar toevallig een Veldwachter aanwezig die ons in tegenwoordigheid van den Burgemeester verhaalde onmenschelijke bestraffing door den Zaalopziener Polman, onlangs in het werk gesteld; eene jonge namelijk had zich des nachts bevuild en nu werd hij den volgende dag door dien zaalopziener onder het toedienen van stokslagen gedwongen met eenen lepel in tegenwoordigheid van andere kinderen, deze drekstoffe op te eten hij voegde erbij, dat deze jonge kort daarna was ziek geworden en gestorven.

Bovendien hebben wij ook van anderen gehoord, dat deze man op een zeer ruwe wijze, met de kinderen aan zijnen zorg toebetrouwd omgaat, hetgeen vooral zoo niet behoort te zijn waarvoor door de Bestuurders van dit gesticht de meeste zorg moet gedragen worden.

Wij melden UHoog Edel Gestrenge ook dit vooral op dat daaromtrent nader onderzoek worde gedaan.- Welk onderzoek daarom ook van belang is, om dat wanneer hij blijken mogte, dat deze veldwachter zich aan laster had schuldig gemaakt en dus onverdiend het Bestuur van het 3de gesticht in een kwaad daglicht had gesteld, hij daar over kan gestraft worden.

   
Het andere betreft de wijze van bestraffing in het algemeen, men heeft ons verhaald, dat indien de kinderen eenig misdrijf hebben gedaan, en daarvoor met opsluiting voor eenigen tijd worden gestraft dan zoude dienen daartoe in dit derde gesticht het doodenhok ofschoon daarin kort tevoren lijken geweest zijn of nog zijn,

deze manier van het handelen verdient geheel afgekeurd te worden, want behalve, dat de indruk op het gemoet, van gevoelige kinderen zeer schadelijk kan werken, dat ze zelfs in de nacht in het verblijf der dooden zijn opgesloten en door het verwekken van angst tot Zenuw Ziekten aanleiding kan gegeven worden, zoo behoort hier ook vooral in aanmerking te komen, dat die opgesloten kinderen aan eene zeer schadelijke en bedorven lucht worden blootgesteld waardoor zij ziekelijk worden aangedaan.-

Dit misbruik zal ook naar ons inzien verbeterd moeten worden. Wij moeten echter hieromtrent aanmerken dat den Dr. Sasse ons gezegd heeft dat slechts eenmaal dit gebeurd is, en wel in een tijd, dat er daar in 14 dagen geen lijk gestaan had.

Na zo alle mogelijke oorzaken van de vele zieken en grote sterfte nagegaan te zijn, gaan ze kijken naar de behandeling van zieken. Ze stellen onder andere vast dat de kolonie Veenhuizen te groot is om door slechts één arts bediend te worden Daarbij laten ze heel, heel weinig heel van dokter Hendrik Frederik August Sasse.


III Wij zijn nu genaderd het derde gedeelte tot de zieken zelve, derzelver verzorging en geneeskundige behandeling.


1. Na de ziekezalen naauwkeurig in ogenschouw genomen te hebben, zoo kwam het ons voor, dat deze in den winter vooral geene genoegzame middelen ter  verwarming aanboden, te meer daar de ingang tot dezelve onmiddelijk met de buitenlucht gemeenschap daarstelde waar door het vatten van koude aanleiding wordt gegeven, het welk voor vele zieken, voor al voor hen die aan de heerschende ziekte ter neder lagen zeer schadelijk moet geweest zijn.-

Hier komt bij dat deze zalen te klein zijn voor het getal van zieken, het welk daarin gedurende dezen winter heeft moeten worden opgenomen, althans nu nog, daar het aantal der zieken veel verminderd was kwam het ons voor, dat deze zalen geene genoegzame ruimte aanboden om vooral des nachts de kinderen behoorlijk eene afgezonderde slaapplaats te geven.
   
Dat zulk eene ophoping van zieken in één vertrek aanleiding geeft tot verontreiniging van de lucht, die voor de zieken zelve zeer schadelijk is zal wel geen betoog vorderen, maar boven al droeg het geenzins onze goedkeuring weg, dat in eene en dezelfde zaal zieken van allerlei soort zich bevonden.-
   
Het zoude naar ons oordeel een van de eerste behoeften geweest zijn om vooral die kinderen welke aan buik- en persloop leden in eene afzonderlijke zaal te plaatsen en te behandelen; want of schoon men geene bewijzen kan aanvoeren dat deze ziekte besmettelijk is geweest, zoo verwekken echter altoos de veelvuldige ontlastingen eenen zeer onaangenamen stank die op het geregeld beloop van andere ziekten eenen zeer nadeeligen invloed kan hebben.
   
