Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





20 augustus 1829: De officiŽle reactie van de permanente commissie op het geneeskundig rapport


”p 20 augustus 1829 stuurt de permanente commissie haar antwoord op het 25 juni aan haaar gezonden rapport van de presidenten van de provinciale geneeskundige commissies in Overijssel en Groningen. Kort samengevat: er is niets van waar! Alles wat in het rapport beweert wordt, wordt ontkend en alle voorstellen die er gedaan worden, worden afgewezen. Invnr 98:


ís Gravenhage den 20 Augustus 1829

De Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid

Besluit aan den Heer Adminstrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen te schrijven als volgt:

Ten gevolge van het door ons gedane voorstel is door UWHEdG eene Commissie benoemd geworden om in loco op te nemen de oorzaken van de meerdere ziekten en sterften in het 3e Gesticht te Veenhuizen, en de middelen na te gaan welke tot wering van dezelve bereids waren in het werk gesteld of nog zouden behooren te worden aangewend.

Bij eene missive van den 25 Junij JL N. 43, heeft UwHEdGes het verslag dier Commissie mede gedeeld, en tevens daarbij den wensch te kennen gegeven, dat door ons, na gedaan plaatselijk onderzoek, op al de bijzonderheden van dat verslag zou worden geantwoord.

Bij de ontvangst van UwHEdG missive besloten wij dat onderzoek aan een onzer medeleden welke eerlang zich naar de kolonien zou begeven, op te dragen, doch terwijl op dat oogenblik een ander onzer leden zich juist in de kolonien bevondt belaste dat lid zich met een voorloopig onderzoek, waarvan wij ons haasten UwHEdG den uitslag mede te deelen.

Alvorens kunne wij UwHEdG niet ontveinzen dat het rapport van de twee leden der geneeskundige commissie geenszins op ons die overtuigende uitwerking heeft gehad, welke hetzelve bij UwHEdG schijnt te hebben nagelaten, daar vele, zoo niet de belangrijkste daadzaken op eene ontegensprekelijke wijze in het rapport van den President der Provinciale Geneeskundige Commissie van Drenthe zijn wederlegd en diens gevoelen ons is voorgekomen zoo veel vertrouwen te bezitten, als steunende op eene ondervinding van vroegere opnemingen en onderzoekingen, terwijl, in het rapport van de twee leden der Commissie, hoofdzakelijk ten grondslag schijnt gelegd het berigt door den Burgemeester van Norgh, mondeling en schriftelijk gegeven, een berigt, dat door ís mans verregaande partijdigheid en volslagen gebrek aan waarheidsliefde bij zoo vele gelegenheden aan den dag gelegd, en waarvan de oorzaken aan UwHEdG niet onbekend zijn gebleven, ons het grootste wantrouwen moet inboezemen.

Wij gaan van de gegrondheid van dit ons gevoelen het bewijs geven, door zoo veel mogelijk het rapport van de twee leden der Commissie op den voet te volgen, ten einde daarop naderhand terug te komen indien een nader onderzoek dit nuttig of noodzakelijk mogt doen zijn.

Het rapport vestigt in de eerste plaats de aandacht op de algemeene oorzaken der ziekelijkheden in het 3de Gesticht, beschouwt vervolgens meer bijzonder de ziekte zelve, die er geheerscht heeft en neemt daaruit eindelijk aanleiding om de middelen aan te wijzen, welke tot stuiting van dezelve zouden behooren te worden aangewend.

Overgaande tot de behandeling van het eerste deel wordt de plaatselijke gesteldheid in den eerste plaats in overweging genomen.


De eerste ongunstige omstandigheid, welke wordt aangevoerd is de hooge ligging van het binnenplein, zoo dat men uit het midden van hetzelve op het gebouw, als in de laagte gelegen zoude nederzien.

Zij die de localiteit van het Gesticht niet kennen, zouden zich daarvan, wanneer zij op deze in het midden gebragte opmerking afgingen, geen zeer juist denkbeeld vormen; want zoo verre is het er van verwijderd, dat deze opmerking op de waarheid gegrond zou zijn, dat het hoogste gedeelte van het plein in het midden naauwelijks eene nederlandsche el zal bedragen boven de oppervlakte van den vloer der zalen, welke allen gelijkvloers zijn ingerigt. (het hoogste gedeelte van het binnenplein ligt een meter hoger dan de zaalvloeren)

Neemt men  nu in aanmerking, dat het bewuste plein van eene vierkante gedaante eene uitgestrektheid beslaat van 14,884  □ ellen, en alzoo ongeveer van 1 Ĺ bunder, zoo valt het moeijelijk om eenig geloof te hechten aan de verklaring, dat de hoogte van het plein eene somberheid aan de vertrekken zou geven, of den vrijen toegang der lucht in de zalen belemmeren.

