Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





15 juni 1829: Dokter Van der Sluis zendt zijn eenmans-rapport in

Een halve maand na de andere twee leden van de commissie komt dokter Van der Sluis met zijn rapport. Hij is het met zijn medeleden oneens over het verplaatsen van de sekreten, over de kwaliteit van het brood, de kwaliteit van de aardappelen, over de betrouwbaarheid van de informatie die bedelaars aan burgemeester Tonckens hebben gegeven, en eigenlijk over alles wat door Tonckens aan het verslag is toegevoegd.
In zijn algemeenheid schetst Van der Sluis een veel en veel gunstiger beeld van de situatie dan zijn mede-leden (laat staan Tonckens):


Aan den Heere Administrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen, residerende te ’s Gravenhage

Assen den 15 Junij 1829

Bij de onderteekening van het verslag ten gevolge UHoog Edel Gestrenge aanschrijving van 8 April 1829 N. 23 ter mijner kennis gebragt bij resolutie van den Heere Staatsraad Gouverneur dezer Provincie dato 11 daaraan N. 1 gezamenlijk met den President der Provinciale Geneeskundige Commissie van Overijssel Dr G. A. Ramaar en den Secretaris van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Groningen den Hoogleraar S. E. Stratingh, 31 Mei JL uitgebragt wegens het door ons gedaan onderzoek ten aanzien der ziekten binnen het derde Gesticht der Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen, heb ik mij ofschoon hoofdzakelijk, voor al in zoo verre de dadelijke bevinding aangaat met mijne mede gecommitteerden overeenstemmende, expresselijk voorbehouden, mijn gevoelen, ten aanzien van sommige punten in dat rapport voorkomende, nader open te leggen, onder toezegging om deswegens eerst daags een afzonderlijk berigt uit te brengen.

Mij thans van die verpligting wenschende te kwijten, zij het mij vooraf vergund aan te merken, dat ik ter zake van den geringeren afstand mijner woonplaats van de kolonien Veenhuizen, en de daardoor ontstane gelegenheid, om veelvuldige berigten in te winnen, zoo mede door mijne vroegere bezoeken in die gestichten moet geacht worden, mij over sommige punten meer bepaald aan mijne mede gecommitteerden te kunnen verklaren, en zal ik nu het algemeen verslag, zoo veel mogelijk volgende, ten aanzien van die onderwerpen, waaromtrent mij zulks noodzakelijk is voorgekomen mijne opmerkingen openleggen.

Het is waar, dat de Secreten vrij nabij de Zalen zijn geplaatst doch het komt mij zeer twijfelachtig voor, of ten dien aanzien eene verandering niet meer Schade dan Nut zoude veroorzaken; door de Secreten op eene verdere afstand te plaatsen worden de kinderen die dezelven toch op allen tijden van den dag, ook zomwijlen in den vroegen morgen, en ’s avonds laat, moeten bezoeken, aan meerdere koude (welke als eene voorname oorzaak der ziekten wordt aangemerkt) blootgesteld; terwijl ook bij verplaatsing de secreten nog altijd op het binnen plein zouden moeten blijven, en dus de onaangename uitwazeming, hoewel dan in eene mindere mate aanwezig daardoor niet zoude worden weggenomen.

De toevallige omstandigheid, dat juist tijdens onze presentie in het 3e Gesticht (24 April) de vuilnisbakken uit de secreten werden geledigd, moest eene onaangename gewaarwording bij UHEdGes Gecommitteerden doen ontstaan, vermits de uitwazeming,door de beweging, en daardoor ontstane roering der uitwerpselen, aanmerkelijk vermeerderd, te eerder de aandacht trok.

Ik geloof echter niet, dat, zoo als in het algemeene rapport is gemeld, de vuilnisbakken bijna dagelijks worden geledigd – immers heb ik bij mijne menigvuldige bezoeken in het Gesticht, nimmer waargenomen dat men daarmede bezig was, en bij die gelegenheid, was de lucht al daar niet minder zuiver, zoo niet zuiverder dan in de meeste Steden.

Daar de lediging der secreten noodzakelijk van tijd tot tijd moet plaats hebben, en even min hier als in andere plaatsen kan vermeden worden, zoude ik aanraden, dat zulks ’s avonds laat of vroeg in den morgen, terwijl de kinderen ter ruste zijn, werd gedaan waardoor ofschoon dan niet geheel weggenomen, de stank tegen den dag aanmerkelijk zoude zijn verminderd.

