Naar het overzicht
van de maandbladen



Pieter Otto van der Chijs, hoofdredacteur van de Star in 1826 en van de Vriend des Vaderlands gedurende de hele periode van haar bestaan (1827-1842)

Pieter Otto van der Chijs is geboren op 22 augustus 1802 in Delft, als oudste zoon van Jacobus van der Chijs en Anna Susanna Bagelaar. Volgens het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, dat een artikel aan zijn zus heeft gewijd, zie hier, stamt zijn vader uit een geziene koopmansfamilie en handelt hij in thee, boter en kaas. Ze hebben het in ieder geval breed voor 19e eeuwse begrippen.

Donatie

Het verhaal gaat dat Pieter Otto van jongs af aan is geÔnteresseerd in oude munten en hij op zijn zestiende al een aardige muntenverzameling heeft, als hij zo gegrepen wordt door de oprichting in 1818 van de Maatschappij van Weldadigheid dat hij die verzameling verkoopt, het geld doneert en een excursie maakt naar Frederiksoord.

Daarbij zal de broer van zijn moeder een belangrijke rol gespeeld hebben. Luitenant-kolonel Jan Hendrik Bagelaar (1780-1827) is een persoonlijke vriend van de stichter der koloniŽn Johannes van den Bosch en hij heeft aan de kolonie de Ďzware en welluidende klok met passende inscriptieí geschonken die de kolonisten in Frederiksoord elke ochtend duidelijk maakt dat de werkdag dient te beginnen.

De vader van Pieter Otto staat op de lijst van 'inteekenaren', zeg maar abonnees, die voorafgaat aan het eerste nummer van het maandblad van de Maatschappij de Star, zodat je mag aannemen dat Pieter Otto het blad vanaf het eerste nummer heeft gevolgd.

Leidse studenten

Pieter Otto van der Chijs blijft ook enthousiast als hij te Leiden is gaan studeren. Op 26 april 1823, invnr 65, stelt hij de permanente commissie van de Maatschappij voor een subcom≠missie onder de Leidse studenten op te rich≠ten. Hij heeft hiervoor al 80 leden en de goedkeuring van de subcommissie van weldadigheid Leiden.

Met het ongeduld van de jeugd ligt er volgens het brievenboek met invnr 20 op 1 mei 1823 al een brief van: 'P.O. van der Chijs, Verzoekt antwoord op zijnen brief van den 26 april ll.'

Subcommissie

Nog diezelfde maand blijkt het al achterhaald. Bij de ingekomen post invnr 65 zit een brief van 17 mei 1823 waarin 'P.O. van der Chijs uit Leiden' meldt met de plaatselijke subcommissie te zijn overeengekomen dat er twee studenten in het bestuur van die subcommissie plaats zullen nemen, en dat er dus geen aparte subcommissie voor studenten zal worden opgericht.

In een overzicht van leden van subcommissies in invnr 1015 staat Pieter Otto van der Chijs inderdaad vermeld als lid van de subcommissie Leiden. Ook later, maar dan niet meer als student maar als 'Doctor in de Letteren' staat hij erbij.

Uit een brief van 23 juli 1838, invnr 197 scan 477, blijkt dat hij er dan nog steeds inzit en dan optreedt als waarnemend secretaris van de subcommissie Leiden.

Ledenwinst

De Maatschappij van Weldadigheid is erg blij met zijn activiteiten in een periode dat het imago veel te lijden heeft onder het voornemen weeskinderen op te nemen in Veenhuizen.

In de Star van september 1823 wordt op pagina 710 melding gemaakt van ledenwinst dankzij de activiteiten van 'eenige Heeren Studenten aan de Hoogeschool te Leyden'.

Het brievenboek met invnr 20 meldt een brief van 15 november 1823 van P. O. van der Chijs die schrijft 'dat op zijne bemoeijingen reeds 163 studenten leden hunne kontributie voor 1823 hebben voldaan; zich vleyende met meerdere deelneming'.

Honorair lid

In de Star van december 1823 wordt melding gemaakt van 'den loffelijken ijver van de Heeren P.O. VAN DER CHIJS c.s.'.

Op 22 november 1823 schrijft de permanente commissie hem een bedankbrief voor de ledenwinst en op haar vergadering van 20 november 1823 bij agendapunt 15, invnr 39, wordt besloten: 'Van der Chijs voorgedragen tot honorair lid'.

In het register van honoraire leden met invnr 1017 staat als datum van zijn benoeming tot honorair lid echter 12 juli 1824.

