Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





De medailles voor kolonisten in de drie vrije koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord

‘Zonder beloning is het niet mogelijk menschen tot ons doel te lijden,’ aldus Johannes van den Bosch. Tot dat belonen behoort het toekennen van medailles en voorrechten aan kolonisten die zich onderscheiden door ijver en gehoorzaamheid.

In het reglement dat alle kolonisten bij hun aankomst moeten ondertekenen, wordt uitgelegd welke plannen er zijn met betrekking tot de gouden, zilveren en koperen medailles, zie de artikelen 21, 22, 23 en 24.

AANBOD VAN EEN JOOD

Dat moet voor het eerst uitgevoerd worden bij de eerste proefkolonie, gestart eind oktober 1818 in Frederiksoord. Om te beginnen moeten er medailles komen. Het brievenboek van de permanente commissie, invnr 18, meldt op donderdag 4 februari 1819 een brief van de kassier van de Maatschappij Petrus Ameshoff, de Amsterdamse zakenman die altijd aan het ritselen is en die melding maakt van het

Aanbod van een jood, om gratis een stempel voor de Maat­schappij te snijden.

De door Ameshoff geschreven tekst bevindt zich in invnr 50 en hebben we nu ook teruggevonden:

De jood vdGoen stempelsnijder, wil voor niet,  - de weldadigheid - een cachet snijden. Wanneer bijvoor­beeld daarvan wilt profiteeren door het onder­staande te laten snijden zal ik hem zulks opgeven.

MEDAILLES

Onderaan die brief heeft Ameshoff zelf maar een tekening van een stempel ontworpen. In de buiten­ste cirkel staat 'Maatschappij van Weldadigheid'. Binnen in staat: 'Permanente Kommissie'. Er naast staat nog geschreven 'of grooter'.

In het brievenboek wordt bij het aanbod van de stempelmaker genoteerd dat er is besloten:

Te vragen, of hij er een snijden wil voor de koloniale medail­les.

Maar naar aanleiding daarvan komt Ameshoff op 10 februari 1819, invnr 50, ook met kritische kanttekeningen:

Wat de jood aanbelangd welke, voor de Maatschappij gratis een cachet zou snijden, deze geenszins knap is; ik voor mij zou hem, voor mij zelver, niet gaarne iets te bewerken geven. Voor andere administra­tiën vervoeg ik mij bij D. van der Kellen, aan de Munt te Utrecht, en wat die man levert is goed.

VAN DER HEIJ

Het verdere contact hierover loopt via Johannes van der Heij in Amsterdam. Hij is drukker/uitgever en hij drukt ook het maandblad van de Maatschappij de Star en heeft blijkbaar contact met Van der Goen. Een jaar later, 4 februari 1820, melden de notulen van de permanente commissie, invnr 38:

De Generaal rapporteert op den brief des Direkteurs no.7. Props. normde(?), op de daarbij aanbevolene kolonisten, Molenaar en Gerards, bij het uitdeelen der medailles re­gard te slaan; en tevens bij den Heer vd Heij te informeeren of de stempel voor de medail­les desw. nog niet gereed is.

ELLENDIGE KAEREL

Met de Generaal wordt Johannes van den Bosch bedoeld. Die vertrekt kort hierop naar Steenwijk om van daar uit de kolonie Willemsoord te stichten en houdt in zijn brieven naar Den Haag het vuurtje warm. Na een paar maanden is hij behoorlijk ongeduldig. Op 6 juni 1820 schrijft hij aan de secretaris van de permanente commissie Willem Anthonie Ockerse, invnr 55:

Het is warelijk wel ongelukkig dat wij de stempel niet gesne­den kunnen krijgen en de medailles niet kunnen deelen.
De brave op­passende man heeft werkelijk niets van nut boven de liederlijke.
Ik geef noch in beden­king van dezelven in Parijs of Londen te laten snijden, want de kaerel te Am­sterdam houd ons voor de gek.
Zonder beloning is het niet mogelijk men­schen tot ons doel te lijden en word veel om een onder­scheiding zaken gedaan.
Dus is het menselijk zwak mijn mis­sie om de krag­tige hefbomen om de menschelijke geest in beweging te brengen.
Al­leen om het talmen van een ellendige kaerel die snede Amsterdam­mers schijnt te colpe­reren.

