Naar het overzicht
van de maandbladen



De Star in 1820 pagina 699-730: Rapporten en besluit, door de Kommissie van Toevoorzigt der Maatschappij van Weldadigheid uitgebragt in derzelver tweede Algemeene Vergadering van den jare 1820, in 's Gravenhage gehouden.

De Commissie van Toevoorzigt is 2 augustus bijeen geweest en heeft toen twee commissies ingesteld. Eentje onderzoekt de financiŽn van de Maatschappij, de andere bezoekt de koloniŽn en doet daarvan verslag. Op 17 september vergadert de commissie opnieuw en worden de verslagen goedgekeurd. Hieronder fragmenten uit het verslag van de commissie die de koloniŽn bezocht heeft, bestaande uit J. Burma≠nia Rengers en M. Siderius.

Over kolonie 3, Willemsoord:

pagina 701 De groote weg naar Steenwijk, welke, nog geen jaar geleden, zoo ver als het gezigt reikte, met dorre en woeste heidevelden om≠ringd was, liep thans in eene aanmerkelijke uitgestrektheid langs wel bewerkte en wel bebouwde grond, bezet met eene groot aan≠tal woningen. Alle welken de kenmerken droegen van zindelijkheid en orde; en op het gelaat van welker bewoners de blijken van weltevredenheid duidelijk stonden uitgedrukt.

Te treffender was deze herschepping daar dezelve in den loop van dit jaar was tot stand gebragt; in dit jaar, in hetwelk men, uit hoof≠de van den langdurigen winter eerst op den 5den maart ll. een aanvang konde maken met de ontginning der gronden, het bouwen der woningen, en het plaatsen der kolonisten.

Aan het onder-Direkteurshuis werd de Kommissie door den Generaal-Majoor Van den Bosch en deszelfs broeder, den Heer Direkteur, op het minzaamst ontvangen, die beiden de meest ondubbelzinnige bewijzen hebben aan de dag gelegd, om aan de Kom≠missie die inlichtingen te geven, en die aan≠wijzingen te doen, welke door haar verlangd of als nuttig en aangenaam konden be≠schouwd worden.

Deze kolonie, bestaande uit een aantal van honderd woningen, alle op de meest doelmatige wijze ingerigt om, aan derzelver bewoonders, zoo wel voor hun zelve, als voor de berging van de producten hunner gron≠den, het grootst mogelijk gemak te ver≠schaf≠fen, en geplaatst op eene uitgestrekt≠heid van drie honderd en vijftig morgen land, waarvan, aan ieder huisgezin drie en een halve mor≠gen, ter bebouwing, is gegeven, heerscht eene bewon≠derings≠waardige werk≠zaamheid.

De ontginning van deze gronden, zoals die door de Directie der Maat≠schappij is aan≠genomen, wordt thans, alleen verrigt door de kolonisten, als mede door de weezen en kinderen, ieder naar mate hunne physieque krachten zulks toelaten. Deze ofschoon bijna allen met het werktuigelijke van den land≠bouw te voren geheel onbekend, hebben hierin ongelooflijke vorde≠ringen gemaakt, en leggen thans, in hunnen arbeid, eene behen≠digheid aan den dag, welke het meest vol≠doende bewijs oplevert, dat menschen, hoe≠zeer tot deze arbeid niet opgebracht echter, indien zij bezield zijn met eene goede wil, en door goed onderrigt geleid worden, voor de≠zelve in korten tijd geschikt maken worden.
(...)

Over kolonie II, Frederiksoord-2:

pagina 795 Het is op de grenzen dezer kolonie, dat de steenbakkerij door middel van een veldoven gevestigd is. De steen, gevormd van een soort van leem, dat op de plaats zelve gegra≠ven wordt, is zeer geschikt tot de bouwing der koloniale woningen.