De voorzigtigheid althans heeft te allen tijde geboden, dat in hospitalen waar zich persloop vooral in eene hevige mate openbaart, de door deze ziekte aangetaste personen zorgvuldig van de overigen aftezonderen.
   
Dan het geen ons meer verwonderde was dit, dat men hier te midden van de overige zieken een zeer groot aantal kinderen zeer hevig door schurft aangedaan aantrof, Ja zelfs dat men in dit zelfde vertrek de Smeerkuur bewerkstelligde en daarna om den kagchel dezelve plaatste opdat de ingesmeerde zalf zoude indrogen.
   
Behalve dat toch schurftige personen volstrekt eene spoedige en zorgvuldige afzondering van gezonden vorderen wil men deze ziekte vooral in een gesticht van kinderen meester worden, zoo is het bovendien zeer ondoelmatig dezelve te plaatsen in hetzelfde vertrek met andere zieken, die dan vooral in de gelegenheid gesteld worden, tot dusverre onbesmet geweest zijnde, ook deze ziekte op te doen, waarbij ook in aanmerking dient genomen te worden, dat deze uitwazeming van ingesmeerde zwavelzalf zekerlijk buiten noodzaak, ten nadele van de overige zieken de lucht verontreinigd.
   
Het een en ander hier aangestipte willen wij zeer aan de zorg van UHoog Edel Gestrenge aanbevolen hebben, daar het dringend verbetering vordert.


2. De bevolking der drie gestichten, derzelver verwijderde ligging vooral van twee derzelver van den Geneesheer en vooral het groot aantal zieken welke dezelve te zaam genomen ten allen tijde, vooral in de laatste maanden, hebben opgeleverd dit alles in aanmerking genomen zijnde is het ons duidelijk voorgekomen, dat de verzorging van zoo vele zieken, onder zulke omstandigheden door eenen Geneesheer niet behoorlijk kan geschieden.
   
Van hier zoo als wij gehoord hebben, dat de Geneesheer slechts om den anderen dag de zieken van elk gesticht gewoonlijk bezocht en dan nog ons verklaart heeft, dat er dagen geweest zijn waarop hij bij de drie honderd recepten moest voorschrijven.
   
De ziekte die hier tot duverre geheerscht heeft en nog gansch niet geheel geweken is, vorderd naar ons oordeel dagelijks het bezoek van den Geneesheer, Ja zelfs geloven wij, dat er wel een tijd zal geweest zijn, waarin het noodzakelijk was, zoo als zulks in hospitalen altijd gebruikelijk is, om des morgens en des avonds de zware zieken te bezoeken.
   
Maar dit is in deze gestichten van één Geneesheer niet te vergen daar ze te verre van elkanderen verwijderd zijn, en daar om houden wij het daarvoor, dat de Geneeskundige verzorging, vooral ten tijde van eene heerschende ziekte, vordert dat elk gesticht één geneesheer hebbe;
het is daarom niet noodig dat ieder van deze een Medicinae Doctor zoude moeten zijn, wij zouden zelfs geloven, dat het voor den dienst beter zoude zijn; zoo aan den Med. Doctor Sasse, twee kundige Heelmeesters ten platten lande werden toegevoegd, die aan hem min of meer ondergeschikt, met onderling overleg de zieken in elk gesticht behandelden, en vooral door inwoning in ieder gesticht in staat waren om in haastige en onvoorziene omstamdigheden hulp te bieden.
   
Bovendien moest in de twee gestichten, waar de eigenlijke Apotheek niet geplaatst is eene kleine huis apotheek aanwezig zijn, bevattende vooral zoodanige geneesmiddelen die in onverwachte ongesteldheden te stade komen en die ook des nachts den Geneesheer in staat stellen om dringende hulp den lijders aan te bieden.
   
