Naar het overzicht
van de maandbladen



De Star in 1820 pagina 569-611: uit het Jaarverslag van april 1819 tot april 1820 door Johannes van den Bosch

Het begint met alle geboekte successen. Daarna gaat het over het wegsturen van Vos, Breukel, Baij en Van Rhee en de behoefte aan een strafkolonie:

pagina 577 Niet zoo gelukkig echter zijn wij geslaagd in het algemeen invoeren van zindelijkheid en spaarzaamheid in de huishoudingen; zeer moeijelijk blijft het, vele huisgezinnen, waar≠van de leden dikwerf van de geboorte af aan, in vele holen en gaten als het ware, en die in dezen ellendigen toestand de hebbe≠lijkheid verkregen hebben om in gunstige omstandig≠heden verkwistend te leven, en in min gunsti≠ge, zich te verzoenen met het gebrek, tot orde en zindelijkheid optelijden:
Hebbelijkhe≠den van dien aard laten zich in een kort tijds≠bestek niet geheel uitroeijen, en dit heeft het dan ook noodzakelijk gemaakt, bij het Regle≠ment van inwendige huishouding, zoodanige bepalin≠gen te maken, waardoor de verkwis≠tenden buiten de mogelijkheid gesteld wier≠den, in den zomer en in het voorjaar den wintervoorraad te verteren.

Geenszins intus≠schen wenschen wij deze beschuldiging, van algemeene toepassing op alle kolonisten te maken; velen, verre weg de meesten, maken hierop eene gunstige uitzondering. Wij voe≠gen hiernevens onder no.2 de naamlijst der≠zelven, en de beloningen, waarop zij door hunne oppassendheid, volgens het Regle≠ment van inwendige huishouding aanspraak verkregen hebben, en die wij van harte wen≠schen, dat ook ten dezen ter navolging op≠wekken moge.

Bij deze in het algemeen voordeelige schets, hebben wij alleen nog de drangredenen te voegen welke ULieder Per≠manente Kommis≠sie bewogen heeft, drie huisgezinnen, als De Vos van Tiel, Breukel van Maassluis en Baij uit Zwitserland, uit de kolonie te verwijderen.

De eerstgenoemde had zich reeds se≠dert zijne komst in de kolonie, als een onverbeterlijke luijaard doen kennen, en daar hij zich hierdoor menige berisping op den hals haalde, en tevens doorgaans in bekrompe≠nen omstan≠digheden verkeerde, werd zijne af≠gunst ten aanzien van anderen en tegen de Direktie opgewekt, en hij de aanstooker van ieder, welke zich door eigene nalatigheid aan de ontevredenheid der opzieners blootstelde, daartoe zelfs van eene zijde aangemoedigd van waar men zulks niet zoude hebben ver≠wacht.
Dit strekte zich eindelijk zoo verre uit, dat hij in naam van Breukel aan de kommis≠sie van Maassluis een brief schreef, vol van onwaarheden, die hij zelf, voor den raad van toezigt geroepen, als zoodanig erkende, en om welke wandaad te verschonen, hij niets wist bijtebrengen dan dat hij niet verant≠woor≠delijk was, voor het gene hem anderen lieten schrijven.
Een zoo schade≠lijk wezen, die boven dien anderen had willen aanhitsen, om zich tegen de Direktie te verzetten, kon in de kolonie niet worden geduld en werd uit dien hoofde verwijderd.

Breukel, een meer zwak dan slecht man, werd beheerscht door eene booze vrouw, die met behulp van twee groote dochters, waar van ten minsten ťťne buiten toestemming en voorweten van de Kommissie in dit huisgezin was opgenomen, haren man dikwerf zood≠anig mishandelde, dat hij daarvan de uiterlij≠ke merkteekenen op het gezicht droeg, terwijl zijne liederlijke dochters niet zelden tot een voor de zedelijkheid beleedigend en gevaar≠lijk voorbeeld strekten. Een zoodanig huisge≠zin kon en behoorde zeker niet te worden geduld in eene stichting, bestemd om men≠schen tot huiselijke deugd en gezelligheid opteleiden.

Baij eindelijk, die zich lang door nijver≠heid en oppassendheid onder≠scheiden had, en werkelijk menig goede hoedanigheid be≠zat, werd door den drank in een ontembaar dier herschapen, en hoezeer hij zich daar aan schuldig maakte, was hij echter in deze toestand een te gevaarlijk voorwerp voor de Direktie, en anderen aan de uitwerking zijner razernij in dien toestand blootgesteld; hij moest derhalve verwijderd worden.