Het lijdt geen twijfel dat niet de inademing eener zuivere lucht voor den mensch aangenamer en voordeeliger zoude zijn, dan zich te moeten bewegen in eenen door stinkenden uitwazemingen vervuilden dampkring, maar dat de geringe stank in het 3e Gesticht te Veenhuizen zoo nadelig zoude zijn, dat daardoor ziekten zouden ontstaan, of de sluiting derzelven konde belet worden, houd ik voor zeer onwaarschijnlijk en worde ik in die meening gesterkt door de opmerking dat de Epidemie te Groningen, in 1826, in de buurt der zoogenaamde drekstoep buiten de Oosterpoort der Stad, alwaar de vuilnis en secreet mest uit de geheele Stad dagelijks wordt bij een gebragt, en verwerkt, veel later is ontstaan dan binnen de Stad, en niet eerder noch erger heeft gegrasseerd, dan in de ommestreken, en dáár toch is de stank zoo hevig dat men, vooral op warme dagen vermijden zal die plaats te passeren, het welk in gemeld Gesticht op verre na het geval niet is.

In allen gevalle kan men de secreten niet ontberen en wel de stank door verplaatsing een weinig verminderen, doch niet geheel wegnemen, en wil men dus ten dezen van twee kwaden de beste kiezen, dan zoude ik de secreten op hare tegenwoordige plaatsen laten, liever dan de kinderen aan meerdere koude vooral in den morgen en avond zoo nadelig blootstellen.

De Burgemeester van Norg zegt in zijn berigt aan UHoog Edel Gestrenge gecommitteerden uitgebragt, en bij derzelver rapport sub L A geproduceerd dat het roggen brood bij zekere visitatien door hem en Assessoren zeer slecht doorwerkt en niet meer dan half gebakken was bevonden, zoo dat zij niet konden begrijpen, dat dusdanig brood door menschen konde gegeten worden”, wordende de oorzaak daarvan, door den Burgemeester aan overgroote spaarzaamheid in het gebruik van turf toegeschreven.-

Het spreekt vanzelve dat de bevinding van den Burgemeester door mij niet kan beoordeeld, veel minder tegengesproken worden.-

De Burgemeester van Assen heeft een der brooden, door den Burgemeester van Norg, bij zijne gemelde visitatie bevonden, en bij het te dier zake opgemaakte en aan den Heere Staatsraad Gouverneur dezer Provincie, ingezonden Proces Verbaal, overgelegd, op last van Zijn Hoog Edel Gestrengen door deskundigen doen onderzoeken,

ik heb zijn Edel Achtbare gevraagd, welke resultaten die examinatie heeft opgeleverd en ten antwoord bekomen dat het brood uit zuivere rogge bestaan had doch niet gaar genoeg was geweest.

En ben ik van gevoelen, dat ieder onpartijdig beoordeelaar, ten aanzien van het gemelde brood met mij zal aanvoeren het oude spreekwoord alle baksels en brouwsels vallen niet even goed uit, immers kan ik hiertoe eerder besluiten, als om gehoor te geven aan het liefdelooze denkbeeld van den Burgemeester van Norg dat de Directie van het Gesticht opzettelijk, om eenig turf te besparen, en daardoor op een geheel baksel eenige centen uittewinnen de aan hunne zorg toevertrouwde kinderen dagelijk met ongaar brood zoude spijzigen.

Voorts zegt de Burgemeester van Norg dat den 16den en 17den februarij 1829 geen enkel brood in het magazijn en den winkel van het 3de Gesticht aanwezig is geweest”, ook hieromtrent heb ik mijn onderzoek laten gaan en is mij bericht, dat in den daad uit hoofde van Aanhoudend gebrek aan wind, zoo dat men niet konde malen, de voorraad meel was geabsorbeerd, en men daardoor een paar dagen zonder brood was geweest, en hoe zeldzaam dit mag voorkomen, is echter zoodanig gebrek, zonder dat men de Directie van nalatigheid in het daarstellen van voorzieningen kan beschuldigen, zeer mogelijk, immers weet ik mij te herinneren, dat in de stad Assen waar tusschen een aanzienlijk getal gegoede bakkers een groote mededinging bestaat, en waar dus, naar evenredigheid een grootere voorraad meel dan in de kolonien der Maatschappij van weldadigheid kan worden verondersteld aanwezig te zijn, uit gelijken hoofde hetzelfde gebrek heeft bestaan.