Reeds zijn er eenige honderd duizend steenen in gereedheid, een dertigtal kolonis≠ten zijn dagelijks ter uitbreiding dier steen≠bakkerij met ijver werkzaam, en worden in deze arbeid onderrigt door twee uit Noord Braband ontboden deskundige personen, welke alleen tot onderwijs aangenomen, eer≠lang door de kolonisten zelve zullen vervan≠gen worden.
De oprigting dezer steenbakkerij, levert een dubbeld voordeel op, niet alleen om dat aldaar bereid, aan de Maatschappij reeds in dit jaar, ondanks de aanmerkelijk voorschot≠ten, tot de primitieve oprigting vereischt, een derde minder zal kosten, dan die welke tot nu toe gebruikt en van elders ontvangen is; maar ook om dat deze arbeid eene nieuwe en belangrijke bron van bezigheid voor de kolonisten heeft geopend, welk laatste mede het geval is met de bewerking van den turf tot het bakken van den steen benoodigd. Welke turf uit de hoge veenen aan de Maat≠schappij toebehorende en in de nabijheid der steenbakkerij gelegen, opgegraven wordt.
De graving van denzelven geschiedt regelmatig, en levert wederom een bewijs op, voor de geschiktheid der kolonisten, om zich, in korte tijd, tot allerlei soort van arbeid te bekwamen.
De in den loop van dezes winter, door de Maatschappij wederom opgemaakte wijk of vorst lopende, langs de kolonie, en de steenbakkerij naar Noordwolde, welke zich aldaar met de rivier de Linde vereenigt, biedt de Maatschappij het groote voordeel aan, om alle hunne overvloedige producten te zullen kunnen afvoeren en in commercie te bren≠gen.

Over kolonie I, de Moeder-Kolonie Frederiksoord-1:

pagina 706 In deze kolonie is ieder koloniaal huisgezin van eene koe voorzien, welke eerlang met een tweede zal worden vermeerderd.
Deze eene koe, kan door middel van en bijvoeging der kunstmatige mestbereiding eene genoegzame hoeveelheid mest opleve≠ren, om de cultuur in 't vervolg te bevorde≠ren. Ook zijn de vrugten ten dezen jare ge≠oogst, uitsluitend op dezelve gebouwd, zood≠at er geen mist van buiten of van elders is aange≠voerd geworden of gebruikt.

Er volgt een opsomming van alle te veld staande vruchten, met de constate≠ring dat alle er redelijk tot goed bijstaan. Ook het reeds binnenge≠haalde kan aan die kwalifica≠tie voldoen.

Ieder huisgezin van een handkarnmolen voorzien zijnde ter bereiding van boter, heeft de eene meer, de ander minder, echter door elkanderen geno≠men, 3 pond s weeks ge≠maakt.
Welwillendheid en werkzaamheid, zijn de vrij algemeene grondtrek≠ken, die de bewo≠ners dezer kolonie, in het bijzonder van den oudsten tot den jongsten kenschetsen.
De ijver en de vatbaarheid, bij allen ech≠ter niet gelijk zijnde, volgt van zelve, dat de vrugten der industrie door hun geoogst bij de eene meer, en bij de andere minder zijn.

De order en netheid in de groententui≠nen, en de meerdere of mindere zindelijk≠heid, welke rondom de woning heerscht, doet den wandelaar bij den eerste opslag zien, waar een arbeidzaam en vlijtig, of waar een traag en door aanspooring tot werkzaamheid gehouden huisgezin woont; hier leert men de onbetwistbare waarheid kennen dat vlijt en braafheid de voedsterlingen zijn van welvaart en achting, traagheid en slechtheid die van bekrompenheid en verachting.

Door de wijze maatregelen welke de Directie genomen heeft, waakt zij met eene vaderlijke bezordgheid over die weinigen, die door luiheid of zorgeloosheid omtrent hunne belangen zich kenmerken.
Een groot aantal anderen, die gedurende een verblijf van bijna twee jaren in de kolonie zich door ijver, braafheid en een goed gedrag hebben doen kennen, het vertrou≠wen en de achting der Directie hebben verworven, worden reeds als gewone huurders aangemerkt en als zood≠anig behandeld.

De Medailles ingevolge de bestaande reglementaire bepalingen aan hen uittereiken zijn reeds in gereedheid en zullen eerlang worden uitgedeeld.