BIJNA GEREED

De rest van de permanente commissie besluit daar een dreigement van te maken. De notulen van zondag 11 juni 1820, invnr 38, melden:

Besloten aan de Heer vd Hey te vragen of de medaille nog niet gereed is, zullende de P.K. anderszins zich elders vervoegen.

Dat werkt!! Op 14 juni 1820, invnr 55 scan 692, schrijft Jacob van der Heij, zoon van Johannes, die meldt dat zijn vader op dat moment op reis is, maar dat hij zelf

dadelijk de graveur [is] gaan spreken die mij gezegd heeft, dat de stempel voor de medaille zoo goed als gereed is en als er geen ongeluk aan komt zoo als aan de vorige, is hij in staat om in het begin der volgende week medailles
te leveren

Op 21 juni 1820, invnr 55, schrijft Johannes van den Bosch vanuit Steenwijk nog 'De medailles worden met verlangen tegemoet gezien', maar dan is het zo ver. In een van zijn volgende brieven reageert Johannes op de hem blijkbaar toegezonden proefexemplaren van de medailles.

EEN OOGJE OP SOLDEREN

Hij uit zijn tevredenheid erover en reageert op de blijkbaar bij de medailles gevoegde voorstellen van de andere leden van de permanente commissie. Brief uit Steenwijk 27 juni 1820, invnr 55:

Amicissime!

Het kopje van de maagd dunkt mij moesten wij nog eenigzins zien verbleid te krijgen.
De grote van de medaille bevalt mij wel. Gouden zullen wij niet veel uittedeelen heb­ben voor als nog. Kon ik er maar een die daar op aanspraak maken kan.
Chinees koper komt wat nabij het zelve, anders is hetzel­ve zeker verkiesbaar boven geel koper.
De gouden medaille dunkt mij moest niet te duur zijn. Men behoort met dezelve zeer spaarzaam omtegaan en dan is zulks geen bezwaar van belang.
Gaarne zal ik mij intus­schen adresse­ren met het geen de leden deswegens zullen besluiten.
Het volgende getal schijnt mij voor eerst vol­doende om een behoor­lijke uitdeeling te kunnen doen en nog een berievelijk getal in reserve te houden

2 gouden
10 zilveren
30 koperen

Mijn broeder zal eerdaags aan de Kommissie inzenden een voor­dragt van personen die daar op aanspraak hebben.
Ik conformeer mij met het gevoel om er een oogje op te solderen. Ik meen echter dat de Prins bepaald had dat deze medailles op den rok genaaid zouden worden. Mis­schien om geen aanstoot te geven zal het nog no­dig zijn deswegens de Koning permis­sie te vragen om die aan een lintje te mogen dra­gen.

EEN MAAGD

Of Johannes het kopje van de maagd blijer wil maken of er iets anders mee doen valt door zijn rottige handschrift niet te lezen, maar belangrijk om te onthouden is dat er een maagd op de medaille staat.
Hij wil er dus een oogje op solderen en krijgt daarvoor blijkbaar de zegen van prins Frederik die het eerder anders bedacht had, want elders, in de reglementaire beginselen, schrijft Johannes dat ‘de medaille aan een oranjelint op de linkerborst gedragen wordt’.

Met 'mijn broeder' die een voordracht zal doen, bedoelt hij Benjamin van den Bosch, de eerste directeur der koloniën. Die gehoorzaamt stipt. De voordracht gedateerd 29 juni 1820 wordt beschreven in De proefkolonie pagina 255-257, de volledige tekst van de voordracht inclusief de bron staat op deze pagina.

DE STEMPELS

De proefexemplaren zijn dus goedgekeurd en de medaillemaker wil geld voor de stempels. Vooral omdat er volgens latere berichten (zie verderop) tijdens het maken van de proefexemplaren iets fout is gegaan: een van de stempels is gebroken en moest opnieuw gemaakt worden. Vermoedelijk was dat het stempel van de achterkant met 'Tot belooning', want Johannes' opmerking over het niet blij kijken van de maagd is op de definitieve medailles nog te zien.

Volgens diezelfde latere berichten is over die stempelbreuk onderhandeld en is een tegemoetkoming overeengekomen, zodat de permanente commissie naast 250 gulden voor de stempels ook 50 gulden betaalt voor het opnieuw in staal graveren van een van beide stempels.