Ik zoude mij bij dit gedeelte des Burgemeesters verslag niet hebben opgehouden, was het niet dat ik vreesde dat men door lecture daarvan op het denkbeeld zoude geraken, dat gemeld gebrek ten nadeele der kinderen had gewerkt, om die redenen alleen heb ik dan ook op dit punt eenig onderzoek ingesteld, en kan op grond van geloofwaardige mededeelingen aan UHoog Edel Gestrenge berigten dat de kinderen tijdens dat gemeld gebrek heerschte met gort in plaats van met brood zijn gevoed, en dat zulks voor deszelven gezondheid geene nadeelige gevolgen konde veroorzaken, zal wel geen betoog behoeven.

Het geen ten aanzien van de aardappelen is aangevoerd, wil ik liefst voor overdreven houden, immers toen ik in December des vorigen Jaars de bergplaatsen voor de eetwaren in het derde Gesticht visiteerde, bevond ik, ofschoon mij ook de voorraad voor den geheelen winter niet voldoende scheen, eene aanmerkelijke partij aardappelen, welke op het oog van goede hoedanigheid schenen, ook heb ik dezelve gekookt geproefd en ze zeer smakelijk bevonden, zoo dat ik dezelve gerustelijk onder de beste soorten, welke dit gewest opleverd, durf rangschikken, hetwelk dan ook niet vreemd kan voorkomen, indien men in aanmerking neemt dat volgens de algemeene opinie opnieuw aangemaakte bouwlanden, waaruit de Kolonie Veenhuizen meestal bestaat, en die dus ook wel tot de aardappelen teelt zullen gebezigd worden, de beste en smakelijkste aardappelen worden verbouwd.

Men ontkent niet dat er bevrorene aardappelen zijn aanwezig geweest, doch ben ik tevens geinformeerd, dat toen grootere kwantiteiten zijn uitgedeeld en aan de kinderen, die dezelve moesten schoonmaken is gelast om de bevrorene weg te werpen, en dat aan die last, vermits de aardappelen aan de kinderen die ze schoonmaakten, mede tot spijzen moesten verstrekken, wel zal voldaan zijn, valt niet te betwijfelen.

De berigten ten aanzien der aardappelen in het 3de Gesticht aanwezig, door den Burgemeester van Norg bij de bedelaars Kolonisten in het tweede Gesticht ingewonnen verdienen weinig geloof, vermits het bekend is, dat die menschen zeer onvergenoegd en zelden te vreden zijn, en zulks alleen dewijl zij in de Kolonien moeten arbeiden, welk tot hun zoo ondragelijk schijnt, dat zelfs sommige opzettelijk tot wanbedrijven vervallen, ten einde daarna correctioneel veroordeeld, ten minste voor eenigen tijd van den veldarbeid ontslagen te worden, dat nu zoodanige lieden gaarne alles (buiten derzelver tegenwoordigheid) ten nadeele hunner bestuurders zeggen en nergens mede te vreden zijn, is geen wonder; ook geloof ik gaarne dat zij niet tegen den Burgemeester zullen gezegd hebben, dat zij last hebben om de bevrorene aardappelen weg te werpen, maar veel eer de slechten uitgezochten vertoond, ten einde daardoor medelijden te verwekken of hunne Directie te beschuldigen, zij zullen daarom ook geredelijk op de daartoe gedane vraag geantwoord hebben, dat in het derde Gesticht ook bevrorene aardappelen werde geëeten, en geene of alleen natte turf voorhanden was, omderhalve aan soortgelijke informatien veel geloof te hechten, vind ik niet raadzaam, beter zoude ik het achten dezelve geheel weg te laten, ter voorkoming van kwade indrukken.

