Naar het overzicht
van stukken over ONDERWIJS





Maart, april, juli en augustus 1822: Afschriften der rapporten van den onderwij≠zer van Wolda en deszelfs ondergeschikten, in de onder≠scheidene scholen

Tussen de ingekomen post van de permanente commissie in 1822 bevinden zich af en toe door Jan Hessels van Wolda gebundelde verslagen van de onderwijzers in de drie vrije koloniŽn. Die zijn door directeur der koloniŽn Wouter Visser als bijlagen bij zijn brieven doorgestuurd. Achtereenvolgens maart, april, juli en augustus. De eerste is ook afgedrukt in het blad de Star en is gevoegd bij een brief van Visser van 6 maart 1822, invnr 60.

De on≠dermeesters Middelboer en Geraets van Frederiksoord melden onder meer:

De wijkmeester Meder heeft ons in deze maand vele diensten bewezen, daar dezelve zich niet slechts op school liet zien, om aan het oog te voldoen; maar op de beste wijze het zijne daarin vinden, om de koloniale jeugd tot goede en beschaafde leden voor de maatschappij op te leiden.

Integendeel kunnen wij geene redenen vinden, over de policie van den wijkmeester Schnatz te vreden te zijn, daar deze niet zelden, wanneer het opzigt hem was toever≠trouwd, ons in onze werkzaamheden kwam storen; zoekende jongens om s'anderen daags hier of elders te werken.

Wij verrigten in deze maand ons school≠werk met werkelijk genoegen, en mogten het geluk hebben gemakkelijk te kunnen zien dat onze leerlingen, dagelijks in kennis en be≠schaafdheid vorderen.
Genieten wij het ge≠noegen dat wij ongestoord met ons werk mogen voortgaan, dat is, kunnen de ouders der leerlingen van kolonie no.1 zien, dat hun≠ne kinderen na verkeerde stappen te hebben gedaan, daar van behoorlijk worden terug gebragt, dan zullen wij ons in onze school gelukkig rekenen en van maand tot maand zal gezien kunnen worden dat de gezegende bedoelin≠gen der Maatschappij naderen.

Uit kolonie no.2 melden Zwarts en Mulder eveneens goede vorderingen en betuigen lof aan het adres der wijkmeesters en de direc≠teur.

Vanuit kolonie 3 Willem≠soord meldt ook Booy tevredenheid en lof voor Visser. En verder:

Hoe moeijelijk het ook zijn moge onder zulk een aantal leerlingen (555) s'daags te werken en hen tot menschelijke kennis, zedigheid en deugd op te leiden, te meer daar mijn mede onderwijzer Auberlť vrijwillig afstand van zijne post heeft gedaan, en ik voor dezelve tot dus ver niet anders in de plaats heb ge≠had dan den goeden jongeling H. de Nekker, houd ik evenwel niet op met lust en ijver onder hen te werken, in de hoop dat ik dage≠lijks meer en meer vrucht van mijn zwakke pogingen moge zien, op dat wij eenmaal met een genoegelijk aandenken over ons volbrag≠te onderwijs in de kolonie onze woonplaats kunnen verwisselen.

Van Wolda meldt verder nog dat in kolonie no.2 enkele kinderen met schurft gezien zijn en dat daar tot nu toe weinig aan gedaan is. Met betrekking tot de klachten van de onder≠meesters in no.1 zegt hij:

Het is waar. De komst der ouders in de school om de onderwijzers wetten voor te schrijven is zeer onaangenaam, en voor de geheele school tevens nadeelig, daar het de leerlingen in de zaak betrokken of met een gering denkbeeld voor hunnen onderwijzers inboezemen.

De volgende verslagen zijn gevoegd bij een brief van directeur Visser van 5 april 1822, inventarisnummer 62. Ze gaan voor een groot deel over de storm van 8 maart en de vrees 'met onze lieve kleinen onder den puinhoop dezer zwakke school verbrijzeld te worden'. Plus: 'As ik uit de school ben, dan heb jij geen blixem op mij te zeggen.'

