Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





De aantallen munten die van 1841 tot 1859 in het TWEEDE gesticht te Veenhuizen in omloop geweest zijn

Op deze pagina proberen we bij te houden hoeveel munten er bestaan hebben die in het tweede gesticht te Veenhuizen in omloop geweest zijn van deze serie, die 20 april 1841 in die kolonie werd gentroduceerd en daar tot en met 1859 gangbaar bleef. Ze zijn, in ieder geval tot 1853, gemaakt door de firma G. van Maanen & zoon en het gaat om munten met op de achterkant 'V2'.

APRIL 1841: DE EERSTE NIEUWE MUNTEN

Op 14 april 1841 bij agendapunt N4, invnr 514, besluit de permanente commissie aan de directeur te zenden 1410.- koloniale munt van koper en zink' voor het tweede gesticht te Veenhuizen. Bij de brief is een door de Directeur voor de Administratie opgestelde lijst welke munten gezonden worden:

200 stuks 100 cents
200.---
500 stuks 50 cents
250.---
1000 stuks 25 cents
250.---
2000 stuks 15 cents
300.---
2500 stuks 10 cents
250.---
2500 stuks 05 cents
125.---
2500 stuks 01 cent
  25.---
2000 stuks 00 cent
  10.---
Totaal
1410.---

Op 19 april 1841 in een brief met nummer 891 bevestigt de directeur de ontvangst van dat pakket in Frederiksoord, invnr 243 scan 734. Dan moet het nog naar Veenhuizen, dus als introductiedatum van de metalen munt bij het tweede gesticht mag 20 april 1841 worden ingevuld.

JANUARI 1842: MUNTEN TER VERVANGING

Op 15 januari 1842 N18, invnr 523, stuurt de permanente commissie    1150.- koloniale munt voor Veenhuizen ter vervanging van de uit de roulatie genomen munten van 15 cent. Dat blijkt te zijn naar aanleiding van een brief van de directeur dd 22 oktober 1841 met nummer 2568 die ik nog moet zoeken.
Het is verdeeld in 150 gulden voor het eerste gesticht, 600 voor het tweede en 400 voor het derde.

Nota van op den 12 January 1842 aan den Directeur der Kolonien toegezonden koloniale munt ten behoeve van:

Veenhuizen 2e Gesticht

150 stuks 100 cents
150.---
400 stuks 50 cents
200.---
400 stuks 25 cents
100.---
800 stuks 10 cents
80.---
1000 stuks 05 cents
50.---
1500 stuks 01 cent
  15.---
1000 stuks 00 cent
  5.---
Totaal
600.---

(Op dit vel staan ook het eerste en derde gesticht, zie aldaar)

ZENDING DECEMBER 1848

Op 24 oktober 1848 in een brief met nummer N2770, welke brief zich bevindt in invnr 627 bij 30 december 1848 N8, schrijft de directeur:

Alhoewel het verboden is en zulks bij het 3e gesticht te Veenhuizen nog kortelings herinnerd was, heb ik, verleden week, bij dat gesticht bevonden, dat de zaalopzieners, die beurtelings de water- of drinkhuisjes bedienen, althans de kolonisten hunner eigene zaal borgen, waarom ik eene schuldenlijst van den zaalopziener Emmelot heb afgenomen en vernietigd.

Intusschen geeft men voor, dat gebrek aan kleine koloniale munt (stukken van ne cent), het borgen soms noodzakelijk zoude maken.

Ofschoon dat voorgeven onvoldoende is, acht het de plaatselijke directie toch hoogst nuttig, dat er nog voor 25:-- van die stukjes, voor elk der beide bedelaarsgestichten worden verkregen, ten einde een weinig ruimeren omloop dier kleine munt te hebben.

Bovendien verzoekt het 3e gesticht, om nog 200:-- koloniale munt in stukken van 100 en van 50 centen.

Ik heb de eer UwHEdG een en ander bij dezen voortedragen.

De directeur lult uit zijn nek. Als je tegelijk zorgt dat er n te weinig kleingeld is n het kopen op de lat verbiedt, kunnen bedelaars nooit koffie krijgen in het waterhuisje. Hartstikke goed en menslievend van die zaalopzieners dat ze toch koffie schenken.
De aanvraag om koloniale munt voor de twee bedelaarsgestichten te Veenhuizen (het tweede is dat al vanaf 1825 en het derde vanaf halverwege 1842) wordt 31 oktober 1848 N10, invnr 623, met de aantekening 'coloniale munt zenden', in advies gehouden en op 30 december 1848 N8, invnr 627, wordt de directeur de gevraagde munt toegezonden (een gedeelte van deze brief staat op de pagina VH-3):

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Besluit

te schrijven als volgt aan den directeur der Kolonin

In antwoord op UwEd missive van den 24 Oct No 2770 doen wij UwEd hiernevens toekomen de navolgende Koloniale munt voor de bedelaarsgestichten te Veenhuizen, te weten

Voor het 2e gesticht 2500 stuks van 0,01 = 25,-

(...)