Zoo ik wel geinformeerd ben, wordt het zoogenaamde aardappelen brood in de Kolonie der Maatschappij van Weldadigheid op de volgende wijze bereid de aardappelen schoon gewasschen, zorgvuldig nagezien en van ratstekeningen(?) als anderszins gezuiverd zijnde, worden in eene molen fijn gemahlen, en vervolgens in Linne Zakken uitgeperst; tot ieder baksel van 2 ½ mudde of 242 ½ Nederlandsche ponden roggen meel neemt men 150 Nederlandsche “ponden” van de uitgeperste of door de zak geloopene bestanddeelen der aardappelen, welke artikelen met bijvoeging van p.m. 1 Ned pond keuken zout gemengd, door middel eener machine gekneed, en tot de vereischte taaijheid worden gebragt, om te kunnen  worden opgeslagen, en gebakken; na gaar te zijn geworden steld men het brood gewoonlijk eenen dag ter uitwazeming en verkoeling alvorens het zelve ter voeding wordt uitgereikt.

Dit brood bestaat dus geenszins zoo als de Burgemeester van Norg aanvoert voor twee derde uit aardappelen, in tegendeel is het aantal ponden van het roggenmeel aanzienlijk meer, dan dat der aardappelen, ook is het geenszins eene vieze en walgelijke spijze, ik heb ter gelegenheid van een mijner bezoeken in het 3de gesticht (9 December 1828) en vervolgens meermalen het bedoelde brood onderzocht, daarvan geproefd, en hetzelve zeer smakelijk en goed doorbakken bevonden, ook heb ik daarvan een stuk mede genomen en aan onderscheidene aanzienlijke inwoners dezer stad laten zien, die allen met mij van hetzelfde gevoelen waren, ook stemt hiermede volkomen overeen het getuigenis van onderscheidene personen, zoo buiten als in dit gewest woonachtig welke uit belangstelling of nieuwsgierigheid de gestichten te Veenhuizen bezocht, en van het aardappelen brood geproefd hadden.

Dat de aardappelen, die tot spijze voor menschen zullen dienen van goede hoedanigheid behooren te zijn, wordt gaarne toegestemd; dat of dezelve, als tot de plantae solonaceae behoorende, een zoodanig schadelijk beginsel zouden bevatten, dat derzelver gebruik de gezondheid der menschen ondermijnen, of grootelijks benadeelen zoude, wil ik liefst daarlaten; Immers zijn er niet duizenden menschen aan wie de aardappel bijna uitsluitend tot voedsel verstrekt.

Het grootste gedeelte der Drentsche landbouwers voeden zich met aardappelen en rogge terwijl de overigen, in de veenkolonien woonachtig, in aardappelen en boekweit hun voedsel vinden, deze menschen gebruiken zelden de lig kost van knollen, rapen, kool erwten, boonen, en dergelijkes, welke dan toch aan de kinderen in de gestichten der Maatschappij van Weladadigheid op bepaalde dagen wordt gegeven; ook maken Drentsche landbouwers er zeer weinig werk van beste soorten van aardappelen te verbouwen zoo dat ze in de Hoofdplaats der Provincie, waar het meerendeel der fatzoenlijke lieden de winter voorraad aardappelen van elders trekt, geen enkele mudde zoude kunnen verkoopen, en durf ik het gerust daarvoor houden, dat de aardappelen, op de gronden der Maatschappij van Weldadigheid geteeld, de meesten der overigen in de Provincie gewonnen wordende in deugd overtreffen.

Evenwel is het eene notoriteit dat de bevolking dezer Provincie minder dan de inwoners van het meerendeel der overige gewesten dezes Rijks, met ziekten te strijden heeft, ja wordt de Drentsche landbouwer doorgaande, als een voorbeeld van gezondheid, aangehaald, zoo dat het menigvuldig gebruik van aardappelen dan toch op dezen niet ten kwaden schijnt te werken.

Doch voor een oogenblik aangenomen dat er inderdaad schadelijk beginsel in de aardappelen aanwezig was, zoude dit niet door de sterke hitte van den oven waarin het brood gebakken wordt vervliegen; leert niet de ondervinding, dat de apotheker in het bereiden van vergiftige extracten met de meeste omzigtigheid moet te werk gaan, dewijl bij eene groote hitte het principium narcoticum vervliegt en het overgelaten extract kan worden gebruikt zonder schade te veroorzaken.

Ik houd het daarvoor, dat het zoogenaamde aardappelen brood indien de aardappelen volkomen rijp zijn even zoo onschadelijk is, als dat van zuivere rogge.-

Ook heeft men even zoo wel ziekten zien ontstaan, door het gebruik van slechte rogge, als door dat van slechte aardappelen, zonder dat de rogge, immers voor zoo verre mij bekend is, tot dus verre door iemand voor vergiftig is gehouden.

