Naar het overzicht
van stukken over Kniesenburg




Rechtszaak Kniesenburg No 13: Verhoor van de getuige Idserda,
10 maart 1843


NB: Op dit formulier zijn gedeelten voorgedrukt, maar die zijn gewoon in de tekst opgenomen


PROCES-VERBAAL

Pro Justitia


Op heden den tienden Maart achttien honderd drie en veertig is voor mij Regter-Commissaris bij de Arrondissements-Regtbank te Assen, Provincie Drenthe, geadsisteerd door den Griffier bij genoemde Regtbank, geŽxploiteerd door den deurwaarder C.F. Poulie wonende te Meppel verschenen de persoon gedagvaard onder den naam van A. H. Idserda, dewelke, na in onze handen te hebben afgelegd de belofte van de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, desgevraagd heeft geantwoord te zijn genaamd Anne Hendriks Idserda, oud  negenenveertig jaren, van beroep onder-directeur, wonende te Frederiksoord, dat er geene dienstbetrekking, noch bloedverwantschap of aanhuwelijking bestond tusschen  haar  getuige en den beklaagden J.H.Kniezenburg,  en die verder op de daartoe gedane vragen heeft verklaard hetgeen volgt:

Verklaart dat getuige geheel onbekend is met hetgeen tusschen den Adjunct-Directeur Hulst en Kniezenburg is voorgevallen, maar dat hij wel bij geruchte heeft vernomen dat Kniezenburg den Heer Hulst zoude hebben gesneden;

    Dat getuige alleen kan verklaren van gehoord te hebben van de wijkmeester Krol dat Kniezenburg op den dag de verwonding voorafgaande tegen den kolonist Roffers had gezegd toen hij met hem sprak over eene maatregel die door de Administratie was beraamd ten aanzien van het reservefonds: dat hij Roffers morgen wel meer van de moord zoude hooren.

    Dat de wijkmeester Krol echter had gezegd dat hij dit gezegd niet had vernomen van Roffers zelve.

    Verder verklaart getuige:

    Dat hij niet persoonlijk bekend is met Kniezenburg daar deze behoort tot de Kolonie nr.1 en hij getuige tot de Kolonie nr.2, doch dat hij bij deze gelegenheid wel heeft vernomen dat hij dikwijls ontevreden is;

    Dat hij anderen door zijne gedragingen en woorden opruit en een driftig en kwaadaardig karakter heeft.

Na voorlezing is getuige bij deze zijne verklaring verbleven en heeft taxe bekomen ad É3.54Ĺ;

Waarvan dit verbaal is opgemaakt ít geen door den getuige, ons en den beeedigden klerk is geteekend.

w.g. D.H.Westra
A.H. Idserda
A. Mennega