De aangevoerde daadzaken kunnen ook te minder als eene der algemeene oorzaken van de ziekte worden erkend, bij de overweging dat in zeer vele plaatsen en steden in ons Vaderland wel grootere ongelijkheden in den grond worden waargenomen, zonder dat er de gevolgen aan worden toegeschreven, welke men, ten aanzien van het Gesticht te Veenhuizen, daaruit wil hebben afgeleid.

Wel is waar, dat de bedoelde hoogte van het plein het water, vooral bij zware regens, naar het gesticht doet afvloeijen, doch eene breede sloot is bestemd om dat water af te leiden, terwijl er steeds gezorgd wordt om de uitwatering zoo veel mogelijk te bevorderen, ten einde dat gene te weren, wat in het algemeen van eene schadelijke uitwerking op de gezondheid zou kunnen zijn, gelijk men dan ook op het oogenblik, dat de Commissie zich op de plaats bevond, bezig was daaraan eenige herstelling en verbetering te brengen.

Dat wijders het water in de goot des Zomers nadeelige uitwasemingen kan verspreiden, erkennen wij, doch wij kunnen moeijelijk gelooven dat dit van erger gevolgen zou zijn dan die der Slooten en grachten in vele dorpen en aanzienlijke Steden van ons rijk, alwaar dezelve wel in eenen grooteren graad van vuilheid en onreinheid zullen worden gevonden, terwijl wij wijders weinig geloof kunnen hechten aan de getuigenis der berigt gevers als zoude de Sloot van het 3de Gesticht, op den dag der opneming (24 of 25 April) op sommige plaatsen eene zeer onaangenamen stank hebben opgeleverd, in tegenstelling  met het 1ste en 2de Gesticht, alwaar men op de binnenpleinen eene zuiverder lucht zou inademen, omdat aldaar geene slooten of gooten zouden gevonden worden.

Oppervlakkig moet die getuigenis hare grootste kracht ontleenen uit de tegenstelling, maar de ongeloofwaardigheid van dezelve en de ongegrondheid der gevolgen, welke men uit deze daadzaak wil hebben afgeleid, moet in het oog vallen bij de opmerking, dat de binnen pleinen van het 1e en 2de Gesticht wat er de Commissie ook van zeggen moge niet minder van Slooten zijn voorzien dan het 3de Gesticht en daarenboven nog minder goed afwateren.

Wij laten de waarde van zulke opnemingen geheel aan hare plaats, maar ongerijmd zou het zijn de aangevoerde daadzaken in verband te willen brengen met den gezondheids toestand van het 3e Gesticht, daar de bewering die er op gegrond wordt, in zoo verre door de ondervinding reeds is gelogenstraft, dat, nu de nieuw aankomende kinderen niet meer in het 3de maar in het 1ste gesticht worden opgenomen, de ziekten in het laatstgemelde die van het 3de gesticht overtreffen.    

Intusschen zal het punt der afwatering voornamelijk onze aandacht gevestigd houden en daarin al die verbeteringen worden gebragt welke als nuttig of gewenscht kunnen worden beschouwd, en voor welke daarstelling door een onzer leden, welke zich thans in loco bevindt, zal worden zorg gedragen.

Ook de buiten grond van het 3e Gesticht is de aandacht der Commissie niet ontgaan, als veel te hoog zijnde, om niet den vrijen luchtstroom te verhinderen.

Wij moeten daaromtrent aanmerken, dat de stand van het water in de buitengrond eenige voeten lager is dan de vloeren der zalen, terwijl indien de hoogere buitengrond de vrije doorstrooming van de lucht zoude belemmeren, dit alleen toch maar nadeelig zou kunnen zijn voor de bewoners van de buiten zijden van het Gesticht en deze buiten zijden worden niet door de kinderen bewoond, maar door arbeiders en anderen, onder welke de gezondheid steeds allergewenscht is geweest.

UwHEdG. zal het ons dus ten goede houden dat zij de ligging van den grond niet als eene der oorzaken van de ziekten en sterften kunnen beschouwen, en wij vinden dan ook geene vrijheid om tot het slechten van denzelven en wat daar eerder mede in verband staat over te gaan, en zulks omdat de aanzienlijke uitgaven, welke dit zoude vereischen, bij al de reeds vruchteloos aangewende kosten wat meerderen grond behoorden te hebben dan daarvoor is aangevoerd.



De tweede omstandigheid welke wordt in het midden gebragt is de plaatsing van de Secreten, in de nabijheid van het Gesticht.