Het zal ons aangenaam zijn de goede ontvangst daarvan van Ued te vernemen.

De P.C.

Op 5 januari 1849 in een brief met nummer N40 bevestigt de directeur de ontvangst daarvan en die ontvangstbevestiging wordt 9 januari 1849 N17, invnr 628, voor notificatie aangenomen.

CIRCULATIE-GEDOE IN 1853

In 1853 is er gedoe over munten van de ene kolonie die in een andere kolonie gevonden zijn. Daarom houdt de permanente commissie de leveringen van munten even op. Dit hele verhaal staat op een aparte pagina.
Als de directeur op 19 december 1853 in een brief met nummer N3522, welke brief zich bevindt in invnr 771 bij 3 februari 1854 N2, verslag doet van de afloop van het gedoe, voegt hij daar een bestelling voor het tweede gesticht aan toe:

... en te Veenhuizen, bepaaldelijk aan het 2e gesticht, grootelijks behoefte ondervonden wordt aan kleine koloniale munt, waarom men hier verlangt, zoodra mogelijk, te bekomen voor:
20.-- aan centen
10.-- aan halve centen,
ten einde in het ongerief te kunnen voorzien.

Die aanvraag wordt in advies gehouden op 28 december 1853 N14, invnr 768, en op 3 februari 1854 N2, invnr 771, wordt 30.-- koloniale munt voor Veenhuizen aan de directeur toegezonden:

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Besluit

aan den directeur der Kolonin te schrijven als volgt

Ofschoon in verband tot de inhoud Uwer missive van den 3 Dec ll N3363 geen meerdere koloniale munt te Veenhuizen scheen benodigd te zijn, hebben wij echter naar aanleiding van de tegenovergestelde opgave, vervat in Uwen brief van den 19 Dec ll N3522 de daarbij aangevraagde munt ten behoeve van het 2e gesticht doen aanmaken, te weten:

2000 stukken van een cent &
2000 stukken van een halve cent
   
Te zamen voor een waarde van 30,= welk bedrag aan Koloniale munt wij UwEd hiernevens doen toekomen.

Aangenaam zal het ons zijn de goede ontvangst daarvan van Ued te vernemen

De P.C.

Op 17 februari 1854 in een brief met nummer N410, welke brief zich bevindt in invnr 772 bij 28 februari 1854, bevestigt de directeur de ontvangst daarvan, waarbij hij toch ook even wil laten weten dat het niet ZIJN schuld is dat er verwarring was of die munt nodig was:

Ik heb de eer UwHoogEdG de goede ontvangst te berigten van de bij brief van den 3 February jl N2 ontvangen 30.-- kleine koloniale munt voor het 2e gesticht te Veenhuizen, waaraan men mij, bij mijn bezoek van den 15-17 December jl te kennen gaf, dat grootelijks behoefte bestond, ofschoon de Adjunct-Directeur mij, bij zijne brief van den 28 November jl N365, overmakende 124.11 koloniale munt voor de Ommerschans en de gewone kolonien, geschreven had: "aan welk montant volstrekt geene behoefte bestaat en waarvoot alzoo geen andere wordt verlangd".

en die ontvangstbevestiging wordt 28 februari 1854 N9, invnr 772, voor notificatie aangenomen.

ZENDING MEI 1856

Op 18 maart 1856 in een brief met nummer N817, van welke brief we niet weten waar die zich bevindt, vraagt de directeur om koloniale munt voor Veenhuizen, blijkbaar voor het tweede gesticht. Die aanvraag wordt in advies gehouden bij 27 maart 1856 N12, invnr 828, en de permanente commissie stuurt de munten op 15 mei 1856 N11 met de woorden:

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Besluit

Aan den Directeur der Kolonien te schrijven als volgt

In antwoord op uwe missive van den 18e Maart ll No 817 doen wij UwEd hiernevens toekomen de daarbij aangevraagde Koloniale munt  voor het 2e gesticht te Veenhuizen bestaande in

1000 stukken van 5 cent en alzoo voor ene waarde van 50:-   

Aangenaam zal het ons zijn de goede ontvangst daarvan van Ued te vernemen

De P.C.

Op 20 mei 1856 in een brief met nummer N1534 bevestigt de directeur de ontvangst daarvan, welke brief wordt opgeborgen en voor notificatie aangenomen bij 24 mei 1856 N8, invnr 833.