Volgens verklaring van den Med. Dr. Sasse en andere geloofwaardige personen is van het vleesch der zoogenaamde gallige schapen, in het 3e gesticht volstrekt niets gebruikt, het geen in de overige etablissementen ten dien aanzien is voorgevallen, ligt niet in ons bestek, en vermeen ik, vermits zulks in allen gevalle op de ziekte in het 3e Gesticht geen invloed konde hebben, daarbij ten dezen niet te moeten stilstaan.

Bij mijne bezoeken van 2 December 1828 tot 16 Januarij 1829, heb ik niet ontdekt dat de zalen in het 3e Gesticht niet behoorlijk verwarmd waren, het gebrek aan brandstof waarvan de Burgemeester toe gewaagd, zal dan toen nog niet bestaan hebben, ook heb ik door een geloofwaardig inwoner van Norg vernomen, dat de kinderen niet zijn gebezigd om de turf van de Haulerwijk te halen, maar dat men daarvoor de boeren van Een (een gehucht in de gemeente Norg) heeft genomen. Men heeft wel de kinderen opgedragen om ze uit het veen der Maatschappij op een vierde uur afstands van het 3e Gesticht te halen, de Burgemeester zal zulks abusivelijk met elkander verward hebben of mogelijk verkeerd geinformeerd zijn geworden.

Dat nu de turf niet volkomen droog was, kan men de Directie der Kolonien niet wel ten laste leggen immers was dit een algemeen gebrek, daar de veelvuldige regen, in den zomer en herfst van 1828 gevallen, veroorzaakt, ten gevolge waarvan, evenmin hier ter stede als in de ommestreken, bijna geen drooge turf zelfs voor hooge prijzen te bekomen was.

De morsigheid der huid is door mij  niet algemeen bespeurd echter is het ontegenzeggelijk, dat men zieke kinderen, niet zoo goed als de gezonden, kan reinigen, het getal der schurftigen was bij het gemeenschappelijk bezoek grooter, dan ik hetzelve immer had aangetroffen, en derzelver tegenwoordigheid in de zieke zalen, gaf ook het geheel een onzindelijken  aanzien, ongedierte heb ik vroeger even min als nu aangetroffen.

Het zij verre dat ik zoude goedkeuren, om de schurftigen met de andere zieke of gezonde kinderen in dezelfde zalen te verplegen, en hiertegen behoorde de Med. Dr. Sasse te waken, te meer daar er zoo ik wel geinformeerd ben, een afzonderlijke zaal voor de schurftige aanwezig is.

Het geen ten aanzien van zekere ongehoorde straf welke door den Zaalopziener Bolman aan eenen Jongen zouden zijn opgelegd, door den veldwachter van Norg, daartoe door den Burgemeester opgeroepen verhaald is, houde ik voor overdreven, zoo niet ongegrond, de veldwachter meende dat geval te kunnen bewijzen, en de Burgemeester heeft op zich genomen, dienaangaande onderzoek te laten doen, had nu dit onderzoek eenig bewijs daarvoor opgeleverd, dan twijfel ik niet of Zijn Edel Achtbare zoude daarvan in zijn verslag eenige dagen later dan mij ingezonden, melding hebben gemaakt.

Ook het geen ten aanzien der opsluiting in het dooden hok gemeld wordt, geloof ik dat weinig aandacht meriteerd, ten minste zoo ik de stellige verklaringen aan mij gedaan mag gelooven, heeft zulks slechts één maal en wel bij afwezigheid van den onder directeur plaats gehad, ook waren toen in eenige dagen geene lijken in gemeld lokaal opgenomen geweest.

Ten aanzien van het voorstel om in ieder der Gestichten eenen geneeskundigen te plaatsen, kan ik mij niet volkomen met mijne mede gecommitteerden vereenigen, en vermeen ik daaromtrent mijne bedenkingen aan UHoog Edel Gestrrenge te moeten voordragen.

Op verschillende dorpen in deze Provincie moet alle genees en Heelkundige hulp, op meer dan drie uren afstands worden gezocht en zoo men eenige jaren terug gaat was dezelve nog veel moeijelijker te verkrijgen.