Wij moeten daaromtrent aanmerken dat overal elders de secreten in of kort bij de woningen zijn geplaatst, terwijl de bedoelde Secreten zich op een afstand van 2 tot 6 roeden van het gebouw bevinden en nog wel op een plein, welks hoogte voor de verspreiding der uitwaseming in den dampkring alle zins bevorderlijk moet zijn.

Daarenboven zijn de Secreten bij het 1e  Gesticht op een veel kleineren afstand bij het gebouw geplaatst dan bij het 3e Gesticht, en kan alzoo de plaatsing der secreten in het algemeen niet zulk eene uitwerking op de gezondheid hebben, als men het wil doen voorkomen, doch, hetgeen door den Heer President der Provinciale Geneeskundige Commissie van Drenthe wordt tegengesproken.


De Mesthopen, welke in de nabijheid van het gebouw zich bevinden, hebben in de derde plaats de aandacht der Commissie tot zich getrokken.

Het nadeel, dat hieruit zou kunnen voortspruiten, is geheel tijdelijk, daar, wel is waar die mesthopen aanwezig waren op het oogenblik der inspektie, doch om naar het veld te worden gebragt, terwijl indien daartoe geen spoedige gelegenheid bestaat, de mesthopen met zand of plaggen worden bedekt ten einde dezelve niet te doen uitdroogen en op dat alzoo de vermindering van derzelve waarde zoude worden voorgekomen, gelijk dan daardoor ook van zelve de mogelijke schadelijkheid voor de gezondheid wordt weggenomen.

Wat de zindelijkheid der zalen betreft wordt daarvan voor het tegenwoordige eene gunstige getuigenis afgelegd. Wij kunnen UwHEdG de verzekering geven, dat het daarmede altijd even goed gesteld is.

Te aanzien van de tuimelramen en luchtgaten, moeten wij aanmerken, dat de eerste zoo hoog mogelijk zijn gemaakt, terwijl de laatste thans even als in het 1ste  Gesticht van schuiven zijn voorzien.

Met betrekking tot de trechters of kokers ter bevordering van den vrijeren doortogt der lucht, kunnen wij UwHEdG bij herhaling van ons rapport van den 6de Februarij ll N. 116 verzekeren, dat er werkelijk zulke kokers of buizen aanwezig zijn, die, door het dak gaande, de binnen lucht in verband brengen met de buitenlucht, terwijl wij, naar den gegeven raad, dezelve des nachts van onderen aan met brandende lampen zullen laten voorzien, om de zuivering van de lucht des te beter te bevorderen.

Wijders moeten wij, in het algemeen, UwHEdG doen opmerke, dat de inrigting der gebouwen, naar de verschillende gevoelens, steeds voor verbetering vatbaar blijft, maar dat het ons enigszins vreemd is voorgekomen de ziekte oorzaak nu eens in eene te groote luchtigheid der zalen, dan weder in derzelver bedomptheid gezocht te zien.

De laatste bijzonderheid in dat gedeelte van het rapport behandeld betreft de verwarming der zalen. Men is van oordeel, dat de kagchels door derzelver geringe omvang en maaksel geene genoegzame warmte zouden kunnen opleveren, veel minder in staat zijn, zoo veel kinderen te verwarmen, aangezien toch maar een klein gedeelte zich rondom de kagchel zoude kunnen plaatsen, gelijk dan ook naar de getuigenis van onderscheidene personen, die in den vorigen winter op een kouden dag het Gesticht hebben bezocht, de kinderen door de koude blijkbaar zouden hebben geleden en dit naar het oordeel der berigtgevers tot de ziekten aanleiding zou hebben gegeven.

Wij weten niet waarover wij hier ons het meeste moete verwonderen, of over het weinige oordeel door de berigtgevers aan den den dag gelegd, of over de aanvoering van onbewezene daadzaken.

Vooreerst toch is het eene stelling, die dadelijk door de ondervinding wordt tegengesproken, dat eene kleinere kagchel niet in staat zou zijn een vertrek met menschen opgevuld, behoorlijk te verwarmen, terwijl het buiten tegenspraak is, dat eene kleine kagchel of vuurhaard een vertrek waarin zich een groot aantal menschen bevindt, veel eer in eene behoorlijke staat van verwarming zal brengen, dan eene groote in eene zaal, waar zich in het geheel geene menschen ophouden.

Bij de beoordeeling dus van de genoegzaamheid der middelen van verwarming, zou men in eene omgekeerde rede met de Commissie moeten te werk gaan.

Daarenboven kan de koude moeijelijk als eene oorzaak worden aangemerkt van de ziekte, daar het bekend is, en het de twee leden der Commissie ook niet verborgen kan zijn gebleven, dat de ziekte reeds in September een aanvang heeft genomen en reeds vroeger in den Zomer geheerscht heeft.