DE NAAM?

Daarvoor moet er - papiergeld bestaat nog niet - een mandaat uitgeschreven worden en daarbij doet zich een probleempje voor. Blijkens de notulen van de permanente commissie van donderdag 20 juli 1820, invnr 38:

Besloten aan den Heer vd Heij te schrijven, dat de P.K. verzoekt dat de medailleur zijn naam duidelijker schrijve, dewijl de Kommis­sie dezelve volstrekt niet kan lezen, en dus geen mandaat kan kreeeren.

Dat probleempje wordt snel opgelost. De notulen van de permanente commissie van zondag 23 juli 1820, invnr 38, melden een brief van:

J.S. van der Goen, zoon & Klonzing te Am­sterdam 20 july. Verzoekt de gouden en zil­veren medaille te rug, meldt dat de koperen volstrekt van rood koper moet zijn, verzoekt eenig voorschot voor de penningen die gesla­gen moeten worden.
Besloten een mandaat te kreeren van ƒ300 no.452 en te melden dat de gouden medaille aan Prins Fred. verzonden is en dus niet kan worden geretourneerd en dat de koperen medaille dan, zoo 't anders niet kan, moet geslagen worden van rood koper.

DE MEDAILLES ZELF

Daarmee zijn de stempels betaald en kunnen de medailles gemaakt worden. Wanneer die geleverd worden is niet bekend, maar vermoedelijk pas laat in 1820, want de rekening die Van der Goen, Zoon en Klouzing stuurt is gedateerd 6 december 1820. Die rekening bevindt zich in invnr 1021, de stukken voor de jaarverslagen 1821-1823.

NB: Het gereken lijkt niet te kloppen, maar dat komt omdat Van de Goen en de zijnen niet rekenen met centen, maar met stuivers en duiten. En ƒ 231:8:8 in stuivers en duiten is hetzelfde als ƒ 231,42½ in centen. Met 'schroeven' zullen ze bedoelen stempelen, maar dat komt verderop nog terug.

Amsterdam, den 4 December 1820

Gemaakt en geleverd ten dienste van de Welld. Heere van de Permanente Commissie door S. vd Goen, zoon & Klouzing:
Voor 3 goude medaljes wegende 1 ons 14½ Engels a ƒ 53 het ons
ƒ 91:8:8
voor t schroeven dezelve a ƒ 7 t stuk ƒ 21:  :  
dito 10 zilverde a ƒ 6: het stuk
ƒ 60:   : 
dito 30 kopere a ƒ 1:16 het stuk
ƒ 54:  :  
twee mooije doozen a ƒ 2:10 het stuk
ƒ  5:  ;   

ƒ 231:8:8

NOG EEN REKENING?

Die rekening komt voor de permanente commissie onverwacht. Blijkbaar dachten ze dat ze met die 300 gulden al voor de medailles betaald hadden. Ze sturen de rekening door naar Johannes van der Heij met de vraag hoe het zit en die legt het op 19 januari 1821, invnr 56, scans 121-122, haarfijn uit:

Weledele Heeren,

In antwoord op UwelEd brief van den 15 dezer dient dat op authorisatie van UwelEd door mij het graveren der medaille in staal is geaccordeert op ƒ250:--doch toen de eerste medaille wierd geschroeft, brak ongelukkig de eerste helft van de schroef.
Daarop is ter gemoetkoming der graveurs die de helft der schroef opnieuw moeten graveren, geaccordeert ƒ 50:-- schadevergoeding, en dus kost de schroef die altijd ter disposche van UwelEd blijft ƒ 300:-- die dan ook betaald is.
De schroef dus in order zijnde, zijn daarop de medailles gemaakt, op inliggende rekening gemeld, en deze medailles kosten ƒ 231.8.8.
Hiermede vertrouwende UwEd genoegzaam te hebben geëlucideert, heb ik de eer met alle hoogachting te zijn.