Het eerste en derde gesticht te Veenhuizen liggen op eenen afstand van circa een uur gaan van elkander terwijl het tweede ofschoon eenigzins nader bij het derde, dan bij het eerste tusschen beide is gelegen.-

Het schijnt mij derhalve niet onmogelijk voor eenen geneesheer, Ja zelfs niet moeijelijk, om dagelijks ééns zoo noodig twee malen de drie Gestichten te bezoeken.

Het is waar, dat de bevolking, die mogelijk 3500 zielen zal beloopen eenigzints groot is, om door éénen geneeskundigen te worden bediend, doch het is een groot verschil of men zoodanige bevolking, in eene stad van huis tot huis gaande, moet behulpzaam zijn, dan wel de lijders, zoo als meestal te Veenhuizen het geval is, vindt bij een gebragt.

Bij het onverhoopt ontstaan van algemeene ziekten, zooals sints eenigen tijd hebben geheerscht, zoude het zeker niet ondoelmatig zijn, dat er een tweede geneesheer aanwezig was, doch ongewone omstandigheden vereischen buitengewonen maatregelen en zoude niet zoo wel als te Groningen en in andere plaatsen, bij de Epidemie van 1826, van elders adsistentie werd getrokken, ook de Maatschappij van weldadigheid, desgevraagd, hulp worden verschaft.

Het zij verre, dat ik het daarstellen van meerdere gelegenheid ter verkrijging van geneeskundige hulp ondoelmatig acht, maar men dient in het oog te houden, dat eene instelling van liefdadigheid niet met de voortdurende kosten van nodeloze beambten behoord te worden bezwaard,- en dat oogpunt beschouwd, houd ik het voor voldoende, dat bij gewone omstandigheden te Veenhuizen een bekwaam Geneeskundige aanwezig is,-

Zoodanig persoon behoorde niet zoo als Dr. Sasse in het eerste maar in het tweede Gesticht (nagenoeg het middenpunt der Kolonie) gevestigd te zijn, men zou dan beter in spoed vereischende gevallen, overal kunnen  worden geriefd; en dan zoude ook een apotheek, door een geexamineerd persoon waargenomen, en in het 2de gesticht geplaatst voldoende zijn.

De bedoeling onzer Commissie was de oorzaken en den aard der Ziekte te onderzoeken, en de middelen aan de hand te geven, welke dezelve zoude kunnen stuiten, en waardoor verder soortgelijke onheilen zouden kunnen worden voorgekomen.

De ziekten hebben zich bepaald tot het 3e Gesticht, immers waren de lijders aan de heerschende ziekten bij ons gezamenlijk bezoek in het eerste Gesticht aangetroffen, uit het 3e etablissement overgebragt, zoo dat de stand der secreten, de verwarming, de voeding met aardappelen brood en dergelijken welke in het eerste en derde Gesticht volkomen gelijk zijn, niet als oorzaken kunnen worden aangemerkt, vermits de kinderen in het eerste Gesticht algemeen steeds  zeer gezond zijn, zoo dat ik mij meermalen over het gering aantal zieken bij de winkel visitatie als anders aldaar aangetroffen heb verwonderd.

In Januarij en Februarij 1829 heeft de Burgemeester van Norg het gebrek aan brandstoffen en de daardoor aan de kinderen opgelegde verpligting, om turf te halen, benevens de bevrorenen aardappelen, en het niet wel doorbakken roggen brood, ontdekt, deze omstandigheden zullen dan ook wel niet vroeger bestaan hebben, en kunnen dus ook niet wel als oorzaken der ziekten worden aangemerkt, die in November 1828 het meest algemeen waren, zoo als uit de sterflijsten ook geblijken kan.

Zonder de Burgemeester van Norg van partijdigheid, veel minder van het opzettelijk vermelden van onwaarheden te willen betichten, vermoed ik echter dat Zijn Edel Achtbare te veel geloof slaat aan de overdrevene berichten van bevooroordeelde personen.