Het tweede Gesticht als in het midden liggend, zal altoos voor de Hoofd apotheek de geschikte plaats opleveren hier moet ook de Apotheker wonen om voor de drie gestichten alle geneesmiddelen te vervaardigen.’



3. Wij hebben de Apotheek in het tweede gesticht ook ten dienste van de twee anderen gevisiteerd, men was juist bezig dezelve uit de ziekezaal der mannen, in een afzonderlijk vertrek te plaatsen het welk zeer doelmatig moet geacht worden.-

de Geneesmiddelen, die wij gezien  en onderzocht hebben, waren alle van eene goede gesteldheid dan het verwonderde ons hier een ongeexamineerd persoon aan te treffen die als Apotheker werkzaam was,
wanneer men toch in aanmerking neemt hoezeer den Geneesheer met zijn eigene werkzaamheid, als overladen is, dan is hij  niet in staat om de bereiding der geneesmiddelen zoo na te gaan, dat men dit werk aan iemand durft toevertrouwen, die geene blijken van genoegzame kunde heeft gegeven.
   
Het komt ons voor dat de verzekering van eene goed bereiding der geneesmiddelen volstrekt vordert, dat deze persoon na het afleggen van artsenijmengkundig examen, eerst deze bevoegdheid wordt gegeven, of zoo hij daarin zwarig mogte maken op een andere wijze daarin behoort voorzien te worden.


4. Wat nu aanbelangt de ziekte zelve die wij bij ons bezoek nog in het derde gesticht aantroffen, zoo was dezelve wat de soortgelijke verscheidenheid aangaat nog dezelfde behalve tusschenpozende koortsen heerschte er nog buikloop en waterzucht, en bovendien bevind zich nog in de ziekzalen een aanzienlijk getal van de zoodanigen, die na den buikloop of waterzucht doorgestaan te hebben, zich in eenen zukkelenden en verzwakten toestand bevonden, zoo dat vele alle kenmerken opleverden, dat ze ook eindelijk onder eene langzame inteering zouden kunnen bezwijken.-

Het getal zieken in het geheel daar onder ook begrepen de uitwendigen en herstellenden beliep ruim 70 kinderen.
   
Daar reeds dikwerf geneeskundige beschrijvingen dezer heerschende ziekte aan UHoog Edel Gestrenge zijn medegedeeld, en voor al de berigten daaromtrent door ons medelid den President der Provinciale Geneeskundige Commissie van Drenthe gegeven, zeer naauwkeurig zijn en ons geheel van de noodzakelijkheid bevrijden, om daar iets bij te voegen, zoo willen wij ons thans bepalen om meer in het algemeen daaromtrent het een en ander voor te dragen.


De kinderen, die in deze gestichten worden opgenomen, behalve dat ze van hunne ouderen zeer vele zaden van ziekelijkheid reeds hebben ontvangen hebben meestal te voren in het ouderlijkhuis eene zeer verkeerde ligchamelijke opvoeding genoten,
worden bij het versterf van hunne ouders in Weeshuizen of in andere openbare gestichten opgenomen,
genieten ze zelden zulk eene verzorging, die in staat is, om dien ziekelijken aanleg weg te nemen veel eer zoo als de ondervinding maar al te veel leert wordt dezelve dan meer en meer ontwikkeld
en vooral zoo zij van eene rachitische of schrofuleuse gesteldheid zijn, zijn het de ingewanden van den onderbuik die bijzonder ziekelijk aangedaan, daarna onder begunstigende omstandigheden de zitplaats opleveren van onderscheidene ziekten.
   
De zoodanige kinderen nu worden verplaatst naar een gesticht waar naar ons oordeel meer dan eene oorzaak werkzaam is, om deze tot dusverre sluimerende aanleg tot ziekte van den onderbuik en andere daarmede in het naauwst verband staande organen in eene werkelijke ziekte te veranderen,
zoo dat het zelfs als apriori zeker is, dat zoodanige ziekten, als in het derde gesticht heerschen overal moeten zijn waar zulke kinderen zich bevinden;

van deze waarheid werden wij ook ten vollen overtuigd, toen wij de zieken van het eerste gesticht bezochten; ook daar zagen wij buikloop en waterzucht; evenwel is het getal der lijders daar te allen tijde minder geweest weshalve men met alle reden daaruit mag besluiten, dat, ofschoon de aanleg tot dezelfde ziekte bij de kinderen van deze beide gestichten dezelfde is, er bijzondere redenen moeten bestaan die de ontwikkeling daarvan meer in het derde dan in het eerste gesticht begunstigen en die voorzeker niet verre te zoeken zouden zijn, indien de aangevoerde plaats gehad hebbende misbruiken overeenkomstig de waarheid mogten bevonden worden.