De onderwijzers van kolonie 3 Willemsoord melden:

Toen de wind den 8 maart hare verwoestin≠gen had geeindigd, hebben wij in onze schoolgebouw niet durven, of mogen verkee≠ren daar men elk ogenblik vreesde dat dezel≠ve door een volgende wind vlaag zoude in≠storten.

Wij moesten ons dus behelpen in de schuur van onzen Onder Directeur. Dit ge≠bouw niet geschikt zijnde om er licht in op te steeken, hebben wij des avonds, nadat het daglicht was verdweenen geen onderwijs meer gegeven.

Tegenwoordig is onze school door spoedige maatregelen van hoger be≠stuur weder in zulk een stand gebragt, dat wij zonder voor gevaar te vreezen, ons op nieuw in dezelve hebben begeven. Wij erkennen in deze de zorg voor het onderwijs der jeugd en bedanken hem, die daar voor gezorgd heeft.

De leerlingen, onze avondschool jongens geven te kennen, dat zij dagelijks naar kolo≠nie 4 gaan te werken, laat weer herwaarts komen, en te huis gekomen zijnde sterk ver≠langen naar de nagtrust.

Ook in Frederiksoord II bleven leerlingen weg uit angst voor de storm:

Ja! Ook wij zelve schroomden haar telkens te betrekken, zoo dan de wind zich eenigermate verhief; wij dachten, hadden wij het ongeluk met onze lieve kleinen onder den puinhoop dezer zwakke school verbrijzeld te worden, geen overgebleven mensch zou dit immer hebben kunnen vergeten.
Wij zijn Gode zij dank! tot op dezen ogenblik bewaard voor deezen ramp, en durven thans onze school zonder vrees voor in te storten, vrijmoedig weder betrekken; mogten de nu bijgemetzel≠de pylaren haar genoegzame sterkte hebben bijgezet!

Vanuit Frederiksoord I meldt het onderwijzend personeel:

Ook de wijkmeester Meder heeft ons vlijtig de behulpzame hand geboden, en heeft gezorgd zoo veel immer mogelijk was, dat de leerlin≠gen stil en bedaard uit de school naar hunne woningen terug keerden. En ofschoon wij ons bij het onderwijs zeer goed zonder eenen wijkmeester kunnen redden, zien wij telkens dat de kinderen, zoo dra er geenen wijk≠meester is meer losbandig naar huis gaan dan anders.

Heden bleek ons hiervan een doorslaand bewijs: eenige jongens van de avondschool maakten onder het naar huis gaan, nadat wij hen tot be≠daard≠heid en zedigheid hadden aangespoord, zulk een geweldig leven, dat wij hen vervolgden, om te zien wat er te doen was.
Bij hen komende, hielden wij ons, hen weder naar de school te willen terug nemen. De een veront≠schuldigde zich, een tweede maakte stilletjes voort te komen, maar de derde, namentlijk Gradus Lucassen, zeide "as ik uit de school ben, dan heb jij geen blixem op mij te zeggen".
Wij voelden ons gedrongen u deze uitdrukking mede te dee≠len, wijl wij weten dat gij dezen jongen van de oprigting der gezegende volksplanting af, als een oproerigen en stouten jongen kent, die niet meer voor redenering vatbaar zijnde, zekerlijk door eenen anderen weg tot zijnen pligt gebragt zal moeten worden.

Visser heeft hier bij geschreven dat Gradus Lucassen door de Raad van Opzieners tot twee dagen opsluiting is veroordeeld.

De volgende verslagen zitten bij een brief van Wouter Visser van 7 juli 1822, invnr 62. Het gaat vooral over de verderfelijke invloed van rondtrekkende 'liedjeszangers, liedjesver≠koopers en andere om broodrijzende muziekanten'.

