Naar het overzicht
van stukken over Kniesenburg




De directeur der koloniŽn wil de familie Kniesenburg uit de kolonie ontslaan,
28 mei 1843


De brief van directeur Jan van Konijnenburg van 18 mei 1843 draagt het nummer N1362, is gericht aan de 'Heeren Hoofdambtenaren bij de Maatschappij van Weldadigheid tijdelijk belast met het bestuur der loopende zaken' en bevindt zich in invnr 273, klik hier en vul rechtsonder het scannummer 526 in:

Bij mijnen brief van 7 February j.l. N1344 had ik de eer UwEd. onder anderen, bekend te maken met de verwonding van den AdjunctDirecteur, den Heer C. Hulst, door den kolonist Kniezenburg.

Thans kan ik daarbij voegen, dat deze persoon, reeds eenige weken geleden, door den gewonen Regter is gestraft met vier maanden opsluiting. Deze tijd al spoedig teneinde zullende loopen, heb ik gemeend UwEd. in bedenking te moeten geven, of het huisgezin van dien ondankbaren en boosaardigen Kolonist niet uit de KoloniŽn zoude behooren te worden verwijderd.

Na in 1821, uit Utrecht, voor de eerste maal te zijn opgenomen, heeft hij zich in 1826 door verzet tegen den wijkmeester Koppe zooverre misdragen, dat hij den 8 April deserteerde, waarop zijn huisgezin hem den 13 Mei gevolgd is; doch den 1 November van hetzelfde jaar hebbende moeten wederkeeren, is het huisgezin vervolgens naar de Ommerschans overgebragt.

In 1829 teruggeplaatst in de gewone KoloniŽn, vroeg hij in 1836 zijn ontslag, waarop hij den 28 April is vertrokken, bij welke gelegenheid ik persoonlijk hem heb leeren kennen voor een ruw en schaamteloos schepsel.

Nu, bij het begin dezes jaars, was hij weder de voorganger der ontevredenen en is hij inderdaad zoo verre gegaan, dat zelfs de personen van het Hoofdbestuur der Maatschappij in zijn lastertaal niet verschoond werden, waarvan ik niet meer zeggen mag, omdat de kieschheid zulks verbiedt.

Hoe hij zich aan den persoon der AdjunctDirecteur vergrepen heeft is UwEd. bekend. Daarna, vůůr zijn arrestatie, heeft hij zich nog uitgelaten, dat de Heer Hulst zijn eigen dood niet sterven zou.

Ofschoon Kniezenburg nu wel zoozeer  niet te vrezen is, geloof ik toch dat zulk een schandvlek der gewone KoloniŽn niet verdient behouden te blijven en meen ik tevens, dat zijn ontslag een goeden indruk op ander Kolonisten zoude hebben; sommige betergezinden zouden hem ook gaarne zien vertrekken.
Daarbij is hij nog zeer goed in staat om te werken en zijn zijne kinderen zulks mede, zodat het enkel zijn kwade inborst zijn kan, die hem buiten staat zoude stellen, in zijn onderhoud en dat der zijnen buiten de KoloniŽn te voorzien.

Op grond van een en ander meen ik UwEd. de bewerking van zijn ontslag te moeten voorstellen.