ZENDING NOVEMBER 1856

Op 2 september 1856 stuurt de directeur met een begeleidend schrijven twee extracten van brieven, eentje van de adjunct-directeur van het tweede gesticht en eentje van de adjunct-directeur van het derde gesticht te Veenhuizen, aan de permanente commissie. Al die stukken bevinden zich in invnr 846 bij 3 november 1856 N20.
Het begeleidend schrijven van de directeur heeft het nummer N2705 en luidt:

Op eene aanvrage, om 500.--meer koloniale munt, in kleine stukken, van het 2e Gesticht te Veenhuizen, gaf ik mijne verwondering over het hoog bedrag daar van en de kleine soort, waarin men ze vroeg, te kennen, met verzoek om opheldering dienaangaande.

Daarop ontving ik gisteren het antwoord, waarvan ik een extract hiernevens voeg, als ook eene zelfde aanvrage van het 3e Gesticht, doch om het merendeel in groote stukken te bekomen, waarvan mede een afschrift hierbij gaat.

Voor zoo veel de verlegenheden om koloniale munt voornamelijk uit het ophouden van zulk een aanzienlijk bedrag aan het 1e Gesticht, tegen overmorgen, ontstaat, dan zal die ongelegenheid spoedig ophouden en nu ook het 3e Gesticht meer vraagt, zou ik oordeelen, dat, wanneer voor ieder der gestichten 2 en 3 bv 200.--nieuwe koloniale munt ontvangen wordt, daarmede in de behoefte wel zal kunnen worden voorzien en voorts dat de stukken van verschillende doch meest hoogere waarde kunnen zijn, hetgeen ik alzoo de eer heb UwHoogEdGestr. voortedragen.

De verwondering van de directeur is wel begrijpelijk, want een paar maanden terug is er nog een zending voor het tweede gesticht geweest.
Het 'ophouden' bij het 1e Gesticht voor overmorgen (= 4 september) slaat op het extract van de brief van de adjunct-directeur van het tweede gesticht, Jan Frederik Krieger (zie over hem deze pagina).

Veenhuizen 1 September 1856
Extract N437

Ik heb enz.
Zoo ook op dien van den 29 daaraanvolgende N2650 dat de behoefte van 500.--in koloniale munt niet zoo verbazend hoog zal toeschijnen, wanneer ik heb toegelicht dat dat bedrag als het ware ook moet dienen tot aanvulling van het 3e Gesticht, waar evenzeer die behoefte bestaat en het gebrek aan die munt zelfs nog erger is en daar de koloniale munt in de winkels der 3 gestichten gangbaar is, is het ook gelijk aan welk der gestichten ze wordt aangevuld.

Als gedeeltelijke oorzaak van dat gebrek is mij gezegd dat aan het 1e Gesticht wel 500.--a 600.--koloniale munt onder de weezen en huisgezinnen zoude zijn opgespaard om in de volgende week te worden omgewisseld, om besteed te worden op de zoogenaamde kermis aan het 1e Gesticht.

De adjunct-directeur
(get.) J.F. Krieger

De bedoelde jaarlijkse kermis op het eerste gesticht, die dit jaar dus op 4 september valt, is opgezet om te voorkomen dat de weesjongens gaan lopen straatschuimen op de jaarmarkt in Norg. En verder wordt uit deze brief duidelijk dat de munten met 'V1', 'V2' en 'V3' allemaal vrijelijk door heel Veenhuizen gebruikt worden.
Het andere extract is van de adjunct-directeur van het derde gesticht, Sikke Berends Drijber:

Veenhuizen den 1 September 1856
N169

Ter enz.
Door de aanhoudende behoefte aan koloniale munt bij de gestichten alhier, verzoekik UwEd 500.-- nieuwe munt van 1.--het stuk  voor dit gesticht te willen aanvragen, met nog 25.-- 1 cent stukken.

De Adjunct-Directeur
(get.) S.B. Drijber

Op de brief van de directeur heeft een lid van de permanente commissie een paar uitroepen neergekalkt:

600.-- omwisseling voor kermisuitgaven !!!

Ik zie nergens iets, aan welke oorzaak de behoefte is toeteschrijven.

De brief wordt, met de aantekening 'gevolg aan geven', in advies gehouden op 9 september 1856 N32, invnr 842.
Op 22 oktober 1856 in een brief met nummer N323, welke brief zich bevindt in invnr 846 bij 3 november 1856 N20, meent de directeur een herinnering te moeten sturen:

Daar de verlegenheid om koloniale munt te Veenhuizen schijnt toe te nemen, aangezien de veteranen kolonisten beginnen te klagen over het uitstellen van betalingen, zoo neem ik de vrijheid UwHoogEdGestr. te herinneren mijne aanvrage om nieuwe koloniale munt bij missive van 2 September jl N2705.