Het is zeker een pijnlijk gevoel, aldus bedorvene menschen, die welligt door eene strengere tucht tot beterschap zouden zijn opteleiden, aan de gewone maatschappij te moeten teruggeven; dan, onze instelling is eene onderneming van bijzondere personen, welke geene bevoegdheid hebben, om die straffen opteleggen, of andere middelen te bezigen, welke daartoe vereischt worden.
Daar echter bij het gouvernement onze inrig≠ting de alge≠meen erkende schatting erlangd heeft, welke werkelijk aan dezelve toekomt, zoo mogen wij hopen, dat aan de gemeente besturen van wege hetzelve, voortaan de bevoegdheid zal worden toegekend, om zoo≠danige personen, welke zonder publieke on≠dersteuning of bedelarij niet bestaan kunnen, in de verpligting te stellen, van door eene gepasten arbeid hunne onderhoud te verdie≠nen, en dat de gemeente besturen geregtigd zullen worden, om zoodanige personen, wel≠ke in de koloniŽn zijn opgenomen, niet vrijwil≠lig aan hunne verpligting voldoende, en dus teruggezonden wordende, in zoodanige stig≠tingen te verplaatsen, waar een meer ge≠strenger opzigt hen daartoe zal verpligten.

Reeds is een zoodanig verblijf door ons gesticht en, onder ULieder goedkeuring, zullen wij aan het gouvernement de vereischte voorstellen doen, ter verkrijging der noodige magt tot deze verplaatsing, die wij te eer hopen mogen, dat ons zal worden verleend, daar niet ons belang, maar dat der maat≠schappij zelve, deze maatregel vordert.
Voor≠zeker zou het reeds een gewigtige dienst zij, aan ons Vaderland bewezen, indien wij aan alle brave behoeftigen de gelegenheid en de middelen verschaffen, om tot een eerlijk zelf≠bestaan te geraken; deze althans hebben eene gegronde aanspraak, om het eerste geholpen te worden en het nut onzer inrigting zal zeker aanmerke≠lijk vergroot worden, in≠dien wij de gemeente-besturen tevens in de gelegen≠heid stellen, om zich van schadelijke voorwerpen te ontslaan.

Niemand overigens, met den diep verval≠len toestand onzer behoefti≠gen bekend, zal zich verwonderen, dat onder het aanzienlijk aantal hunner, reeds in onze stichting opge≠nomen, er eenige gevonden worden, bij wel≠ken de afkeer van den arbeid zoo zeer is ingeworteld, bij welken de zedeloosheid zulke diepe wortelen geschoten heeft, dat dezelve met de zagte meest persuasive middelen, welke wij in de vrije koloniŽn alleen kunnen aanwenden, niet tot een pligtmatig en werk≠zaam leven kunnen worden gebragt.
Hoezeer de luiheid bij eenige ingeworteld is, kunnen wij onder andere staven door het gedrag van den kolonist Van Rhee, van Wijk bij Duurste≠de gezonden, die openlijk verklaarde liever te willen sterven dan arbeiden; en daar de Di≠rektie getrouw bleef aan het beginsel van niets te willen verstrekken dan in vergel≠ding van arbeid, heeft hij eindelijk de kolonie ei≠genmagtig verlaten, en is naar zijne familje teruggekeerd.

Over de steenbakkerij en de turfgraverij:

pagina 596 Met het beste gevolg is zoodanig eene steenbakkerij te Frederiks-oord opgerigt, onder het bestuur van twee deskundige personen, te dien einde uit Noord-Braband ontboden; door 17 kolonisten zijn reeds eenige honderdduizende steenen gevormd, en nog dagelijks wordt deze arbeid met ijver voortgezet: zoodat wij reeds in dit jaar voor honderd huizen onze eigene steenen zullen bakken, en verders aan deze onderneming als die uitgebreidheid zullen kunnen geven, welke raadzaam geacht zal worden.
17 andere kolonisten, onder het toezigt van een' in dien arbeid ervaren' persoon, zijn in de veenen der Maatschappij bezig met het steken van den turf, tot het bakken der steenen noodzakelijk. Groot zijn de vorderingen, die zij daarin reeds gemaakt hebben; want, schoon de Maatschappij geen hooger loon per stok betaalt, beloopt echter het gemiddelde loon voor ieder reeds 17 stuivers 's daags.
In beide deze inrigtingen is derhalve niet alleen eene nieuwe bron van arbeid gevonden; maar hetgene nog belangrijker is, het laatste inzonderheid is eene nieuwe opleiding, om onze kolonisten in staat te stellen, van in meer dan ťťn opzigt vreemdelingen te vervangen, die thans jaarlijks bij duizenden ons land overstroomen, en de massa van arbeid verminderen, welken onze eigene ingezetenen zoo dringend behoeven.

