Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





27 augustus 1829: De bijdrage van de adjunct-directeur van het tweede gesticht Sikke Berends Drijber

De bijdrage van Sikke Berends Drijber aan de reactie op het geneeskundig rapport komt te laat door een in de eerste alinea beschreven misverstand. Het is gedaterd 27 augustus 1829, zeven dagen nadat de permanente commissie zijn reactie verstuurd heeft. Maar hij heeft wel een leuke stijl van schrijven. Invnr 98:


Kopij                   

Veenhuizen den 27 Aug. 1829

WelEdele gestrenge Heer!

Toen den HoogEdelgestr Heer van Riemsdijk hier was heeft hij de rapporten van den Heer Tonckens aangaande het tweede en derde gesticht aan den Heer de Geus afgegeven ten einde wij beiden hierop te berigten, toen ik Zondag den Heer de Geus hierom vroeg zeide hij dat den Heer van Riemsdijk dezelve mede had terug genomen.

Zoo neem ik de vrijheid hetgeen ik bij voorlezing van dat stuk onthouden heb op te helderen.

Aangaande de Galge Schapen waar den Heer Tonckens van spreekt, zegt de slachter dat onder de geslagten geen gallige schapen geweest zijn, volgens opgaaf van den Onder Direkteur buiten meend hij dat er 62 gepriseerd zijn en er is 1083 Nd (ponden) Vleesch afgeleverd, waarop dan ieder schaap ruim 17 Nd ponden zouden gewogen hebben, of bij de 35 oude ponden, hieruit zou den Heer Tonckens dan niet kunnen bewijzen dat zulks naar een Drentsch geen behoorlijk gewigt is, echter voor zoo ver ik tansch op gespoord heb, zijn er eenige schapen geslacht welke zoo men mij zegt niet gepriseerd zijn en er zouden in het geheel geslacht zijn 102, toch dit getal zoude men niet durven noemen doordien ditzelve niet zijn aangegeven, dat is hetgeen boven de /62 is al het vleesch is aan het Tweede gesticht afgeleverd en aldaar gebruikt, het derde gesticht heeft er niets van gehad.

Aangaande de koude waar den Heer Tonckens van spreekt, op dien kouden vrijdag kwam den Heer Tonckens tegen het vallen van den dag bij mij aan het tweede gesticht ten einde te onderzoeken of de zalen behoorlijk warm waren,

ik ben regel regt met hem alle zalen doorgegaan, alle kagchels geopend, en stonden allen in de volle brand, hij bevond dat de kagchels wat klein waren voor de zalen, al schoon hij bekennen moest dat het niet koud in de zalen was,

zij waren in zaal 8 aan het aardappelschonen, hier onder waren eenige bevroren bij het uithalen uit de Kelder en transporteren naar de Zalen, deeze waren in de zalen ontdooit ten bewijzen dat het niet heel koud in de zalen was, anders zouden de bevroren aardappelen niet ontdooit hebben,

ik heb hem in dien keuken waar de aardappels van die Zaal gekookt wierden, een gekookte aardappel uit die geen die des middags waren overgebleven laten uitzoeken en proeven, waarop hij bekende, dat hij er niets van kon proeven, dat ze bevroren waren geweest.-

naar alles gezien en onderzogt te hebben zijn wij terug gekeerd.

Op het plein zeide ik tegen hem nu doed het mij pleizier dat UWelEd zelfs alles gezien heeft, en wanneer de wereld ons nu belasterd zal en kan ik mij UWelEd beroepen.-

Hij vroeg mij of bij het derde gesticht de Kagchels ook goed heet waren, waarop ik hem antwoorde, Zoo ver mij bekend was waren zij goed heet,

hij zeide mij het plan gehad te hebben daar ook naar toe te gaan, maar dat het hem te laat wierd,

mij dunkt hij moet toen bij het tweede gesticht voldaan zijn geweest, anders zou zulk een menschen vriend nog wel naar het derde gegaan hebben.-

Hiermede de Zuivere waarheid opgelegd te hebben en wensche indien UWeled het nodig oordeeld hetzelve aan den Heer van Riemsdijk te doen toekomen.
Ik heb de Eer met achting te zijn
WelEdGestr Heer
UweledGestr DW Dienaar
Get. S. B. Drijber

Naar copie conform
J. van Konijnenburg