Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Volledige transcriptie van:

Copie uit de notulen van den kleinen raad, over de maand februarij 1826


Zaturdag den 4 februarij 1826

In den raad verscheen:

De kolonist Nieuwenhoven, van kol no 2, vergezeld van zijnen zoon, die in landsdienst zijnde, en in militaire kleeding, verzocht door de Maatschappij gekleed te worden, dewijl zijne vorige kleeding niet meer aanwezend was.
Is met Nieuwenhoven, onder approbatie van den Heer Direkteur, overeengekomen, dat bij de eerstvolgende kleeding uitdeeling, welke in de aanstaande week staat plaats te hebben, van weerszijden wat gedaan zal worden.
Hij zal van zijn tegoed hebbende voor zijnen zoon eenige kleeding aankoopen, terwijl het dan ontbrekende door de Maatschappij zou worden voorgeschoten. Hiertoe was Nieuwenhoven zeer genegen, daar hij zag, dat hij nu, door versterking in zijn huisgezin, ook zoo veel te beter in staat was, voortaan op zijn kleedingfonds te laten staan.

In de kantlijn bijgeschreven: De Heer Direkteur keurt het voor Nieuwenhoven beter, dat hij zijnen zoon zelf kleedt; zij hadden de vorige kleeding kunnen en moeten bewaren.

(was get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, Secr.


Zaturdag den 11 februarij 1826

Verschenen voor den raad;

1. Bering, kolonist in kol no 3, verzoekende aanstaande woensdag, voor 8 dagen, met verlof te mogen gaan naar Amsterdam, 'ten einde rekening te houden wegens de nalatenschap van wijlen zijnen broeder. Is van kleeding en reisgeld voorzien.
Daar het verzoek voor 8 dagen is, de kolonist zich goed gedraagt en de reis nog al gewichtig schijnt, heeft de raad, onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, het gedane verzoek toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Het verlofgaan van Bering is door den Heer Direkteur geapprobeerd.

2. De huisvrouw van Drevers uit dezelfde kolonie, verzoekende voor 14 dagen met verlof te gaan naar Amsterdam, ten einde hare oude moeder te bezoeken en eenige tuinzaden van haren broeder te halen.
Is insgelijks van kleeding en reisgeld voorzien. De raad heeft onder nadere approbatie als boven, dit verzoek geaccordeerd.

In de kantlijn bijgeschreven: Ook door den Heer Direkteur geapprobeerd.

3. De wed: Westhoff, ook vrouw Pierre genaamd, uit kol no 2, verzoekend met verlof te mogen gaan naar Texel, om hare familie te bezoeken.
De leden van de raad inziende, dat deze wed. huisverzorgster zijnde, bezwaarlijk uit het huisgezin gemist kan worden, dat de reis naar Texel in dit jaargetijde bezwaarlijk en kostbaar zijn moet, hebben haar dit te kennen gegeven, en tevens geraden met dit verlofgaan nog eenige tijd te wachten.

4. De kolonist van Diest, uit kol no 2, verzoekende met verlof te gaan naar Braband, om zijne kinderen en verdere familie aldaar te bezoeken.
Over 14 dagen zal van Diest wederkomen, om het besluit van den raad hieromtrent te vernemen.

5. Uilke Klasen voor de Wind, en
6. Klaas Sjoukes Oosterbaan, ingedeelde weezen bij IJdema, in kol no 1, vertoonende consent van hunne besteders van Harlingen, om voor 8 of 14 dagen met verlof herwaards te mogen overkomen, verzoekende derhalve dit verlofgaan te mogen effectueren.
Zijn van kleeding en reisgeld voorzien, en gedragen zich goed. Onder approbatie van den Heer Direkteur is het gevraagde verlof voor 13 dagen toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Het verlofgaan dezer beide weezen is door den Heer Direkteur geapprobeerd.

(was get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, Secr.



Zaturdag den 18 februarij 1826

Voor den raad zijn gecompareerd:

1. Van Eijsden, en
2. Visscher, beide kolonisten te Willemsoord, verzoekende voor den tijd van 8 dagen, met verlof te mogen gaan, de eerste naar Dordrecht, en de tweede naar Amsterdam, teneinde hunne familien te bezoeken.
De werkzaamheden in de kolonien thans vele en de togten over zee gevaarlijk zijnde, is hen geraden met dit verlofgaan nog eenige tijd te wachten.
Dan, de kolonist Visscher wederom binnengekomen zijnde, drong de noodzakelijkheid en het belang van zijn verlofgaan nog nader aan, door den raad te betuigen, dat hij van Amsterdam zoo veel geld zoude halen, als hij noodig had om al zijne schulden te betalen. Of het hem dan niet toegelaten zoude worden, daartoe 8 dagen te besteden.
Hierop heeft de raad, onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, het gevraagde verlof geaccordeerd.

In de kantlijn bijgeschreven: Het verlofgaan van Visscher is door den Heer Direkteur geapprobeerd.


3. Vogelzang, kolonist in kol 2, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Amsterdam.
Is van kleeding en reisgeld voorzien. Het vlijtige gedrag dezer lieden alsmede hun zeldzaam verlofgaan in aanmerking nemende, heeft de raad goedgevonden het gedane verzoek, onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, toe te staan.