VERWONDEREN

Blijkbaar is Johannes van der Heij met de vraag van de permanente commissie eerst naar de medaillemakers gegaan, want invnr 56 scan 112 is een kattebelletje ondertekend met 'S. vd Goen zn & Klouzing', gedateerd 18 januari 1821. Vermoedelijk zat dat oorspronkelijk als bijlage bij de brief van Van der Heij. maar is dat bij het digitaliseren 'losgeraakt'. De tekst:

Mijn Heer van der Heij 't doet ons verwonderen, als dat wij een boodschap bekomen, van wegens ’t geld van de medaljes.
UWEd weet ’t ook zoo goed als wij, als dat dezelven niet betaald zijn, want die driehonderd guldens die wij ontvangen hebben, dat is geweest voor de stempels en niet voor de medaljes want ons ackoort waar voor de stempels tweehondert vijftig Guldens en toen dezelven gebrooken is zouden de Heeren ons Vijftig Guldens in 't gemoet komen, en dat is 't geen dat wij ontvangen hebben.
Blijve met alle hoogachting
Uwe Dw dienaren

TE GROTE UIJTSCHOTTEN

De permanente commissie stelt de brief op de vergadering van 21 januari 1821 artikel 14 in handen van Faber van Riemsdijk en die laat weten het voor notificatie aan te nemen. Maar daatschappij van Weldadigheid is notoir langzaam met het betalen van rekeningen en maakt vooralsnog geen aanstalten tot het betalen van de medaillemakers. Dat kunnen ze bij Van der Goen niet lijden. Op 18 april 1821, invnr 57 scans 79-80, schrijft de firma:

Aan de WelEd Heeren,
De Heeren van het permanenten Commissie van Weldadigheid

Mijn Heeren,
Daar wij de vrijheid nemen om aan UwE eens te invormeeren hoe het ook weezen mag met de penningen van de medaljes daar de Heer van der Heij ons yder maal te leur stelt want Zijn Ed steld ons uijt van den eenen tijd tot den anderen, en daar wij op het moment bezet zijn, zoo neemen wij de vrijheid om bij de WelEd Heeren van de Commissie te vervoegen terwijl 't ons niet moogelijk is om zoo lang crediet te verleenen terwijl de uytschotten te groot zijn van het goud en zilver,
in afwagting van UwE geeerden antwoordt blijve wij met alle Hoogachting
UwEDWdienaren
S. van der Goen, Zoon & Klouzing,
Amst 18 April 1821

DE PRIJS ZEER LAAG GESTELD

De permanente commissie stelt deze brief in handen van Faber van Riemsdijk, bespreekt het op de vergadering van 20 april 1821 N4 en schrijft de firma terug op 27 april. Blijkbaar meldt ze dan dat ze de rekening te hoog vindt en vraagt ze om een toelichting op de factuur, want op 1 mei 1821, invnr 57 scans 181-183 melden de medaillemakers zich weer:

Asn de WelEd Heere
De Heere van 't Permanente Commissie

WelEd Heere
In antwoord op Uwe vragen dient, dat onze rekening in behoorlijke orde is, en niet te hoog gesteld, zoo voor het schroeven der medailjes als 't goud en zilver.
Het schroeven toch der medailles als het goed zal geschieden kost altijd zo veel ja maar hebbende wij omdat het voor eene Maatschappij van Weldadigheid was, de prijs zeer laag zelf gesteld.
Wat nu 't goud betreft, is 't fijn ducatengoud dat thans ƒ 51 in 't ons kost. waar voor men dan ƒ  2:-- voor 't ons rekenen moet voor 't smelte en verlies, is reeds ƒ 53:--
De zilver is van fijne drietels(?) en wat het koper aangaat, dat is weinig waarde, maar 't geen wij er voor hebben gerekend wordt aan arbeidsloon verdient.
Wij hebben voor de WelEd Heer Noordinck gemaakt in 't goud voor het Genotschap ter Verdediging van den Christelijke Godsdienst, en daarvoor alleen voor ieder schroeven ontvangen ƒ 20:--
Indien UwelEd hier ter plaatse het schroeven bijwoonde, zoudt gij overtuijgd worden, dat daar ieder medalje moet 30 (of 50) maal aangezet en geschroeft en dan weder gegloeid worden, dat wij niet te veel hebben gerekend. Ook zijn we genoeg heer, en aan alle Maatschappijen daar wij de medailles voor maken bekend, dan dat wij ons zouden schuldig maken in het zenden eener ontreffelijke rekening.
Wij vertrouwen dus dat de voldoening nu spoedig volgen zal, wijl wij langer wagtende daarmeede te veel schade hebben.
Blijve met alle hoogachting,
UwEDWdienaren
S. van der Goen, Zoon & Klouzing
Amst 1 Mey 1821  .

