Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





Deel 4 over het geld van de kolonie op de Ommerschans: de 24 december 1830 ingevoerde serie die tot 8 februari 1838 in gebruik blijft, maar waarvan niemand weet hoe die er uit heeft gezien

Volgens het Handboek van de Nederlandse munten van 1795 tot 1975, door J. Schulman (zie ook onderaan deze pagina) is er op de Ommerschans eerst een serie munten van blik, zie op deze pagina, en daarna twee series, een van roodkoper en een van gegoten ijzer, die tegelijk gebruikt worden.

Die laatsten worden op 24 december 1830 door de directeur der koloniλn allemaal ingenomen, tegelijk met de roulerende winkelkaartjes, zie zijn verslag onderaan deze pagina. Als de permanente commissie gaat narekenen hoeveel koloniale munt hij heeft ingenomen en dat vergelijkt met de koloniale munt die er zou moeten zijn, geeft dat problemen voor adjunct-directeur Paulus van der Wal, zie deel 3 op deze pagina.

HOEVEELHEDEN

Dat verslag van de directeur komt een brief dd 27 december 1830 met nummer N1441, uit invnr 110 de scans 677 tot en met 681 en daarin beschrijft hij ook welke nieuwe munten hij diezelfde dag, dus 24 december 1830, in omloop brengt:

Koperen stukken
45 stukken van 100 centen
ƒ 45.--

100 stukken van 50 centen ƒ 50.--

200 stukken van 25 centen ƒ 50.--

300 stukken van 20 centen ƒ  60.--

400 stukken van 15 centen ƒ  60.--



Stukken van zink
500 stukken van 10 centen ƒ 50.--  
1000 stukken van 5 centen ƒ 50.--

1000 stukken van 2 centen ƒ 20.--
1000 stukken van 1 cent ƒ 10.--
1000 stukken van ½ cent ƒ .5.--
te Zamen
ƒ 400

TOEVOEGINGEN

De directeur voegt aan dat overzicht toe 'van welke stukken een stel, ter bezigtiging en tot een legger bij UwEdG bureau, hier nevens gevoegd is'. Maar die stukken zitten niet meer in invnr 110.

De directeur heeft ook al nagedacht over de mogelijkheid van vervalsingen, maar is daar niet bang voor omdat dat met de vorige koperen stukken ook niet is gebeurd.

Hij realiseert zich dat 400 gulden koloniale munt op den duur niet genoeg kan zijn

waarom ik nog voor ƒ 200.- doe aanmaken in 200 stukken van 50 en 400 van 25 centen, waarmede dan de koloniale munt in genoegzame ruimte zal voor handen zijn, en ook niet te veel om de kassen in een voegzamen tijd te kunnen verifieren.

VERVAARDIGING

De directeur geeft omstandig aan hoe de omwisseling boekhoudkundig verwerkt zal gaan worden en komt dan op de kosten:

Ik kan hier nog bijvoegen, dat de kosten van vervaardiging der nieuwe munt, ofschoon ik dezelve nog niet juist weet, echter niet veel meer dan ƒ 60.-- zullen bedragen, met inbegrip van de vervaardiging der 5 verschillende ijzeren kookers of vormen, waarmede de stukken zijn afgeslagen - of gestoken, en welker bezit de kosten van eene vernieuwde aanmaking minder zal doen zijn.

Die kosten van 'de verwisseling van oude koloniale munt tegen nieuwe' worden ook genoemd in het financieel jaarverslag over 1830, afgedrukt in de Star van 1831 vanaf pagina 836. Waarom de directeur spreekt van vijf verschillende 'kookers of vormen' snap ik niet, want zoals boven te zien waren er tien waarden.

De directeur noemt geen naam van een vervaardiger maar alles wijst erop dat het in de buurt is. Misschien Meppel, waar meerdere koperslagerijen zijn.

VERVOLG

De brief van de directeur staat geagendeerd op de vergadering van de permanente commissie van 11 januari 1831 N19, invnr 384, en dan wordt besloten rapporten te vragen van de Directeur voor de Administratie en de Inspecteur der Koloniλn.

Op 14 januari 1831 schrijft de directeur in een brief met nummer N74, invnr 111 scans 150-151:

Gelijk ik UwEdG bij mijne missive van den 27 december jl N1441 berigt heb te zullen doen, heb ik in deze week nog ƒ 200.-- nieuwe koloniale munt aan den Adjunct directeur te Ommerschans afgegeven, in 200 stukken van 50 en 400 van 25 centen, zoo dat dααr thans in het geheel ƒ 600.-- in omloop is.

