Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





Rond 20 augustus 1829: Diverse verklaringen die misschien wel, misschien niet bij de officiŽle reactie zitten

In zijn rapport heeft adjunct-directeur De Geus het over verklaringen die bijgevoegd zijn. Dat kunnen de onderstaande zijn. Of de permanente commissie die heeft meegezonden met haar reactie op het geneeskundige rapport weet ik niet. Ik geef ze hier weer zoals ze met allerlei letter-aanduidingen overgeleverd zijn in invnr 98. De eerste is van een aantal verkopers van turf en hout:


Kopij   

10 augustus 1829

Bijl. La A

De ondergeteekenden J. L. Koopmans R. R. Hof de oude, A. R. de Boer, G. W. Veenstra, J. H. Scharenberg, Veenbazen en Houtverkoper verklaren,

dat den opziener der Turfgraverij H. de Jonge te Veenhuizen zich op de onderstaande Datums bij hun heeft vervoegd tot aankoop van Turf en Hout ten behoeve van de Kolonie Veenhuizen en dat zij op voorz. Datums ook tot accoord zijn gekomen tot verkoop van de hieronder vermelde dagwerken Turf en Hout.

Den 23 Februarij en den 29 dito 1829, 1500 eiken bosschen brandhout J. L. Koopmans

Den 23 Januarij van R. R. Hof de oude 25 dagwerk en 1 Stok Turf

Den 29 Januarij van A. R. de Boer 9 dagwerk turf

Den 13 Februarij van G. W. Veenstra 5 dagwerk en 8 Stok turf

Den 14 Februarij van J. H. Scharenberg 1 dagwerk 31 Stok turf

(getekend) R. R. Hof de oude, A. R. de Boer, G. W. Veenstra, J. H. Schadenberg, M. L. Koopman per. J. L. Koopman

De tweede verklaring is van een aantal boeren uit het dorpje Een die turf vervoerd hebben:


Kopij

10 augustus 1829

Bijl. La B

De ondergeteekenden Boerlieden wonende in de Buurtschap Een Gemeente Norg verklaren op den 24 Januarij 1829 met het Transport van Turf van de Hauwelderwijk op eene afstand van ĺ uur van de kolonie verwijderd met wagens te zijn aangevangen en daarmede verklaren zij behoudens eenige tusschen pozing gekontinueerd te hebben tot zoo lange dat het open water was zoo dat de Gestichten daardoor dagelijks van droge bekwame Turf in de koude genoegzaam voorzien zijn geworden.

Aldus naar waarheid opgemaakt
de vervoerders van Turf
(Geteekend) Jan Boer, Klaas Jans Hofman, Harm Huizing, A. Assies, Foppe Rienks Hof

De derde verklaring komt van de onderdirecteur-buiten bij het tweede en derde gesticht Leendert Nijenbandering:


Kopij

Bijl. La C

De Ondergeteekende onder Directeur bij het 2e en 3e Etablissement buiten verklaard mits deze

dat de Aardappelen welke door den Heer Burgemeester van Norg in de Magazijns kelder van het 3e Etablissement te Veenhuizen in de maand November 1828 zijn geŽxamineerd geworden, bij het 2de en 3de Etablissement zijn verbouwd en wel op daartoe bekwame gronden, ja zelfs op oude Esgronden;

zoo dat de ondergeteekende de kwaliteit dier aardappelen even zoo goed acht te zijn dan die in de Gemeente Norg en elders verbouwd worden, te meer daar de bevolking van het 2de en 3de Etablissement alle met lof van dezelve die men haar ter verstrekking gaf, eenparig zeide dat de aardappelen heel goed waren.

Wijders verklaard de ondergeteekende dat bij het invallen van het vriezende weder in de maand November 1828 niet meer dan zes morgen aardappelen bij het 2e en 3e Etablissement in de grond waren, dewelke daarna met de grootste zorg zijn gerooid geworden, om de bevroren er uit te schiften, dewijl deze aardappelen anders ligt aan verrotting zouden onderhevig zijn geweest.

Aldus naar waarheid opgemaakt te Veenhuizen den 10e Augustus 1829
De Onder Direkteur buiten
(Get) L. Nijenbandering

De vierde verklaring komt ook van Nijenbandering:


Kopij

Bijl. La D

De ondergeteekende onder Direkteur bij het 2e en 3e Etablissement buiten verklaart mits dezen,

dat in de maand November 1828 aan de Houwelderwijk een Partij aardappels ten behoeve der Maatschappij aangekogt, aldaar voor de vorst in November zijn in de grond gekuilt en dat dezelve vervolgens in de bestendige geschikte dagen met wagens van daar naar de kolonie zijn vervoerd, zoodanig dat dezelve daardoor niet zijn bevrozen geworden, maar bekwaam in de kolonien zijn aangebragt.