Met hetzelfde doel zijn ook twee kolonisten, met namen j. brandsma en w. gerritsma naar Holland gezonden, om gras te maaijen. Getrouw aan het beginsel, om al wat nieuw is eerst in het klein te beproeven, de hinderpalen, naar mate die zich voordoen, uit den weg te ruimen, en vervolgens de onderneming verder uit te breiden, zij wij daarmede slechts in het klein begonnen; in een volgend jaar zullen wij hieraan meerder uitbreiding geven, en inzonderheid aan onze jeugd die opleiding verschaffen, welke haar daartoe het meest geschikt kan maken.
(...)
Men zegge niet, dat aan onzen landaard tot deze soort van arbeid de noodige physieke krachten ontbreken: worden dan de vreemden buiten onze grenzen met andere organen geboren? Ja, wanneer het gebrek onze lagere volksklassen verteert, wanneer zij, in kelders en holen opeengestapeld, een ziekelijk ligchaam rond slepen, moge dit het geval zijn; maar men beschouwe onze vroeger gevestigde kolonisten, inzonderheid hunne arbeidzame, bloeijende, frische jongelingen, en men oordeele, wat eene goede opleiding, goed voedsel, en de vrije ruime landlucht op de gezondheid van een geslacht vermogen. Onze landaard, van oudsher door zijne arbeidzaamheid en kracht vermaard, kan door geen anderen overtroffen worden, indien de omstandigheden der opvoeding gelijk staan.


Over de stergevallen in de koninklijke familie en het daaruit voortvloeiende besluit de volgende kolonie Wilhelminaoord te noemen:

pagina 608 Grievend, intusschen, gevoelt de geheele natie met ons het verlies van Hare Koninklijke Hoogheid, Mevrouwe de DouairiŤre van ORANJE, en van Hare Koninklijke Hoogheid, Mevrouwe de Hertoginne DouairiŤre van brunswijk. De veelvuldige gunsten en bescherming door H.H.K.K.H.H. aan onze Maatschappij verleend, zijn boven onzen lof verheven; als bewijs onzer eerbiedige vereering en hulde aan deze, door deugden nog meer dan door rang verhevene Vorstinnen, stellen wij voor, de eerst aan te leggene kolonie den naam te geven van Wilhelmina's-oord, en de tweede dien van Frederika's-oord, opdat eene steeds voortdurende stichting van Weldadigheid het bewijs onzer erkentelijke gevoelens aan den nakomeling overbrenge, en de kolonisten zich herinneren, hoe zeer zij aan de weldaden van het Koninklijk Huis de verbetering van hunnen toestand verschuldigd zijn.


Vervolgens wordt het personeel behandeld, waarbij de loftrompet wordt afgestoken over Ameshoff, Benjamin vd Bosch, Drijber, Brouwer, Faaken.

pagina 610 Zeer verdienstelijk is mede geweest het gedrag van den kolonist janssen; reeds kort na zijne aankomst in de kolonie zich door werkzaamheid en overleg onderscheidende, werd hij tot onder-opziener aangesteld, en heeft in deze betrekking uitmuntend voldaan: de Kommissie heeft gemeend, zijne betoonde diensten dit jaar in de kolonie no. 2 met eene goudene medaille te moeten beloonen.
Ook de onder-opziener meder en de kolonist krabshuis, die met vele landbouwkunde bijna alle nieuw aangelegde gronden bezaaid heeft, hebben beide, benevens vele andere ... aanspraak op belooningen verworven.
Wij bevelen hen in het gunstig aandenken van Uwe Koninklijke Hoogheid en verdere leden der kommissie.
De landman bartel bosma, als onder-opziener in de kolonie no. 2, heeft mede veel ijver en bekwaamheid aan de dag gelegd; de voorgestelde bereiding van mist is men, althans gedeeltelijk, aan zijn juist oordeel verschuldigd; hij heeft verdiend, dat de Kommissie, bij het aanleggen van nieuwe koloniŽn, andermaals van zijnen dienst gebruik make.