En dan wordt aan hem gezonden ' 400.-- koloniale munt voor Veenhuizen' op 3 november 1856 N20, invnr 846:

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Gelezen den brief van den Directeur der Kolonien van den 28 October No 3234

Besluit

Aan den Directeur der Kolonien te schrijven als volgt

Ter voldoening aan de aanvraag vervat in Uwen brief  van den 2e  September  No 2785 ontvangt UwEd hiernevens 400 aan Koloniale munt  voor Veenhuizen als

200 voor het 2e gesticht
En 200 voor het 3e gesticht

Voor beide gestichten verdeeld in

100 stukken van een Gulden
80 stukken van vijftig cents
60 stukken van 25 cents
100 stukken van 10 cents
200 stukken van 5 cents
1500 stukken van een cent &
2000 stukken van een halve cent   

Aangenaam zal het ons zijn de goede ontvangst daarvan van UwEd te vernemen.

De P.C.

Uit een aantekening op de expeditielijst blijkt de zending te bestaan uit '7 zakken'. Op een velletje is genoteerd hoe de koloniale munten over de zakken verdeeld zijn:

1 zak 2000 stuks ct V3
10.--
1 zak 2000 stuks ct V2 10.--
1 zak 100 stuks 10 ct V3
100 stuks 10 ct V2
10.--
10.--
1 zak 60 stuks 25 ct V2
80 stuks 50 ct V2
100 stuks 100 ct V2
15.--
40.--
100.--
1 zak 60 stuks 25 ct V3
80 stuks 50 ct V3
100 stuks 100 ct V3
15.--
40.--
100.--
1 zak 200 stuks 5 ct V3
1500 stuks 1 ct V3
10.--
15.--
1 zak 200 stuks 5 ct V2
1500 stuks 1 ct V2
10.--
  15.--


450.--

ZENDING FEBRUARI 1857

Op 7 december 1856 in een brief met nummer N3629, invnr 853 bij 19 februari 1857 N4, schrijft de directeur aan de permanente commissie:

Niettegenstaande er onlangs 200.-- nieuwe koloniale munt bij elk der gestichten 2 en 3 te Veenhuizen is ontvangen, blijft er, volgens den Adjunct-directeur bij het 2 Gesticht, nog meer gebrek bestaan, waarom ?? ten spoedigste om nog 300.--verzocht wordt, terwijl er ook bij het 3 Gesticht gelijke behoefte aan meer zou plaats grijpen.
Wat de oorzaken daarvan betreft, de bevolking is talrijk, de woningen geheel bezet en misschien wordt er van het zakgeld, tegen het voorjaars ontslag, wat bespaard, waaraan de behoefte schijnt te zijn toeteschrijven.
De stukken behoeven thans niet zoo klein te wezen en zoodra er een gedeelte vervaardigd is, wenschte ik dit onmiddellijk te ontvangen.

Dit is 'in advies en besteld' op 16 december 1856 N11, invnr 849. Op de brief is met potlood aangetekend: 'Besteld den 17 December 1856 voor ieder gesticht 100 van 1.--, 100 van 0.50, 100 van 0.25, bij van Maanen en Zoon alhier'.
Vervolgens treedt de permanente commissie af en 'de gecommitteerde der regering' baron Mackay is op 19 februari 1857 N4, invnr 853, de verzender van de munten. Met andere aantallen dan met potlood op de brief van de directeur aangetekend:

Ter voldoening van de aanvrage vervat in UWEd brief van den 7e Dec ll N3629 ontvangt UWEd hiernevens 600.-- aan koloniale munt voor Veenhuizen
als 300.-- voor het 2e Gesticht en
als 300.-- voor het 3e Gesticht,

over beide gestichten verdeeld in:
100 stukken van n gulden,
200 stukken van vijftig cents, en
400 stukken van vijfentwintig cents.

Aangenaam zal het mij zijn de goede ontvangst daarvan van UWEd te vernemen.

de Grcommitteerde enz.

In dit invnr zitten drie briefjes die aan of bij de geleverde munten zullen hebben gezeten. Op het eerste briefje staat:

200 stuks 1a 50 cts
200 stuks 50 cts
Veenhuizen 2 & 3
weegen 3 7/10 Nederlandse pond

Op het andere briefje, waar met 'cents' bedoeld wordt 'stukken', staat:

100 cents 1.--
100 cents 1.--
Veenhuizen 2 & 3
wegen 3 Nederlandse pond

En op het laatste briefje staat:

400 stuks a 25 cts
400 stuks a 25 cts
Veenhuizen 2 & 3
weegen 5 Nederlandse pond

Verder zit er een briefje bij dat verwijst naar de eerdere zending op 3 november 1856 N20. Op 24 februari 1857 in een brief met nummer N556 bevestigt de directeur de ontvangst hiervan, wat wordt opgeborgen bij 3 maart 1857 N12, invnr 854, waar het voor notificatie wordt aangenomen.

Dit was de laatste zending koloniale munt naar het tweede gesticht te Veenhuizen.