Daar nu de kinderen in dit derde gesticht opgenomen, zullende worden aan zoo veel levensgevaar zijn blootgesteld, zouden wij de volgende maatregelen heilzaam keuren:

1: Moesten de kinderen in dit derde gesticht nooit in den herfst of winter opgenomen worden, het voorjaar en vooral de zomer tot in de maand Julij zal steeds de gunstigste tijd zijn.
In de herfst hier eerst komende en eene geheel andere leefwijze ondergaande nu dagelijks aan de gure lucht bloot gesteld zijnde kan het niet missen of de aanleg tot ziekte, verandert in eene dadelijke ziekte.

2: Moest men zorgvuldig de ondervinding raadplegen van het begin af aan dat in
het derde gesticht kinderen zijn opgenomen, of men ook ontdekken konde, dat kinderen uit deze of gene Provincie, of uit deze of gene Stad komende meer dan andere aan deze ziekte geleden hebbende en daaronder bezweken zijn.
Dan zoude de voorzigtigheid gebieden om deze niet zoo zonder onderscheid in dit Gesticht op te nemen, alleen zij, wier aanleg gezond en sterk is zouden hierop eene uitzondering kunnen maken.
In het algemeen zouden wij echter dien raad geven om voor alsnog in dit gesticht geene kinderen op te nemen herkomstig uit Steden en dorpen aan de Zeekusten gelegen, ook niet uit vondeling- of Weeshuizen van groote Steden, zoo als van Amsterdam, want het heeft ons bijzonder getroffen de sterflijsten van vorige Jaren naziende dat er alleen van de uit Amsterdam gekomene kinderen, zulk een groot aantal zijn overleden;
het welk echter veel wordt opgehelderd, wanneer men het te voren gemelde omtrent de oorzaak en ontwikkeling dezer ziekte in aanmerking neemt.


Wat nu de geneeskundige behandeling der alhier heerschende ziekte aanbelangt, hieromtrent geld hetzelfde het welk ten opzigte van alle andere ziekten waarheid is, dezelve laat zich niet stellig bepalen;
het geen op het ene tijdstip van het Jaar dienstig is, kan in een ander schadelijk zijn;
ook de individuele gesteldheid van elken lijder vorderd dat overeenkomstig derzelve de geneeswijze steeds wordt gewijzigd door het toepassen van deze algemeene regels op een heerschende ziekte onderscheidt zich bijzonder een wel geoefend geneesheer van een ander, die slechts blindelings volgt, het geen hij omtrent deze of gene ziekte uit boeken heeft verzameld.

Naar aanleiding van den ons opgedragen last hebben wij dan herhaalde malen met de Medicinae Doctor Sasse de zieken gezien en over derzelver behandeling met hem gesproken,- en wij kunnen onze bevreemding niet verbergen, dat wij door denzelve thans nog eene geneeswijze zagen aangewend die te voren onder andere omstandigheden en toevallen dezer ziekte buiten twijfel doelmatig geweest is.
   
Uit de aan ons mede gedeelde berigten, omtrent den Staat dezer ziekte voor eenige maanden, zoo als toen ter tijd de President Sluis dezelve heeft bevonden, lijdt het geen twijfel of het ontstekingachtige karakter was toen in dezelve heerschende en vorderde eene geneeswijze waarin aderlatingen en Bloedzuigers te stade komen,
maar het bevreemde ons niet weinig deze verzwakkende geneeswijze nu nog in ruime mate aangewend te zien, ofschoon wij hoe naauwkeurig ook de zieken onderzoekende geene teekenen konden ontdekken die ons tot het doen van aderlatingen zouden aanleiding geven.
   
Zelfs kwam het ons min doelmatig voor de geneeswijze van de waterzuchtigen meest in alle gevallen bewerkstelligd te zien met het maken van incisien aan de beenen.
   
Dit gedrag van den Med. Doctor Sasse verwonderd ons veel te meer daar hij te voren deze geneeswijze ten sterksten had afgekeurd.
   