Deze mededeling staat geagendeerd op 25 januari 1831 N1d, invnr 384, waar besloten wordt de Verificateur hierover zijn licht te laten schijnen.

Op 31 januari 1831 N2, invnr 384, komen binnen de rapporten die waren gevraagd van de Inspecteur der Koloniλn en de Directeur voor de Administratie. Met als conclusie 'het door den Directeur verrigte goedgekeurd en verzocht om den chef van de Ommerschans het tekort ad ƒ 514,71 te doen verantwoorden'. Het laatste betekent dat er blijkbaar minder koloniaal geld door de directeur is ingenomen dan er volgens de rapportschrijvers zou moeten zijn. Zie daarvoor deel 3 op deze pagina.

Voor hier is alleen van belang dat er dus in totaal in omloop zijn gebracht:

Koperen stukken
45 stukken van 100 centen
ƒ 45.--

300 stukken van 50 centen ƒ 150.--

600 stukken van 25 centen ƒ 150.--

300 stukken van 20 centen ƒ  60.--

400 stukken van 15 centen ƒ  60.--



Stukken van zink
500 stukken van 10 centen ƒ 50.--  
1000 stukken van 5 centen ƒ 50.--

1000 stukken van 2 centen ƒ 20.--
1000 stukken van 1 cent ƒ 10.--
1000 stukken van ½ cent ƒ .5.--
te Zamen
ƒ 600

ZEVEN JAAR

Deze munten zullen een dikke zeven jaar in gebruik zijn, om precies te zijn van 24 december 1830 tot 8 februari 1838. Op 11 februari 1838, in een brief met nummer N309, invnr 192 scan 235, schrijft de directeur dat hij op 8 februari 1838 nieuwe munt in omloop heeft gebracht en de oude munt heeft ingenomen. Zie de volledige tekst van de brief op deze pagina.

SPECIFICATIE

Op de achterkant van die brief staat opgegeven welke oude munten hij op 8 februari 1838 in ontvangst heeft genomen:

Specificatie
143 stuks van 100 centen
ƒ 143.---
369 stuks van 50 centen
ƒ 184.50
670 stuks van 25 centen
ƒ 167.50
372 stuks van 20 centen
ƒ  74.40
439 stuks van 15 centen
ƒ  65.85
663 stuks van 10 centen
ƒ  66.30
1086 stuks van 5 centen
ƒ  54.30
1729 stuks van 2 centen
ƒ  34.85
1144 stuks van 1 cent
ƒ  11.44
708 stuks van ½ cent
ƒ    3,54
te zamen
ƒ 805.41

VERGELIJKEN

Vergelijken we deze aantallen met de in 1830 in omloop gebrachte, aantallen, dan is er sindsdien van alle stukken bijgemaakt, en zijn er de nodige ½ cents stukken zoekgeraakt.



In de literatuur, Handboek van de Nederlandse munten van 1795 tot 1975, door J. Schulman, staat dat de munten die daarna komen 'op dezelfde stempels geslagen' worden als de munten die van 24 december 1830 tot 8 februari 1838 in gebruik zijn.

Dat blijkt NIET te kloppen. Op een nota van de firma G. van Maanen in Den Haag die vanaf 1837 de produktie van de metalen munten verzorgt, staat dat er 'staalen stempels' gemaakt worden voor de munten die daarna in omloop komen. Zie voor meer daarover op deze pagina.


OPGRAVINGEN OMMERSCHANS

Bij het archeologisch vooronderzoek van RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. bij de Ommerschans in 2010 zijn drie koperen munten gevonden. Eentje behoort tot de serie die 8 februari 1838 wordt ingevoerd, zie aldaar. De andere twee staan hieronder en behoren mogelijk tot de serie die van 24 december 1830 tot 8 februari 1838 in gebruik is geweest.

De eerste heeft nummer 26 in de 'Vondstenlijst metaal detectieonderzoek', is van koper en heeft het getal 15 erop staan:


BESCHADIGD

De andere koperen huismuntvondst is afbeelding 28 in het verslag van RAAP en die is dusdanig vernaggeld dat ik er niets meer op kan onderscheiden, maar het is wel duidelijk dat hij NIET behoort tot een van de series waarvan we het uiterlijk kennen:

TOT 1838

Na het hierboven beschreven innemen van deze serie op 8 februari 1838, worden op de Ommerschans nieuwe munten in gebruik genomen. Die serie staat beschreven op deze pagina.