Naar het overzicht
van stukken over Kniesenburg




Verzoekschriften Johanna Kniesenburg geboren Claasen van 7 en 17 april 1843 aan de subcommissie van weldadigheid Utrecht


Het eerste verzoekschrift is gedateerd 7 april 1843, gericht aan de Weledele Heere de Heere Leede der Subcommissie van Weldadigheid te Uitrecht' en bevindt zich in invnr 274, klik hier en vul rechtsonder het scannummer 88 in:

Weledele Heere!         

Met alle eerbiedigheid geef ik bij deze Johanna Kniesenberg geb. Klasen wonende in de Kolonie Frederiksoord mijne beede te kenne daar mijne man Johannes Hermanus Kniesenberg heede zich vrijwillig in civiel arrest heeft begeven ter oorzake van eene twist met den Adjunctdirecteur Coenradus Hulst op den 3 February l.l. s morgens om 8 uren.

Dat mijne man bij zijne wekelijksche uitbetaling negen en dertig cente te kort had ontvange, en door ziekte die niet had kunne verdiene.

Alsschoon hij in zijn Reserfkast een som had van een en zestig guldens, gemelde gelde zijn in voorraad gewonne, om in de winter er niet meer te winne valt, aan den Kolonist zijn gewoon weekgeld uit te keere.

Zo begreep mijne man dat hij dan ook het recht had van genoemde 39 cente uit zijn reserfgeld te ontvangen, heeft zich dan bij den Heere directeur vervoegd, om zijn edele om die 39 cente verzoeke, om wij anders met ons geld niet kunne rondschiete omdat een kolonist maar 17 cent voor zijn hoofd ontvangd, en als daar dan nog 39 cente op worde afgehoude kan men geen 8 dagen bestaan.

Doch den Heer directeur heeft mijne man na den genoemde Adjunctdirecteur verzonden dewijl deze hem dat geld wel zoude uitkeere, doch in plaats van geld heeft hij mijne man bij de kraag genome en de deur uitgeworpe, zonder hem te hooren hoe mijne man ook aanhield om zijn belang aan te tone, heeft daarop een luiwagen genome en daarmeede mijn man geslagen, op een al te verre gaande wijs, tot achter in zijn tuin al nalopende met uitdrukking “ik zal je de harsens inslaan”.

Zo heeft mijne man om lijfsbehoud zijn mes uitgehaald om hem vrees aan te jaage doch geen vrees hebbende, zodat hij mijn man blauw sloeg en mijne man hem toevallig een sneedje op de wang en op de linkerhand toebracht al onder het vervolge van de Adjunctdirecteur, die mijn man meende neer te vellen, doch deeze ontkwam het gelukkig omdat er getuige aankwame.

Toen wierp de Adjunct zijn luiwagen eerst nog weg gelijk dan door getuige is beschreve.

Hebbende mijne man daarop de bescherming der Rechtbank van Assen ingeroepe prov. Drenthe en zich vrijwillig in een civiel arest aldaar begeven.

Getuige zijn gehoord en mijn man en zijne getuige zijn voor gemelde Rechtbank gedagvaard op de 12 dezer maand.

In Afwachting der uitspraak zijnde en geere Uweedele al eerder een berigt hebbende wille inzende zo de confusie op mijne jaren hier nog niet in verhinderd hadde, dewijl ik nimmer in zulke een geval met mijne brave man geweest ben, hebbende hier 21 jaren gewoond en altijd onbesproken geleefd en nu gaan er geruchte die nog geheel nederslaan dat zo mijn man wordt vrijgesteld dat wij dan na de Schans zoude moete, waarom ik God bidde benevens Uweedele Heere mij en mijne kinderen te willen beveiligen want zou dit met mijne gewisse dood moete bekopen.

Zie daar weledele Heere de waarheid van de zaak zo als die gebeurd is.

Hij word wel de naam gegeven als of hij den Adjunct voorzeker heeft wille snijde, maar ach Weledele Heere bezweere dat mijn man geen eens voornemen had om den Adjunctdirecteur te spreeke, ook niet gesneede heeft, dat de Heer Directeur hem na den Adjunctdirecteur zou zende doch dit is slegts om de zaak een verkeerde zin te geven.

Smeekende dan dat Uweedele geene notietie zal gelieve te neeme van zulke  uitvaagsels maar ons gelieve te behoede, om geen slagtoffers op de Schans te worden zullende Uweedele de uitslag der zaak van de Rechtbank bekend maake.

Hebbende de eer mijne beede aan Uweedele op te dragen in geval van de uitspraak.

Noemen zich eerbiedig Uweledele
DwDinaresse
Kornelia Kniesenburg
pv Johana Klaazen
7 april 1843

Verzoekschrift 2

Het tweede verzoekschrift is gedateerd 17 april 1843 en bevindt zich in invnr 274, klik hier en vul rechtsonder het scannummer 86 in:

Weledele Heeren,

Met alle eerbiedigheid geeft Johanna Klasen huisvrouw van Johannes Hermanus Kniesenberg uit plichtsgevoel de Rechtspraak van den Rechtbank te Assen contra haar man te kennen van den 12 l.l. ter oorzake van de twist welke haar man met zijn Adjunctdirecteur gehad heeft over het inhoude van 39 cent.

Zo als zij de vrijheid heeft genoome om aan Uwedele te doen bekend maken nadat den advokaat die voor de onschuld mijner man gepleete heeft is hij door de Rechtbank gecondemneerd met vier maande arest, buite eenige kosten te betalen niet kunnende verzwijgen dat aan Uwedele bekend te maake op hoop dat Uwedele wanneer

(hier mist een stukje van de brief)

kolonie zal zijn gekomen en men ons zoude willen vervolgen om na de Schans te worde verzonde, dat dan Uwedele op mijne en onze beede gelieve te hoore en dit te wille verhinderen daar de omstandigheden van zulk eene aard zijn, dat mijne man niet anders gedaan heeft als om zijn huisgezin voor te staan en zijn lichaam verdedigd heeft.

Smekende eerbiedig dat wanneer dit mogte plaats hebben dat ik de vrijheid zal neeme om dit aan Uwedele te berichte ten einde ons te behoede.

Hebbende de eer zich met Eerbied en hoogachting te noeme
Weledele Heere
Uweledele DWDinaresse
Johanna Kniesenburg
Gebooren Klazen

Fredeiksoord
den 17 April 1843