Ten andere moeten wij de geloofwaardigheid der in het rapport ingeroepene getuigenis grootelijks in twijfel trekken, niet alleen om dat geene opgave wordt gedaan der personen welke bedoeld worden, maar voornamelijk om dat een der grootste tegenstanders van de Maatschappij, de Burgemeester van Norgh, in wiens verklaringen de twee leden der Commissie een grooter vertrouwen schijnen te stellen dan in die der hoofd en verdere ambtenaren der kolonien, en wiens geloofwaardigheid door hen althans niet betwijfeld zal worden, op den dag dat de koude in den afgeloopen winter op het hoogste was, de Zalen bezoekende, aan een der Adjunkt Direkteuren van de genoegzaamheid der verwarming getuigenis heeft gegeven, waarop die ambtenaar hem verklaard heeft zich te zullen beroepen indien het nood was, terwijl wij nog daarbij moeten voegen, dat de Burgemeester bij dat bezoek met grooten spoed de zalen doorliep, van de groote warmte juist hinder gevoelende, en deze daadzaak komt ons voor vrij wat meer overeenkomstig met de waarheid te zijn.


Na alzoo het eerste gedeelte van het rapport te hebben afgehandeld gaat de Commissie in het tweede over tot de meer bijzondere beschouwing van de ziekte, voornamelijk de aandacht vestigende op de voeding en verzorging en hetgeen daarmede in verband staat.

De getuigenis door de Commissie ten aanzien der voeding afgelegd, kan niet gunstiger zijn, doch, ofschoon in volkomen overeenstemming met vroegere bevindingen, begreep zij nogtans, hare eigene waarnemingen en inzigten, als het ware mistrouwende, de getuigenis van geloofwaardige personen buiten het Gesticht te moeten inwinnen. Vanzelf, zegt de Commissie, werd hare aandacht gevestigd op den Burgemeester van Norgh in welke gemeente namelijk de gestichten gelegen zijn, en van wien zij dan ook zeer belangrijke bijzonderheden vernam.

De Commissie kon in dezen geen ongelukkiger keuze hebben gedaan, en het verraadt onzes inziens, te weinig oordeel en menschenkennis de getuigenis van eenen enkelen, wiens partijdigheid en vooringenomenheid tegen de Maatschappij ieder in het oog moeten vallen, te stellen boven die bij elke gelegenheid en ook bij  de opneming der Commissie, door het geven van alle inlichtingen en berigten, de ondubbelzinnigste bewijzen hebben aan den dag gelegd van hunne goede trouw en van hunne hartelijkste begeerte, om eindelijk de middelen te zien gevonden tot wering eener ziekte, waarover tot heden wel veel geredeneerd is en waartegen door de Maatschappij reeds zoo veel is aangewend, doch waarvan, wat men er ook van zeggen moge, de eigenlijke oorzaken nog niet zijn ontdekt.

Wij moeten het dan ook bejammeren in dat gedeelte van het rapport zoo weinig licht over deze zaak verspreid te zien en nog meer dat daarin hoofdzakelijk de berigten van de Burgemeester van Norgh gevolgd zijn, hetgeen noodwendig tot geheel verkeerde gevolgtrekkingen en raadgevingen heeft moeten leiden, en die daarom voor ons ten eenen male van waarde zijn ontbloot en wel verre af zijn van het doel te bereiken dat wij ons hadden voorgesteld, toen wij UwHEdG uit eigene beweging in Consideratie gaven, om zulk eene Commissie te benoemen.-


De gegrondheid van deze onze bedenkingen zal overtuigend blijken, wanneer wij de Commissie in hare aanmerkingen weder op den voet volgen.-


De eerste aanmerking geldt het roggenbrood tevens met aardappelen bereid. Behalve dat wij ons te dezen gedragen aan het geen wij de eer hadden UwHEdG reeds bij een rapport van den 1e Maart JL N.190 te doen kennen, kunnen wij nu nog in bijvoegen, dat bij nader onderzoek gebleken is, dat in het tweede gesticht (alwaar ook voor het 3de wordt gebakken en hetgeen alzoo de aanmerking opheldert, dat namelijk in het magazijn en den winkel van het laatstgemelde gesticht bij twee visitatiŽn geen enkel brood zou zijn gevonden) slechts ťťn baksel minder goed doorwerkt en gebakken is bevonden, iets hetgeen in gewone bakkerijen niet zeldzaam is.- Wij mogen echter grootelijks betwijfelen of dit voor eenen enkelen keer wel zoo schadelijk zij.