VREEMD

Het klinkt overtuigend, maar het is dus NIET 'om niet' zoals in 1819 gesteld. De brief wordt weer in handen van Faber van Riemsdijk gesteld en die besluit anderhalve maand later om te gaan dokken. Op 16 juni 1821 wordt het mandaat N106 gecreëerd voor de gevraagde ƒ 231,42½.

Wat vreemd is, is dat de door vrijwilligers gemaakte index op de correspondentie stelt dat de kassier bericht van het mandaat op 28 juni, invnr 57 scan 872, maar daar kan ik Van der Goen niet vinden. Ook vreemd is dat mandaat N106 genoemd wordt op invnr 57 scan 756 voor 'saldo medailles' maar dan op naam van ene Snarenburg Meerburg.

VOLDAAN

Nouja, het is duidelijker op de 'Lijst der Gekreëerde mandaten, sedert primo April 1821, tot ultimo Maart 1822', in invnr 1021, de stukken voor de jaarverslagen 1821-1823:

Ze hebben hun geld voor de medailles ook gekregen, want op de hoger op deze pagina getranscribeerde rekening van Van der Goen, zoon en Klouzing staat de aantekening 'Voldaan'.

AFBEELDINGEN

Welke medailles? Volgens ons zijn het deze, waarvan er eentje zich bevindt in de collectie van het Rijksmuseum, zie hier. Als je daar klikt op de 'i' en daarna op de 'Objectgegevens' zie je een beschrijving.
En een andere bevindt zich in de collectie van het Teylers museum, zie hier. Rechts onderin staat een 'i' waar je op kunt klikken voor nadere informatie.

Er staat een maagd op en er zit een oogje aan. En met op de achterkant tussen twee palmtakken de teksten 'Maatschappij van Weldadigheid' en 'TOT BELOONING', lijkt ons de kans dat dit de in de kolonie aan kolonisten uitgereikte medailles zijn, héél erg groot.

ZILVER

Bij Rijksmuseum en Teylers museum zijn koperen medailles, een voorbeeld van de zilveren, waarvan de Nationale Numismatische Collectie (NNC) er twee heeft, drukken we wat groter af om het beter te kunnen bekijken. Eerst de voorkant:

De maagd, die inderdaad wel wat blijer zou mogen kjijken, heeft één arm op een altaar en keert met de andere een hoorn des overvloeds om. Een naakt jongetje graait in de inhoud. Onderaan staat de naam van de maker. Het randschrift luidt: 'Aan menschlievendheid en vlijt.' Dan de achterkant:



DIRKS

De medaille wordt ook genoemd, als nr 129, in Beschrijving der Nederlandsche of op Nederland en Nederlanders betrekking hebbende penningen, geslagen tusschen November 1813 en November 1863, door Jacob Dirks en die meent onderaan de voorkant ook te lezen 'V.D.GOEN & CO'. Zodat het al met al wel helemaal zeker is dat de medaillemaker Van der Goen heet.

EERSTE MEDAILLE-UITREIKING

Het is sterk de vraag of het in 1820 tot een medaille-uitreiking gekomen is. Er wordt namelijk nergens verslag van gedaan. Als het wel doorging en als de voordracht van de directeur is gevolgd, dan zijn er in 1820 uitgereikt één gouden, vijf zilveren en 25 koperen medailles. Dan zouden er nog over zijn één gouden, vijf zilveren en vijf koperen medailles.

Maar waarschijnlijker is dat de eerste medaille-uitreiking pas in 1821 plaats vond, zie hier, en dan worden er uitgereikt één gouden, tien zilveren en 28 koperen medailles. Dat lijkt sterk op wat Johannes besteld heeft en wat Van der Goen geleverd heeft.

Er zouden dus over moeten zijn één gouden en twee koperen medailles, maar die lijken te zijn zoekgeraakt, want niemand heeft het er nog over.

NIEUWE MEDAILLES BESTELLEN

In zijn brief van 19 januari 1821 schrijft Johannes Van der Heij dat de stempels (of schroeven of schroefstempels) ter beschikking blijvan van de Maatschappij. Als men in 1823 nieuwe medailles wil hoeft men dus daarvoor niet naar Van der Goen en dat doet men ook niet. Men gaat naar de Munt in Utrecht.