Hoofdredacteur

Op 19 januari 1826 overlijdt Willem Anthonie Ockerse, die behalve secretaris van de permanente commissie ook hoofdredacteur van de Star was. Op 22 januari 1826 besluit de permanente commissie die twee functies voortaan te scheiden.

Jan van Konijnenburg, de latere directeur der koloniŽn, wordt dan secretaris van de commissie en per 20 februari 1826 wordt Pieter Otto van der Chijs benoemd tot hoofdredacteur, zie de tekst van dat besluit.

Vriend des Vaderlands

De Star is echter kwijnende en in de loop van 1826 wordt besloten tot wat tegenwoordig een doorstart heet. Per 1827 en met een nieuwe naam, de Vriend des Vaderlands. Dat begint succesvol, er zijn meer dan duizend 'inteekenaren' op het nieuwe, door Pieter Otto te redigeren, blad.

In een bij de Star van 1826 gevoegde verklaring wordt aangekondigd dat het de bedoeling is in het nieuwe blad 'meer omstandige berigten uit de kolonien te leveren'.

Financieel-1

In de financiŽle constructie van de maandbladen heb ik mij zelf niet verdiept, maar gelukkig heeft Kees Thomassen over dit onderwerp geschreven in het Nieuw Letterkundig Magazijn, jaargang 21, 2003, zie hier. Daaruit:

Dat redacteurschap was bepaald geen sinecure, maar er stond wel wat tegenover. Star en Vriend werden voor eigen risico uitgegeven door de Amsterdamse boekhandelaar Joh. van der Hey en Zoon. De Maatschappij kreeg voor de geleverde kopij een honorarium dat gerelateerd was aan het aantal abonnementen: voor driehonderd verkochte exemplaren É300 en voor elke honderd meer nog eens É300. Het honorarium van Van der Chijs bedroeg een kwart van het Maatschappijhonorarium.
Het eerste jaar van het bestaan van De Vriend was hij spekkoper: de in 1827 afgezette duizend exemplaren krikten zijn bescheiden inkomen met maar liefst É600 op. Tot verdriet van Van der Chijs (...) daalde de vergoeding in krap zes jaar tot een luttele É214,50. Reden voor een jaarlijks terugkerend gesteggel tussen hem en J.P. Ciriaci, zijn contactpersoon bij de Permanente Commissie van de Maatschappij van Weldadigheid

J.P. Ciriaci is vanaf 1 juni 1829 hoofd van het secretariaat van de permanente commissie als opvolger van Jan van Konijnenburg die dan directeur der koloniŽn wordt. Volgens Thomassen fixeert de Maatschappij vanaf 1833 het jaarinkomen van de hoofdredacteur op É250,- met de toevoeging Ďzonder consequenties voor een volgend jaarí. Correspondentie van Van der Chijs bevindt zich in invnr 958 en deels in invnr 957, terwijl er af en toe een brief tussen de gewone ingekomen post is terecht gekomen.

Inhoudelijk

Het streven naar 'meer omstandige berigten uit de kolonien' wordt zeker waar gemaakt in de jaargang 1827 van de Vriend des Vaderlands. De nummers van dat jaar zijn bijzonder interessant! Met beschrijvingen van de gestichten in Veenhuizen, met in het maart-nummer heel veel informatie over de militaire veteranen die er wonen en met diverse prachtige tekeningen van de koloniŽn. Die laatsten zullen het echter ook een waanzinnig dure jaargang gemaakt hebben.

Qua platen wordt het daarna een stuk minder, zie ook dit overzicht, maar ook de aandacht voor de koloniŽn in het blad wordt minder. Na een tijdje beperkt dat zich tot de jaarverslagen, de verslagen van de commissie van toevoorzicht en de maandelijkse rubriek 'Berigten wegens den staat der Maatschappij en uit de koloniŽn'.

Recensies-1

Het blad wordt steeds meer gevuld met literaire bijdragen van door Pieter Otto uitgenodigde dichters en schrijvers, waaronder diverse grootheden, en door hem zelf geschreven recensies van uitgekomen boeken.

Soms hebben die boeken iets met de koloniŽn te maken. Zo staat op deze pagina de hele tekst van zijn recensie van een boek dat een employť van de Maatschappij geschreven heeft.
Op het eind daarvan betrekt hij nog de koloniŽn erbij.