Wat de aardappelen betreft, wij ontkennen ten stelligste, dat deze van de slechtste soort zouden zijn, en het is alleen voor de kwaadaardigheid van den Burgemeester te Norgh bewaard gebleven om de Maatschappij ten laste te leggen, als zoude deze de kinderen met bevroren en verrotte aardappelen hebben gevoed.

De waarheid is, dat alleen in de felle koude eenige aardappelen bij den vervoer bevroren zijn geraakt. Wij gelooven wel niet, dat de vorst de deugdzaamheid van de aardappel bevordert; maar wij kunnen toch ook niet aannemen, dat het gebruik van bevroren aardappelen dat hier toch in een zeer geringe mate heeft plaats gehad, zoo schadelijk voor de gezondheid zoude zijn.-

Integendeel meenen wij gerust te mogen stellen, dat het gebruik van bevroren aardappelen, mits dezelve door eene natuurlijke dooi niet tot den staat van bederf zijn overgegaan, ofschoon dan ook zoo aangenaam niet op zich zelf in het minst niet nadeelig is.

En zou men in dezen afgeloopen strengen winter althans, toen op zoo vele plaatsen de aardappelen bevroren zijn, niet meer algemeen van ziekten hebben moeten hooren, indien het gebruik van dezelve zoo nadeelig voor de gezondheid ware?-

Zonderling, om daaraan geen anderen naam te geven, is de gevolgtrekking der berigt gevers, welke hier ook weder uit het oog schijnen te verliezen, dat de ziekte reeds vůůr den winter geheerscht heeft, en dat zij alzoo niet door het eten van bevroren of, naar haar liefdeloos vermoeden, verrotte aardappelen kan zijn ontstaan.

Ofschoon de berigtgevers zich niet inlaten willen met de beantwoording der vraag nopens de gezondheid van het zoogenaamde aardappelbrood voor nieuw aankomende, stipt zij echter ter loops aan, wat bij de bereiding van dat brood moet worden in acht genomen.

Wij zouden ons te dien aanzien kunnen houden zoo wel aan het deswegen aangevoerde door den Heer Sluis als aan hetgeen de vroegere waarnemingen van geleerden en bevoegden hebben aan den dag gebragt, en voornamelijk aan het geen een voornaam scheikundige de Lector Mr. N. Beets, wiens berigt wij de eer hadden bij ons rapport van den 8 Junij LL ter kennis van UwHEdG te brengen deswege heeft getuigd, indien wij UwHEDG niet opmerkzaam moesten maken op eene onnaauwkeurigheid der rapporteurs wier raadgevingen overigens geheel overtollig zijn, en welke, indien zij zich daarvan hadden willen overtuigen, even als de Heer Sluijs de verzekering hadden kunnen bekomen, dat de bereiding van het brood weinig of niets te wenschen overlaat.-

De bedoelde onnaauwkeurigheid is, dat het brood uit een derde rogge en twee derden aardappelen zoude bestaan. De waarheid intusschen is, dat wel is waar op een deel rogge twee deelen aardappelen worden genomen, doch niet minder waar is het, dat de aardappelen geraspt en uitgeperste worden en dat zij daardoor meer dan de helft in volume verliezen, zoodat het brood eigenlijk kan gezegd worden slechts voor 2/5 uit aardappelen meel en voor 3/5 uit rogge te zijn zamen gesteld.

Het geen daarenboven het pleit nopens de meerdere of mindere deugdzaamheid van het dus genaamde aardappelbrood, op de overtuigendste wijze beslist is, dat dit brood niet slechts ook in het 1e Gesticht wordt gegeten alwaar de sterfte minder is geweest dan in de gemeente Norgh (de gestichten daaronder niet begrepen) maar ook in de koloniŽn wordt gebruikt, alwaar de sterfte over drie achter een volgende jaren driemaal geringer is geweest dan die over het geheele rijk als hebbende slechts 1 van de 120 zielen ís Jaars bedragen.- Zulke daadzaken doen alles af, en waar deze spreken mogen men zich veilig van alle betoog ontslagen achten!-


De tweede aanmerking geldt het vleesch, wordende door den Burgemeester getuigd dat de bevolking van het 2e en 3de gesticht in den verleden herfst met vleesch van gallige schapen is gevoed, welke in groote menigte zouden zijn geslagt.     Wanneer de geneesheer, die daarover door de Commissie opzettelijk is gehoord geworden, en al de ambtenaren op het minst zoo veel geloof verdienen als de Burgemeester van Norgh, wanneer wij zelve eenige geloofwaardigheid bezitten, dan kunnen wij volstaan met de bloote ontkenning dezer daadzaak en moet UwHEdG het ons ten goede houden dat wij die aantijding voor grove laster verklaren.