Op 27 november 1823, invnr 67 scan 436, met een door de permanente commissie gemaakte samenvatting op scan 437, stuurt muntmeester Suermondt de medailles en de rekening. Ondanks alle pogingen van koning Willem I om dat uit te bannen, rekent ook hij bij zijn nota nog in stuivers, ƒ 178.7 is gelijk aan ƒ 178,35.

Ik heb de eer de maatschappij hiernevens toetezenden de door dezelve verlangde:

1 gouden medaille
25 zilvere id
50 kopere id.

De kosten daarvan bedragen zamen ƒ 178.35 volgs onderst. nota.

Ik heb de eer met bijzondere hoogachting te zijn,
muntmeester
Suermondt

Nota
1 gouden med. 15¾ Engs.
ƒ 40.3
25 zilvere id. 1.2.10
ƒ 35.14
Aan de graveur betaald volgs kwit.
ƒ 102.10

ƒ  178.7

DE GRAVEUR

Die genoemde kwitantie van de graveur, David van der Kellen sr. (1764-1825), stuurt hij mee, invnr 67 scan 438. Die luidt (links in stuivers, de totalen in centen):

Den WelEdel Gestrenge Heer Suermondt debet aan D. van der Kellen

Voor ’t maken En schroeven Van Eene goude Medaille
ƒ   5.----
25 Zilvere à ƒ 1 - 10 - ’t stuk
ƒ  37,50
50 Kopere à ƒ 1 – 4 - ’t stuk
ƒ 60.---

ƒ 102.10

Voldaan
D vd Kellen

Men is dus goedkoper uit dan bij de 'om niet' werkende firma van der Goen. De permanente commissie bespreekt dit op 6 december 1823 bij agendapunt 46, invnr 39:

Besloten op den ingekomen brief van den Heer Muntmeester te Utrecht, in dato 27 Nov., inzendende de bestelde een gouden, 25 zilveren en 50 koperen medailles voor de kolonisten, met de rekening ter somma van f 178:24, - dien Heer te bedanken; voorts te kreëeren een mandaat N499 voor die som aan zijn ordre, ter voldoening van geleverde medailles, hetzelve aan hem te remitteren; met verzoek de goedheid te willen hebben de schroeven bij de Munt te willen bewaren.

De permanente commissie  stuurt 10 december aan de muntmeester het mandaat N499. De muntmeester meldt 11 december, invnr 67 scan 607, dat hij de betaling ontvangen heeft, maar reageert blijkbaar niet op de vraag over het bewaren van de schroeven.
Misschien reageert iemand anders van de Munt wél op die vraag, maar dat hebben we (nog) niet gevonden.

TWEEDE MEDAILLE-UITREIKING

De volgende, en voor zover ons bekend laatste keer dat er medailles aan kolonisten worden gegeven is in 1824, zie hier, Daarbij gaan er achttien zilveren en vijftig koperen medailles de deur uit. Als we kijken wat de muntmeester geleverd heeft, zouden er dus over moeten zijn één gouden en 7 zilveren.

Maar op 15 september 1824, invnr 70 scan 622, schrijft directeur Visser  dat hij naar Den Haag opstuurt:

Alsmede eene staat van uitgereikte medailles op den 31 augustus ll., zijnde thans nog onder mijne berusting, behalve de twee zilveren voor boeren te Veenhuizen bestemd, een gouden en vijf zilveren.

Daar missen dus twee zilveren medailles.

REVIVAL IN 1849

Aan de medailles is een jaarlijkse toelage verbonden. Daarover zal steeds het nodige te doen zijn, maar dat zijn we op deze pagina nog op een rijtje aan het zetten.
Verder wordt er blijkbaar nooit meer aan medailles gedacht tot er een brief, gedateerd 16 april 1849, binnenkomt van Pieter Otto van der Chijs

zoo mogelijk exemplaren verzoekende van de in der tijd geslagen medaille voor de kolonisten met het opschrift "aan menschenliefde en vlijt"

Verrek, denkt de permanente commissie, dat is waar ook, we hadden vroeger medailles. Waar zijn die dingen? Ze houden de kwestie in advies op 23 april 1849 agendapunt N7, invnr 637, en ik neem aan dat ze driftig het hele kantoor doorzoeken, totdat iemand de hierboven afgedrukte notulen vindt met het besluit om aan de Munt te vragen of ze de schroeven willen bewaren.
Aha, denkt men, dáár zijn ze. Op 10 mei 1849 N1, invnr 638, onderneemt men actie, waarbij ze het door Van der Chijs foutief gebruikte 'menschenliefde' terecht verbeteren in 'menschlievendheid':

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Besluit

Te schrijven als volgt aan den Heer C. van der Voort, secretaris van het Collegie van Raden en Generaalmeesteren der Munt te Utrecht.

