Naar het overzicht
van stukken over Kniesenburg




Poging van Johannes Hermanus Kniesenburg om uit de strafkolonie te komen in 1827


Op 13 april 1827 schrijft de subcommissie van weldadigheid te Utrecht aan de permanente commissie, invnr 84 scan 476, dat ze een brief van Kniesenburg hebben gehad:

Ik heb de eer aan UwEds medetedeelen het verzoek van den kolonist J.H.Kniesenburg om naar Willemsoord verplaatst te worden met verzoek om indien dit mogelijk is, hem deze gunst te verlenen.
De Sekretaris der Subkommissie van Weldadigheid te Utrecht

De permanente commissie noteert op de achterkant dat ze dit verzoek hebben besproken op de vergadering van 25 april 1827 artikel 49, waar is besloten het door te sturen aan de directeur der koloniŽn. Die stuurt alles weer terug op 18 mei 1827 en voegt er zijn advies bij, invnr 85 scans 554-556:

(...)
De brief van den Ban.Kolonist Kniesenberg bij bovengen. missive der Permanente Kommissie ontvangen gaat mede hiernevens terug, terwijl ik de vrijheid neem daaromtrent aan te merken, dat naar mijn inziens de inhoud des briefs en de wijze van voordragt genoegzaam zijn om aan Kniesenberg deszelfs verzoek te weigeren, zonder te spreken van zijn gedurig herhaald strafbaar gedrag in de kolonien.
De Perm. Kommissie herinnerd zich zeker dat hij sedert korten tijd voor de tweede maal als strafkolonist te Ommerschans is; de reden der eerste verwijdering naar dat etablissement was dronkenschap en verregaande brutaliteit; de tweede insgelijk (zoo ik meen dronkenschap en brutaliteit) en daarop gevolgde desertie: waarom ik de eer zal hebben nadere bevelen der Permanente Kommissie te ontvangen alvorens meergen. kolonist naar de gewone kolonien terug te brengen.
(...)
Ik heb de eer te zijn
De Directeur der Kolonien Visser

Dergelijke adviezen neemt de permanente commissie meestal over en dat blijkt uit de brief die zij op 6 juni 1827 schrijven aan de subcommissie te Utrecht. Op de brief staat de volgende samenvatting:

Bedenkingen tegen de door den strafkolonist Kniesenburg verlangde herplaatsing in de gewone KoloniŽn.

En de tekst van de brief, die zich bevindt in invnr 360, luidt:

Ďs Gravenhage den 6 Juny 1827

Met terugzending van den brief van Kolonisten J.H. Kniesenburg moeten wij UwEd in antwoord op derzelve geachte missive van den 13 April 1827 te kennen geven dat die kolonist sedert November j.l. ten tweeden male om wangedrag met zijn huisgezin in de strafkolonie geplaatst is, zijnde hij in Maart 1822 voor de eerste maal daarheen verwezen om dronkenschap en verregaande brutaliteit en is hij als toen in Augustus daarna wederom in de gewone KoloniŽn teruggeplaatst, terwijl de oorzaak zijner laatste verwijzing mede was dronkenschap en desertie met zijn huisgezin uit de koloniŽn.

Wij moeten UwEd. voorts opmerken dat zijne wijze van schrijven over de inrigting van de strafkolonie en zijn toestand aldaar ook nog niet zeer gunstig over de suppliant doet denken, alzoo het schrijven als of hij door ongegronde klagten meent het medelijden jegens hem te zullen opwekken, en daardoor zijn ontslag van daar te bekomen.

UwEd zullen dan wel met ons instemmen dat aan het verlangen van Kniesenburg vooralsnog niet behoeft te worden voldaan. en van UwEd die kolonist op zijn ingezonden verzoek gelieven kennis te geven met de opmerking, dat hij alleen door het betoonen van een ondergeschikt, ijverig en ordelijk gedrag zich zijn ontslag en terugplaatsing in de gewone KoloniŽn kan waardig maken, en dat, wanneer hij zich van nu aan alzoo gedraagt hij dan tegen den winter, wanneer hij een rond jaar in de strafkolonie geweest zal zijn, zijn verzoek aan de Directie of wel aan ons kan hernieuwen en hij alsdan daarop zijnen wensch voorzeker zal zien vervullen.

Wij achten het overigens onnoodig van UwEd de klagte van Kniesenburg, alsof hij, niet ontslagen wordende, weldra van kommer en gebrek zoude omkomen te wederleggen, vertrouwende dat UwEd genoegzaam overtuigd zijn dat soortgelijke personen steeds door verkeerde middelen als het gebruik dier uitdrukkingen in plaats van langs den regten weg de verbetering huns gedrags trachten hun lot te zien verbeteren.
De P. Kom. namens Dezelven
<