De schapen, welke de Burgemeester bedoelt waren niet gallig, maar slechts mager, en indien de schatter voor het slagtvee dezelve op eene zoo geringe waarde heeft gesteld, is daaruit nog geen bewijs te ontleenen voor de waarheid van het door den Burgemeester aangevoerde, als zouden de velden als bedekt zijn geweest met de gallige schapen, welke aan die ziekte gestorven waren, zich moeijelijk laat overeenbrengen met die dat de gallige schapen zouden geslagt zijn tot voedsel voor menschen.-

Het geen wordt aangevoerd, dat bij de toediening van het vleesch aan de kinderen in het 3de Gesticht vooral in aanmerking moet worden genomen, spreekt meestendeels vanzelf, trouwens men had zich deze uitweiding kunnen besparen, daar erkend wordt dat de kinderen in het Gesticht meestal op de voorgedragene wijze gevoed worden.

Intusschen kunnen wij niet zien, dat de toediening van veel vleesch op eenige dagen, zoo als de Commissie wil, in plaats van dezelfde hoeveelheid over al de dagen, zoo veel aanbeveling zoude verdienen, en zoude er voor de door ons aangenomene wijze vrij wat zijn in het midden te brengen.


De derde aanmerking heeft betrekking tot de koude welke de kinders dezen winter zouden hebben geleden, uit gebrek aan turf ontstaan.

Ofschoon de voorraad van turf, gelijk UwHEdG uit ons rapport van den 2 Maart LL N178 reeds bekend was zoo uit hoofde van de veelvuldige en langdurige regens van den vorigen nazomer, als ter zake van de buitengewone strengheid van het weder in den afgeloopen winter niet geheel genoegzaam is geweest, om in de behoefte te voorzien, is het echter verre van verwijderd, dat de kinderen gebrek zouden hebben geleden, daar de oudste jongens uit het gesticht die toen toch geen ander werk verrigten konden, gebruikt zijn geworden, om de brandstoffen op eenigen afstand buiten het Gesticht te halen.

Hierboven hebben wij omtrent de genoegzaamheid der verwarming, naar het eigen getuigenis des Burgemeesters, reeds het noodige aangevoerd, en wij onthouden ons dus van verdere aanmerkingen, terwijl wij alleen er nog bijvoegen dat in het 1e Gesticht alwaar de sterfte zoo als boven is opgemerkt beneden het peil is gebleven van die in de gemeente Norgh waargenomen, dezelfde soort en gelijk aantal van kagchels wordt gestookt als in het 3de, en dat in het eerstgemelde de voorraad van turf niet grooter is geweeest dan in het laatstgemelde Gesticht, uit welk een en ander onzes inziens noodwendig moet voortvloeijen, dat het vermeende gebrek althans geen oorzaak van de ziekten kon zijn, voorondersteld, dat dezelve zich eerst na den afloop van den winter had geopenbaard, hetgeen nogtans het geval niet is, doch hetgeen de berigtgevers altijd schijnen te gelooven, ook wanneer zij de mogelijke onderdrukking van de uitwaseeming der huid, na dat de Jongens den turf hadden gehaald, als oorzaak willen hebben aangemerkt van de heerschende ziekte.


Het tweede onderdeel van dit tweede gedeelte van het rapport der Commissie is toegevoegd aan de beschouwing van het Drinkwater.

Wij hebben met opmerkzaamheid het daarover gedane verslag van den Hoogleeraar S. Stratingh gelezen en daarin vele wetenswaardige bijzonderheden ontdekt, welke ons van de nuttigheid en doelmatigheid der door ons in het 3e Gesticht bereids voorlang ingevoerde filtratie van het water hebben overtuigd,- hoezeer wij niet kunnen ontveinzen, dat de schadelijkheid van het ongezuiverde water zoo groot niet moet zijn, als men wel zou gelooven, daar in het 1e en 2e gesticht het water ongefiltreerd gebruikt wordt ofschoon van dezelfde soort en hoedanigheid als in het 3e Gesticht.


Het derde onderdeel gaat de zindelijkheid aan, vooral van de huid. Wij zijn volkomen overtuigd van het groote nut, dat er in de wering van alle ziekelijke ongesteldheid van de huid gelegen is, als de vruchtbare oorzaak van menigerlei ziekten en gebreken.

Het is echter bekend, hoe groot het aantal der genen onder de aankomenden is, die met huidziekten zijn aangedaan en welke bij velen niet zoo spoedig te overwinnen zijn, welke bijzondere zorg er ook voor gedragen worde.-

Dat voorts de kinderen bijzonder van ongedierte zouden te lijden hebben, is door de Commissie niet ondervonden of waargenomen, integendeel verklaart zij daarvan niets te hebben bespeurd en de geloofwaardigheid van den door haar bedoelden persoon die de kinderen buitenmate met ongedierte en daaruit ontstane zweren heeft bevonden, moet niet zeer groot zijn, niet alleen omdat deszelfs naam door de Commissie wordt verzwegen, maar ook omdat wij geen inspectie in de koloniŽn verzuimen zonder daar naar onderzoek te doen, en dat wij bij zulke gelegenheden het altijd zoo bevinden als de Commissie.