Bij het binnentreden der woningen van verschillende huisgezinnen, bespeurde de Kommissie bijna overal, even als in de vroe≠ger gemelde kolonien orde, zindelijkheid, weltevredenheid, en bescheidenheid.

De bouworde der woningen dezer kolo≠nie, beviel de Kommissie echter minder dan die welke in de vroeger gemelde kolonie geplaatst zijn, weshalve zij de afwijking van deze eerste bouworde, als een zeer grote verbetering aanmerkt.

De schuren waren allen met de vrugten hunner velden opgevuld en ieder kolonist was reeds, behalve van een koe, mede van een varken voorzien, voor het welk bij zom≠mige reeds meel, ter mesting, gereed stond. Ook zag de Kommissie alhier bij veelen, der resul≠taten van bijzonderen vlijt, van orde en spaarzaamheid, zoo als onder anderen bij de een, een kalf, dat hij zelve had aangefokt en opgebragt, zonder eenige hulp, of voorschot der Maatschappij. Bij een ander, eene kudde van vijf schapen, die hij zich ook zelve had verworven. Bij een derde, een geit, ja zelfs bij een vierde een paar paarden, waarmede hij somtijds voor zijne medekolonisten, en ook somwijlen buiten de kolonie, met voor≠deel werkzaam is.

Naburige landlieden, de schone resulta≠ten van de nijverheid dier kolonis≠ten gezien hebbende, volgen ook reeds in de bebouwing hunner landen, in de bereiding hunner mest≠specie, het voetspoor, hun door de Maat≠schappij van Weldadigheid aangewezen.
(...)

In het welingerichte schoolgebouw dezer kolonie, vond de Kommissie eene afdeeling van leerlingen, ten getale van honderd, be≠hoorende voor een gedeelte aan de kolonie no.1 en voor een gedeelte aan die met de kolonie no.2 vereenigd.
Zindelijkheid en uiterlijk bewijzen van gezondheid der kinderen; zagte en duidelijke wijze van instructie, als mede bevattelijkheid en eergierigheid der leerlingen, was dat gene wat de Kommissie met zeer veel genoegen dadelijk in het oog viel. Meer dan 80 kinde≠ren, waarvan 13 bij hunne komst in de kolo≠nie eenigermate konden schrijven, waren thans daarin tamelijk geoefend en veelen gaven voldoende blijken van bekwaamheid in het lezen, rekenen en in de eerst gronden des taal en aardrijkskunde; het gene des te aanmer≠kelijker is, uit hoofde dat men hen slechts twee uuren daags tot schooloefe≠ning van hunne hoofdbezigheden ontneemt.
Allen waren naarmate hunner vorderingen in ver≠schillende klassen verdeeld. Zij, die zich in de afgelopen maand het meest hadden on≠derscheiden, en ten gevolge daarvan de eerste in hunne klasse waren geworden, waren versierd met eene kope≠ren medaille, en de eergierigheid die hier door was opge≠wekt, was op hun gelaat te lezen wanneer men deze scheen op te merken.

De schoolboeken van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, als mede de natuur en aardrijkskundige mengeling van Amslijn, kostschoolhou≠der te Haarlem, zijn alhier in gebruik; ook waren deze kinderen vrij wel ervaren in de zangkunst; de schoone volks≠liederen van de Heeren Tollens en Brand wierden bij afwisseling door de jongens en meisjes op eene niet onbevallige wijze ge≠zongen. De Kommissie verliet dit schoolver≠trek, eenen erkentelijken blik werpende op den edelen en belangloozen menschen≠vriend, die het eerste denkbeeld tot oprigting dezer weldadige Maatschappij heeft gegeven en zoo ruim door zijn kunde en werkzaam≠heid heeft bijgedragen tot het daarstellen derzelve en die deshalve met regt als de eerste oorzaak moet worden aangemerkt, dat wezens, wier bestemming scheen te zijn om in armoede en onkunde als ballasten der burger maatschappij om te dolen, thans tot nuttige, werkzame en bekwame leden derzel≠ve worden gevormd.
(...)