Recensies-2

Via die recensies smokkelt Van der Chijs ook artikelen over zijn hobby numismatiek het blad in.
Zo bespreekt hij in de jaargang 1829 ook:

■ G. van Orden, Bijdragen tot de numismatiek van het Koningrijk der Nederlanden, eerste cahier en tweede cahier,
■ J. de Vries en J.C. de Jonge, Nederlandsche Gedenkpenningen verklaard, met verdere bijdragen tot de Penningkunde, en
■ Mr. C. Dronsberg, Over het Muntwezen, voornamelijk over de wetten daaromtrent, in Nederland gegeven.

Meisje mijner keuze

In het hiervoor al genoemde artikel van Kees Thomassen citeert hij een briefje van Pieter Otto van der Chijs aan de Maatschappij uit 1829:

Mijn geheele inkomen alhier, zonder eenige de minste emolumenten (ik zoude wel van negatieve kunnen spreken) beloopt slechts É1.000 dus kan UWelEd. wel nagaan dat mij iedere vermeerdering van inkomen hoogst welkom zoude zijn, ten einde aan mijn verlangen om met het meisje mijner keuze vereenigd te worden, te kunnen voldoen.

Genoemde meisje is Helena Catharina Maas, geboren 21 maart 1806, met wie Pieter Otto op 4 augustus 1830 te Schiedam in het huwelijk treedt.

Muntkunde

De numismatiek laat Van der Chijs niet los. In het nummer van de Vriend des Vaderlands van augustus 1832 worden op pagina 596 lezers uitgenodigd in te tekenen op het 'Tijdschrift voor algemeene Munt- en Penningkunde, uittegeven door P.O. van der Chijs te Leiden'. Het blad zal vanaf 1833 verschijnen.

Uit het vaker genoemde artikel van Thomassen begrijp ik dat hij vanaf 1835 ook directeur van het universitaire Penningkabinet in Leiden is.

Recensies-3

Of alle recensies in de Vriend des Vaderlands van zijn hand zijn weet ik niet, want ze zijn niet ondertekend. Maar over het algemeen zijn ze, zwak gezegd, vrij stevig. Af en toe tegen het onbeschofte aan, andere keren met (venijnige) humor.

Zo staat in het nummer van april 1834:
Als u dit boek leest:
Vervelingvolle dagen treden dan voor u op,
Zij gaan langzaam voorbij en laten geene herinneringen na.

Financieel-2

De Maatschappij van Weldadigheid is notoir slecht van betalen. Bij de ingekomen post zitten tientallen brieven, die ik nog een keer zal verzamelen op deze pagina, van leveranciers die maar niet betaald krijgen.

“p 10 mei 1834 schrijft Van der Chijs een brief, invnr 148 de scans 117 en 118, waarin hij volgens de samenvatting van een Vele Handen-invoerder klaagt over het uitblijven van zijn honorarium over 1833 en opsomt wat hij allemaal voor de Maatschappij van Weldadigheid gedaan heeft.

Einde Vriend des Vaderlands

In 1842/1843 hangt het voortbestaan van de Maatschappij van Weldadigheid aan een zijden draadje. In het kader van bezuinigingsmaatregelen houdt ook de Vriend des Vaderlands op te bestaan. In een brief op 7 april 1843, invnr 274 scan 535, vraagt Pieter Otto van der Chijs in de transcriptie van een Vele Handen-invoerder:

om de uitbetaling der tweehonderdvijftig gulden, welke mij als zuur verdiend honorarium voor de redactie van de Vriend des Vaderlands over het jaar 1842 toekomen.
Niet twijfelende of UwE zullen mij, die zeventien jaren lang, d.i. van den dood des Heeren Ockerse af dikwijls met opoffering van eigen belangen de zaak der Maatschappij voorstond, door zich zulk een moeilijk werk tegen zoo sobere belooning te getroosten, wel onder de eersten willen voldoen.

Tot slot

Uit deze brief wordt geciteerd op pagina 233 van De strafkolonie. Of hij zijn geld nog gehad heeft weet ik niet.

Een jaar later neemt Pieter Otto van der Chijs het initiatief voor een herdenkingspenning bij het overlijden van Johannes van den Bosch. Zie daarvoor deze pagina.

Verdere contacten tussen hem en de Maatschappij ben ik nog niet tegengekomen, maar ik neem aan dat hij lid gebleven is. Bij de numismatici in ons land maakt hij zich daarna onsterfelijk door beschrijvingen te maken van alle munten die in ons land geslagen zijn vanaf de zesde eeuw tot 1576. Hij overlijdt 4 november 1867 in Leiden, een 'levensbericht' in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1869, staat op de site van de DBNL.