Wij kunnen UwHEdG daarenboven nog verzekeren, dat ons boven vermeld medelid bij zijn verblijf in de koloniŽn dit punt opzettelijk heeft onderzocht, en tegenwoordig is geweest bij het kammen van 25 a 30 Jongens en dat bij allen te zamen naauwelijks een twaalftal van dat ongedierte werd ontdekt, en, bij de ondervraging der Jonge lieden wegens dit werk, bleek het niet ondubbelzinnig dat de drukke herhaling van hetzelve door menig een voor een lastig bezwaar en eene ware plaag werd gehouden.


Het vierde en laatste onderdeel betreft de zedelijke behandeling der kinderen, waaromtrent den berigtgevers twee zaken zijn voorgekomen, welke zij  niet kunnen verzwijgen.

De eerste is de bestraffing door den Zaalopziener Polman in het werk gesteld ten aanzien van een Jongen, welke zijn bed had bevuild, en die ten gevolge dezer bestraffing was gestorven. Indien wij zoo veel geloof verdienen als de ongenoemde veldwachter, van wien de Rapporteurs zeggen deze zaak te hebben vernomen, dan kunnen wij volkomen volstaan met UwHEdG de verzekering te geven, dat dit alles een verzinsel is, en dat van de zaak alleen dit waar is, dat de vorige Heelmeester van het Gesticht, de Heer Smit, op zekeren tijd een Jongen, welke de gewoonte had zich te bevuilen, na hem eens en andermaal gedreigd te hebben om hem door zijn eigen vuil te wrijven, indien hij niet zindelijk werd, tot het uitvoeren dier bedreiging zich eindelijk heeft genoodzaakt gezien, zonder dat echter de welstand van dezen jongen hierdoor iets geleden heeft, hetwelk trouwens ook niet ligt te duchten was, en deze Jongen is niet dood maar werkelijk nog in het gesticht aanwezig.

De berigtgevers hebben zich hier dus weder iets laten diets maken, terwijl het ons ten hoogste verwonderd den naam des Veldwachters niet genoemd te zien, daar hun doel bij de aanmelding van dit voorval toch ook was om den veldwachter, indien het na onderzoek bleek, dat hij zich aan laster had schuldig gemaakt zijn verdiend loon te doen ondergaan.

Wij meenen derhalve UwHEdG in overweging te moeten geven, om deze zaak nader te doen onderzoeken en vooral opgave te laten doen der namen van den Veldwachter en van den Jongen terwijl eerstgemelde daarenboven verpligt zouden kunnen worden redenen van wetenschap te geven van het door hem aangevoerde.


Het andere betreft de wijze van bestraffing, door opsluiting der kinderen in het doodenhok.
Wij hadden voor de eer der rapporteurs gewenscht, dat zij aan verhalen en geruchten wat minder geloof hadden gehecht, want in het algemeen is men nimmer minder beveiligd tegen afdwalingen in zijn oordeel en gevolgtrekkingen, dan wanneer men zich verlaat op het geen anderen zeggen of verhalen, en is men niet zelden verpligt, bij nader onderzoek zich voor misleid te houden.

De rapporteurs geven daarvan in het onderwerpelijke geval zelve een voorbeeld en wij stappen dus hiervan af.



Wij zijn nu genaderd aan het derde gedeelte van het rapport der Commissie, door haar zelve vermeld als betrekking hebbende tot de zieken derzelver verzorging en geneeskundige behandeling.

De ZiekenZalen trekken in de eerste plaats de aandacht der Commissie. Wij kunnen UwHEdG verzekeren, dat derzelver verwarming gedurende den winter wat men er ook van denke of gelooven moge, even zoo min als die in de overige zalen, iets te wenschen hebben overig gelaten.

Wat betreft de ongenoegzaamheid der ruimte van dezelve, wij kunnen niet ontkennen dat de ziekenzalen ruimer konden zijn, doch het aantal zieken was ook buiten alle evenredigheid met de gewone verhouding.

De afzondering der zieken houden wij met de Commissie voor zeer wenschelijk, gelijk dan ook de kinderen met huidziekten aangetast, wel degelijk in een ander vertrek zijn geplaatst, en alleen de zieken onder dezelve zich in de eigenlijke ziekenzaal bevinden.