In de kantlijn bijgeschreven: Insgelijks dat van Vogelzang.

4. Stoffels, kolonist in kol no 2, verzoekende voor 14 dagen met verlof te gaan naar Utrecht. om de familie te bezoeken.
Het gedane verzoek is door den raad niet toegestaan, vermits er tegenwoordig te veel werk in de kolonie en te veel gevaar in de zeereizen was.

In de kantlijn bijgeschreven: Het verlofgaan van Stoffels is ook door den Heer Direkteur niet geaccordeerd.


5. Hendrik Snoek, kolonist in kol no 3, verzoekende om den raad van toezigt van gemelde kolonie te beleggen, dewijl hij denzelve eene gewigtige en belangrijke ontdekking had mede te deelen.
Johanna Godel namelijk, die op de 12 november 1825 door den raad van policie, wegens zwangerheid, veroordeeld was geworden naar de Ommerschans, zoude geenszins zwanger zijn van zijnen zoon Jan Snoek, op de 26 daaraanvolgende, om zijn ontuchtig leven gecondemneerd naar dezelfde strafkolonie; maar van eenen geheel anderen persoon, hetwelk hij bewijzen zoude.
De raad, dezen Hendrik Snoek daarop antwoordende, dat zijn zoon niet veroordeeld was om de zwangerheid van Johanna Godel, maar op zijn eigene verklaring van ontuchtig geleefd te hebben met Johanna Grollee, gaf hij daarop in onbescheiden taal ten antwoord, dat de raad slecht gehandeld had, en hij zijn zoon uit de Schans zou weghalen.

(was get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, Secr.



Zaturdag den 25 februarij 1826

Verschenen voor den kleinen raad:

1. Caspar Hoenhout, ingedeelde wees bij de wed. Krediet, kol no 3, op hoef ??, verzoekende met verlof te gaan naar Leyden, waartoe hij meende van zijne Kommissie de toestemming reeds ontvangen te hebben.
In den raad is overwogen:
Dat de Sub Kommissie van Leyden den Heer Direkteur naderhand had verzocht, om gemelden Hoenhout niet met verlof te laten gaan, aangezien zij ontwaar was geworden, dat den jongeling verleden zomer, de kolonie had verlaten, zonder daartoe verlof te hebben gehad, en alzoo als deserteur was aangemerkt geworden.
Hoenhout, overigens een zeer goede jongen, is geraden, zich voor dergelijke misstappen voortaan te hoeden, en het verlofgaan uittestellen.

2. Nicolaas Jasper, kolonist in kol no 3, verzoekende met verlof te mogen gaan naar Leyden, om de familie te bezoeken.
Hierbij is in aanmerking genomen, dat Jaspers, als ongeschikt voor alle veldarbeid, voor eenige dagen wel gemist kan worden, en waarop de raad heeft goedgevonden, het voor 14 dagen gevraagde verlof, onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, toe te staan.

In de kantlijn bijgeschreven: Het verlofgaan van N. Jasper is door den Heer Direkteur geaccordeerd.

3. Adrianus Prins, ingedeelde wees bij de wed: Rausch, verzoekende, even als op den 26 november 1825, met verlof te mogen gaan naar Rotterdam, om zijne zuster te bezoeken, en vertoonende eene brief van zijne besteders die hem dit verlof toestaan.
Is van kleeding en reisgeld voorzien, en heeft zich sedert 26 november, wanneer hem het verlofgaan om zekere verkeerdheden is geweigerd, uitmuntend gedragen.

In de kantlijn bijgeschreven: Dat van A. Prins insgelijks door den Heer Direkteur geaccordeerd.


4. De kolonist van Diest, uit kol no 2, verzoekende met verlof te gaan naar Mechelen, prov. Zuidbraband, om zijne kinderen en familie te bezoeken.
Is van reisgeld voorzien, en zou de onderdirekteur voor een ontbrekend kleedingstuk zorgen.
De raad heeft geoordeeld, zoo de Heer Direkteur het mogte approberen, van Diest dit verlof eindelijk, voor den tijd van 3 weken te moeten toestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Alsmede dat van den kolonist van Diest.


5. vrouw Nieuwenhuis. uit kol no 1, verlangende voor 2 dagen te mogen gaan naar de Ommerschans, om eene vriendinne te bezoeken, hetgene haar geaccordeerd is.

6. De kolonist Deems, uit kol no 2, te kennende gevende, dat hem heden morgen door den wijkmeester Boers negen schepels aardappelen meer waren afgehaald, dan hij gemeend had te moeten afgeven; daarbij verzoekende de noodige aardappelen voor zijne consumptie bij zijn huis te mogen behouden.
De raad hierover, zonder onderzoek, niet kunnende besluiten, is Deems geantwoord, dat hij de benoodigde aardappelen kan behouden, zoo hij met zijn huisgezin niet meer per week gerbruikte, dan de ?? van 2 schepel, en dat het misverstand tusschen hem en de wijkmeester zoude worden onderzocht.

(was get.) M. Bersma, Pres.
J.H. van Wolda, Secr.

Voor copie conform
De secretaris van den kleinen raad J. H. van Wolda