Indien wij ons gevoelen omtrent deze geneesheer mogen te kennen geven dan is hij ons voorgekomen, dat zijne practische geschiktheid om ziekten naar aanleiding van bijzondere omstandigheden wel te behandelen naar alle waarschijnlijkheid niet evenaart aan zijne theoretische geneeskundige kennis.
   
Wij hebben rondborstig hierover met hem gesproken en hem ernstig te kennen gegeven dat ingevolge ons geneeskundig inzigt, hier thans eene andere geneeswijze moest aangewend worden, voor al dat die uitgeteerde lijders, die de ziekte wel hadden door gestaan, maar nog zeer aan de gevolgen daarvan leden eene versterkende en opwekkende geneeswijze vorderen.
   
Hij heeft ons beloofd aan onze raadgevingen gehoor te zullen geven, het geen wij ten beste van deze ongelukkige lijders voor zeer wenschelijk houden.

Als de heren onderzoekers dan hun verslag afsluiten, wacht er nog een verrassing: de commissie splijt!! De Drentse voorzitter weigert te ondertekenen. Hij kondigt aan met een afzonderlijk rapport te zullen komen.


Wij vinden ons verpligt, eer wij dit  verslag eindigen nog iets onder de aandacht van UHoog Edel Gestrenge te brengen.
   
Uit de door den Burgemeester van Norg aan ons medegedeelden staat, aanwijzende de bevolking en sterfte van het Jaar 1824 tot 1828 zoo wel in de gemeente Norg als in de drie gestichten aldaar afzonderlijk kan men niet dan met de grootste aandoening opmerken, hoe dat dit derde gesticht van het begin af aan dat daarin kinderen zijn opgenomen een veel grootere sterfte heeft opgeleverd bij eene  mindere bevolking zelf dan het eerste gesticht door elkander jaarlijks een van de tien kinderen is overleden het welk op verre na niet in het eerste en tweede gesticht heeft plaats gegrepen, zoo als blijkt uit den Staat dien wij hierbij onder Letter C: overleggen.
   
Daar nu het algemeen zeer gemakkelijk, het geen in een gesticht gebeurd is, toegepast op al de overigen en daardoor deze heilzame instelling in de algemeene achting moet dalen, zoo deze ontzettende sterfte aanhoudt, is het ons voorgekomen, dat zoo men niet in staat moge zijn om aan deze ziekte en daarmede gepaard gaande ontzettende sterfte een einde te maken, het wel noodzakelijk zal zijn om de kinderen alle van dit gesticht te verwijderen, op dat niet de zoodanige, die reeds vooraf niet gunstig denken over eene zoodanige inrigting van wege de groote sterfte, een geducht wapen wordt in de handen gegeven, waarmede zij, in weerwil van de weldadige bedoeling, deze inrigtingen bestrijden en derzelve bij het algemeen in een zeer kwaad daglicht stellen.-
En hiermede vermene wij, aan den ons opgelegden taak met de meeste oplettenheid te hebben voldaan.
(get) S. E. Stratingh, G. A. Ramaer

De President der Provinciale Commissie  van Geneeskundig Onderzoek en toevoorzigt van Drenthe hoewel hoofdzakelijk en in zoo verre de dadelijke bevinding aangaat, met zijne mede gecommitteerden overeenstemmende vermeent echter deszelfs gevoelen ten aanzien van sommige punten in voorstaand rapport voorkomende, nader te moeten openleggen en hoopt ter vermijding van op onthoud in de afzending van het gemeenschappelijk verslag deswegens eerstdaags een afzonderlijk berigt uit te brengen.
(get) J. A. Sluis

Zoals in het rapport aangekondigd, zijn er drie bijlagen:
● Bijlage A: Een brief van burgemeester Tonckens van Norg;
● Bijlage B: Een scheikundig onderzoek van het water;
● Bijlage C: Een door Tonckens gemaakt staatje van sterfte in Veenhuizen.

Daarnaast horen hierbij nog:
● Het afzonderlijke rapport door de president van de Drentse geneskundige commissie Van der Sluis.
● De opmerkingen van het ministerie als ze alles doorstuurt naar de permanente commissie. ● De reactie van de permanente commissie van weldadigheid op de verslagen.