Het was slechts tijdens dat de Ziekte op het hevigst was dat men zich gedrongen heeft gezien eenige weinige kinderen met huidziekte bezocht in hetzelfde vertrek met de andere kranken te plaatsen vanwaar men hen ook weder zoo spoedig de ruimte dit toeliet naar elders heeft overgebragt.

De verwijderde ligging der Gestichten en de moeijlijkheid om de zieken alzoo door eenen geneesheer behoorlijk te doen behandelen is een tweede zaak waarbij de commissie stil staat, doch waaromtrent de Heer Sluis met haar in gevoelen verschilt.

De beide uitersten der Gestichten zijn niet meer dan vijf kwartier gaans van elkander verwijderd, en onder gewone ja zelfs meer dan gewone omstandigheden kan een geneesheer volkomen in de dienst voorzien; de ondervinding heeft dat bewezen, en in dat opzigt hebben wij het gevoelen van bovengemelde Heer voor ons.

Men gelieve daarbij in het oog te houden dat de Geneesheer voor de betere uitoefening zijner dienst een paard houdt, waarvoor hem door de Maatschappij het voeder wordt gegeven.

Intusschen erkennen wij dat het in sommige gevallen noodzakelijk zoude kunnen zijn den Geneesheer buitengewone hulp toetevoegen en daartoe zullen wij ons nimmer ongenegen betoonen, indien de noodzakelijkheid van zulk een maatregel ons wordt aangewezen, terwijl wij mede de nuttigheid erkennen dat de Geneesheer in het 2e Gesticht, als meer in het middenpunt gelegen, wone, en wij wijders op dit oogenblik in overweging nemen om hem een buiten gewoone adsistent toetevoegen.

Dat echter de tegenwoordige geneesheer tijden zoude hebben gehad, waarop hij bij de 300 recepten daags zou hebben moeten schrijven is minder naauwkeurig, daar die Geneesheer ons verklaard heeft, dat het grootste getal geschreven recepten slechts 230 heeft bedragen.

De apotheek heeft ten derde een punt van onderzoek opgeleverd.

De geneesmiddelen zijn door de Commissie volkomen goed bevonden, maar zij maakt aanmerking daarop, dat de apotheker een ongeexamineerd persoon is.

Hoewel deze apotheker werkelijk niet geŽxamineerd is, heeft hij echter menigvuldige proeven zijner bekwaamheid gegeven en zal eerstdaags ook zijn examen afleggen, waartoe de geneesheer alle moeite aanwendt om hem bekwaam te maken.

Eindelijk beschouwt de Commissie ten vierde de ziekte zelve en derzelver oorsprong. Wij zijn niet bevoegd de wetenschappelijke waarde dezer beschouwing te beoordelen, maar dit kunnen wij UwHEdG verklaren dat noch deze noch andere beschouwingen ons zijn voorgekomen eenig nieuw licht te verspreiden over de vraag hoe het toekomt dat in het 3de Gesticht, onder dezelfde  of liever onder nog gunstiger omstandigheden meerdere ziekten en sterften onder de kinderen plaats hebben dan in het 1e Gesticht, eene vraag wier beantwoording veel  verder moet gezocht worden dan men het wil doen gelooven.

Intusschen zijn wij, gelijk het UwHEdG reeds bekend is en hierboven door ons is opgemerkt, begonnen de nieuw aankomenden niet meer in het 3de Gesticht op te nemen, maar in het eerste en hiermede is tevens voldaan aan den wensch der Commissie ook in het slot van haar rapport aan den dag gelegd; doch hoezeer wij ons van deze maatregel aanvankelijk veel goeds meenden te mogen beloven, heeft de uitkomst gedurende den korten tijd van het bestaan van denzelve echter onze  verwachtingen eeniger mate te leur gesteld, aangezien nu die ziekte bijzonder in het 1e Gesticht zich heeft ontdekt; terwijl wij wijders doch, gelijk UwHEdG uit ons rapport van den 6 Februarij LL N. 116 gebleken zal zijn vruchteloos, de ondervinding geraadpleegd hebben om te ontdekken of de in het 3e Gesticht geheerscht hebbende ziekte de kinderen uit deze of gene plaatsen heviger dan die, welke uit andere plaatsen kwamen, heeft aangetast.

De Commissie besluit haar Verslag met eene beschouwing van de geneeskundige behandeling der zieken. Wij kunnen mede besluitende haar in dat gedeelte van het rapport niet volgen, maar voor zoo verre de opmerkingen en waarnemingen gegrond mogten worden bevonden, zal UwHEdG met ons zeker met genoegen bespeuren dat de geneesheer Sasse aangenomen heeft haren raad op te volgens.-

De Permanente Commissie der
Maatschappij van Weldadigheid
Namens dezelve