Aldus naar waarheid opgemaakt te Veenhuizen den 10e Augustus 1829
De Onder Direkteur buiten
(Get) L. Nijenbandering

De vijfde verklaring komt van de slager uit Norg die schapen voor de kolonie Veenhuizen geslacht heeft:

Kopij

Bijl. La E

De ondergeteekende gepatenteerde slagter verklaard mits dezen,

dat hij ten behoeve van het 2e Etablissement der Kolonie Veenhuizen heeft geslagt een aantal van 62 schapen aan de Maatschappij van Weldadigheid toebehorende
en wel van 10 September tot 1 December 1828
en dat dezelve te samen hebben opgeleverd een duizend drie en tachtig en een half Pond schoon vleesch makende door elkanderen een zwaarte uit van zeventien 47/100 Nederl. Pond

zoo dat men daaruit kan afleiden deze schapen van de beste Drentsche soorten geweest zijn,

en dat deze uit een koppel van ongeveer 1000 schapen genomen zijn: zoo is het niet te verwonderen dat die schapen tegen de beste soorten kunnen worden vergeleken, ten eersten wegens de zwaarte en
ten tweede wegens de Gezondheid derzelve dewijl de ondergeteekende zich verzekerd houdende te weten deze schapen in geenen deele de minste galligheid bij hun gehad te hebben.

Aldus opgemaakt te Veenhuizen
Gemeente Norg, den 10 September 1829
De Gepatenteerde Slagter
(Get) Jippe Jacobs Jagt

De zesde verklaring is van de voormalig magazijnmeester van het tweede gesticht:


Kopij

Bijl. La F

De Ondergeteekende gewezene Magazijnmeester bij het 2e Etablissement thans Zaalopziener bij het 1e Etablissement te Veenhuizen verklaard

dat in het Magazijn van levensmiddelen van het 2e Etablissement van den 10 September tot 1e December 1828 is ontvangen geweest eene hoeveelheid van een duizend drie en tachtig en een half Nederlandsch pond schoon schapenvleesch afkomstig van Twee en zestig stuks schapen van de Maatschappij zelve

en van eene goede kwaliteit geweest zijn zoo als uit het gewigt dat dezelve opgeleverd hebben blijkt daar dezelve door elkandere 17 47/100 Ned. Ponden gewogen hebben en alzoo van de beste soorten van Drentsche schapen afkomstig.-

Aldus naar waarheid opgemaakt door den gewezene
Magazijnmeester thans Zaalopziener bij het 1e Gesticht te Veenhuizen
den 10 Augustus 1829
(Get) F. F. Bergh

De zevende verklaring komt van de magazijnmeester van het derde gesticht J.F. Krieger, die het later nog ver zal schoppen in de kolonie:


Kopij

Bijl. La G

De Ondergeteekende Magazijnmeester van het 3e Gestigt verklaart mits dezen

dat in het Magazijn van Levensmiddelen van opgemeld Etablissement gedurende het Jaar 1828, nog in de loop van het Jaar 1829 en dus tot heden den 10 Augustus 1829 geen schapenvleesch van de Kolonie zelve afkomstig is opgeslagen geweest; maar dat al het schapenvleesch, dat werkelijk op het magazijn in opgemeld tijdvak is opgeslagen afkomstig is van de beste soorten  van Vriesche schapen welke door elkander van dertig tot veertig Nederlandsche ponden gewogen hebben.

Aldus naar waarheid opgemaakt te Veenhuizen den 10 Augustus 1829
De Magazijnmeester
(get) J. F. Krieger Jr

De achtste en laatste verklaring is van dokter Sasse:


Kopij

Bijl. La H

Ondergeteekende verklaard overtuigd te zijn van de deugdzaamheid van het vleesch dat gedurende deszelfs geneeskundige betrekking voor de kinderen in de Gestichten te Veenhuizen en meer bijzonder aan het derde Etablissement gebezigd is.

(Get) H. F. A. Sasse
Matk Mag Phil Nat Meds Art Obst Doct.
Veenhuizen den 22 Augustus 1829