In den jare 1818 is op last onzer Commissie geslagen, eene medaille voor de kolonisten met het opschrift "Aan menschlievendheid en vlijt", waarvan de stempel berust aan de Munt te Utrecht.

Van deze medaille nog enkele exemplaren wenschende te bekomen, zoude het ons aangenaam zijn, bij de verzekering dat die stempel werkelijk voorhanden is, te mogen vernemen, op welken prijs, boven de waarde van het metaal, de vervaardiging van een of meerdere exemplaren in goud, zilver en brons, zoude te staan komen.

Wij nemen de vrijheid UwEdG te verzoekenons omtrent een en ander te willen inlichten.

De P.C.

Het antwoord hierop en alle tussentijdse correspondentie moeten we nog opzoeken via de rubriek 'Algemene Zaken' in de klappers op de post van 1849, invnr 944, maar we hebben al wel brieven die uitgaan op 31 augustus 1849 bij agendapunt N1, invnr 649. Aan Pieter Otto van der Chijs schrijft de permanente commissie:

Wat betreft de medaille der Maatschappij, bij Uwe opvermelde missive bedoeld, het is ons mogen gelukken den stempel daarvan weder teregt gebragt te zien.

Wij stellen ons voor UHG deswege nader te onderhouden zoodra wij nopens de vervaardiging van eenige exemplaren der medaille de vereischte inlichtingen zullen bekomen hebben, tot welk einde wij ons tot den Heer Waardijn  van 's Rijksmunt hebben gewend.

En dat laatste doet de permanente commissie op diezelfde dag bij hetzelfde agendapunt:

Aan den Heer Waardijn van 's Rijks munt, bewaarder van 's Rijks medaille stempels te Utrecht.

Het is ons mogen gelukken weder in het bezit te geraken van den stempel der medaille voor kolonisten met het opschrift "aan menschlievendheid en vlijt".

Wij hebben mitsdien UwEdG te verzoeken alsnu wel te willen opgeven, het bedrag der kosten, op welke de vervaardiging van een of meerdere exemplaren boven den prijs van het metaal zouden te staan komen, tot welk einde wij, overeenkomstig het slot Uwer missive van den 31 July ll N13, dien stempel hiernevens aan UwEdG doen toekomen.

De P.C.

Een waardijn schijnt, volgens internet, een functionaris bij een munthuis te zijn, volgens hier is F. J. van Heeckeren van Brandsenburg rond 1840 'Waardijn van 's Rijks munt, bewaarder van 's Rijks medaille stempels'.

De rest van de correspondentie moeten we nog vinden via de hierboven genoemde klappers.

BEWAARD GEBLEVEN

Wiebe Nijlunsing heeft op een rijtje gezet welke medailles er in openbare collecties bewaard zijn gebleven:

● NNC inventarisnummer AP-07260, zilveren, diameter 34,22 mm, gewicht 13,097 gram.
● NNC inventarisnummer PE-13364, zilveren, diameter 33,9 mm, gewicht 13,028 gram.
● NNC inventarisnummer PE-13365, bronzen, diameter 33,74 mm, gewicht 18,466 gram.
● Teylers Museum objectnummer TMNK 02608, bronzen, diameter 34 mm, gewicht 18,370 gram.
● Rijksmuseum objectnummer NG-VG-6-92, bronzen, diameter 34 mm, gewicht 18,59 gram.
● Rijksmuseum objectnummer NG-VG-6-91, bronzen, diameter 34 mm, gewicht 12,81 gram.

Die laatste heeft een gewicht dat sterk afwijkt van de andere bronzen medailles. Dat zou wellicht het proefexemplaar kunnen zijn dat naar de permanente commissie gezonden was.
Zeer recentelijk is ook een zilveren en een koperen medaille aangetroffen in de collectie van museum De proefkolonie, maar daar staat op 'Kopie'.