Alle instellingen hebben hunne voor en tegenstanders, en zulks is steeds grootelijks het geval geweest met de Maatschappij van Weldadigheid de meeste landbouwers in de nabijheid der Kolonie exempt, de zoodanige, welke door bijzondere belangen tot het tegendeel werden gedreven, wraakten van den beginne alle handelingen van die Maatschappij, eenigen uit wangunst ter zake eener, naar hun inzien voordelige Koop, door sommige hunner naburen met de Maatschappij getroffen, anderen, derwijl de Maatschappij in den landbouw, als anderszins niet volgens hunne wijze van zien te werk ging, nu is het bekend, dat de meeste menschen eens tegen iets vooringenomen, ook het goede van zoodanige inrigtingen veelal miskennen en het verkeerde, het welk zij ontdekken aanmerklijk vergrooten, zoo beschouw ik dan ook, de nadelige geruchten hier en elders ten aanzien der Maatschappij van Weldadigheid, in omloop zeer overdreven, deze zullen ook aan den Burgemeester van Norg met de zwartsten kleuren zijn afgeschilderd, en hebben mogelijk eenen kwaden indruk nagelaten.

Ik ben er verre af om te zullen beweren dat op de inrigtingen het bestuur der Kolonien van de Maatschappij van Weldadigheid niets valt aan te merken, en zulks zal ten aanzien van het eerste Etablissement ofschoon de burgemeester daarvan geene meldingen maakt, ook wel het geval zijn, doch zoude men hierbij eenen zoo grooten omslag, de volmaaktheid vorderen, terwijl zelfs in ieder ook de geringste huishouding in meerdere of mindere mate gebrek heerschen, men moet beproeven het kwade te verbeteren, en daar toe heeft de Directie door gevolg te geven aan onderscheidene raadgevingen getoond volkomen genegen te zijn.

Dat men het binnen plein en de wallen om het derde Gesticht afgrave, zoo dat het gebouw behoorlijk boven de oppervlakte der omliggende gronden uitkomt, en daar door tot behoorlijke afwatering geraakt, en ik vleije mij dat de voornaamste oorzaak der ziekte zal zijn weggenomen.

Ook zoude het zeer dienstig zijn, om binnen in het gesticht voorlangs de zalen, een steenen straat (of zoogenaamd rijp) ter breedte van zes à acht voeten, te leggen, en deze tevens te leiden naar de secreten, hierdoor zouden de kinderen ook bij aanhoudende regen tegen natte en koude voeten bewaard blijven.

Het veel vuldig gebruik van peper vroeger als voorbehoed middelen tegen de ziekte, op aanraden van eenen deskundigen ingevoerd (en toen mogelijk ook niet ondienstig) kan veel nadeel toegebragt hebben, niet dat zulks als eene oorzaak der ziekte is aan te merken, maar door het aanhoudend gebruik van dit sterk prikkelend aroma, moest de dysenterie, welke ontstekenachtig was, noodwendig meer actief worden, en moet de ziekte daardoor dus aanmerkelijk zijn verergerd, te regte is derhalve ten dien aanzien, op raad van Dr Sassen, eenige wijziging daargesteld, en ik zoude dit punt niet hebben aangeroerd, was het niet, dat de peper ofschoon in mindere hoeveelheid, nog algemeen aan de gezonde kinderen door dadelijke vermenging bij de bereiding der spijzen word toegediend, waarmede ik mij niet wel kan vereenigen.

Daar nu de prikkelbaarheid bij de kinderen zoo groot is en de groote Hufeland zelfs het gebruik van bieren(?) voor dezelve hierom nadeelig houdt, zoude ik ten minste het algemeen gebruik van peper afraden.

Dat men dus, indien er eenige kinderen zijn, voor wier gestel zulks dienstig schijnt, aan deze de peper op de voor ieder bestemde portie spijze toedienen en dezelve aan de anderen te onthouden.

Eindelijk zij het mij vergund nog eene aanmerking te maken, het kwam mij namelijk voor, dat de zieke kinderen in de kribben liggende, bij het toedienen der medicamenten als anderszins, te veel aan de koude worden blootgesteld, door dien zij alleen in hunne hemden gekleed liggende, om de hals en borst niet genoeg bedekt zijn, men moest dus deze kinderen in de koude saisoenen manborstrokken en doeken of dassen voorzien, het geen hen aanmerkelijk verwarmen en de transpiratie bevorderen zoude.

En hiermede vermenende aan mijne verpligting te hebben voldaan, verzoek ik UHoog Edel Gestr het gebrekkige in dit verslag gunstig te willen verschoonen.

De President der Provinciale
Commissie van Geneeskundig
Onderzoek en Voortoezigt
in Drenthe
get/  J. A. Sluis

Voor Ensluidend afschrift
De secretaris Generaal
bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken
Wenckebach