Uit kolonie 3 Willemsoord melden de onderwijzers:

De zaturdag avondschool kan te Willemsoord met een gelukkig gevolg gehouden worden.
Eene menigte jongens van verschillenden ouderdom die het om de verte van de arbeid op de andere dagen der week, onmogelijk is, des avonds ter school te gaan, vervoegt zich daar, uit eigene bewe≠ging.
UWelEdGestr. gevoelt van zelve, dat niet alle met dezen zelfden ijver bezield zijn, en dat het voor de zulken van belang is, door den Onderdirekteur daartoe verpligt te worden gehouden.

Eindelijk neem ik de vrijheid aantemerken dat, ter bevordering van goede zeden onder de koloniale jeugd, en ter wering van het gezang der straatlied≠jes, het van belang is, dat er geene liedjeszangers, liedjesver≠koopers en andere om broodrijzende muziekanten in de kolonien van de Maatschappij worden toegelaten.
Algemeen worden zulke lieden bemind en van velen gaarne gehoord, hoewel het onmo≠gelijk is, dat het anders zijn kan, of dit heeft een nadeeligen invloed op de harten der kinderen.

Bijgeschreven door directeur Wouter Visser:

De liedjeszangers enz. worden zoveel mogelijk uit de koloniŽn ge≠weerdt; terwijl dit, voor zoo veel de koloniŽn aan de publieke wegen gelegen zijn, niet geheel mogelijk is.

De laatste (jammer, want het is leuk leesvoer) is van augustus. Wouter Visser is even afwezig en de adjunct-directeur voor de administratie Gijsbert Falck neemt tijdelijk zijn functie waar. Het is bij een brief van hem van 5 september 1822, invnr 62, dat deze verslagen zitten. Over zindelijkheid, meisjes die aan het 'onafgebroken school≠gaan' moeten wennen en over oudere jongens die de tijd voor de avondschool niet meer kunnen 'uitkoopen'.

Jan Hessels van Wolda meldt:

De jongens en meisjes behoorende tot de morgenschool hebben in de verledene maand ijverig ter school gegaan. Hunne uitmuntende vorderingen getuigen dat zij met lust leren.

De onderwijzers hebben zeer veel moei≠te gehad om hen tot zindelijk≠heid op hunne ligchamen en kleederen te gewennen. Doch ik moet ook bekennen dat zij in dezen veel hebben gewonnen; want het is een zeldzaam geval dat men thans meer kinderen op de scholen vindt, die niet schoon gewasschen zij of morsige en gescheurde kleederen dragen. Dit is algemeen op de scholen der Maat≠schappij.

De meisjes, welke 's achtermiddags ter school gaan houden zich insgelijks heel wel; zij gaan in de 1e, 2e en 4e kolonie behoorlijk ter school en beijveren zich, hunne kleiner medescholieren voor te blijven. In kol. 3 en 6 schijnt het wat moeijelijker te zijn, deze meis≠jes aan het onafgebroken school≠gaan te ge≠wennen, doch mogelijk is dit verschil aan de mindere of meerder vlijt der wachtmeesters toe te schrijven.

De leerlingen der avondschool, zijnde jongens van verschillende jaren, hebben in de maand augustus weinig gebruik van de scholen gemaakt. Het schijnt dat deze jonge≠lingen die dagelijks op het land en dikwijls ver van hunne woningen verwijderd werken, in den zomer, hunnen tijd tot het school≠on≠derwijs niet kunnen uitkoopen: althans men vond in gemelde maand, 's avonds op de onderscheidene scholen der Maatschappij niet meer leerlingen, dan op ťťne derzelve diende te zijn.

Ook de zaturdag avondschool, alwaar volgens UWEdGestr: uitdrukkelijken wil (om dat het andere avonden toch gebrek≠kig ging) alle leerlingen van het avondschool moeten verschijnen, is aan de andere avon≠den der week gelijk geweest. De kolonisten van de 1e kolonie maken van deze goede inrigting beter gebruik dan die der andere koloniŽn.