Naar het overzicht
van stukken over ONDERWIJS





Brief van directeur Van Konijnenburg over de 'achterlijken', 12 november 1836: De bijzondere oorzaken, welke het schoolonderwijs nadeelig zijn

Directeur Van Konijnenburg stuurt de stukken van Van Wolda (zie onderaan de pagina) door naar de permanente commissie en doet er zijn eigen commentaar bij. Hij geeft op wat volgens hem de oorzaken zijn van het relatief grote aantal 'achterlijken' onder de 13-, 14- en 15-jarigen. Hij stelt voor subsidie aan de regering te vragen om school en kerk in Wilheminaoord te scheiden en begint over nieuwbouw van een school bij Veenhuizen-1.
Wat betreft Van Wolda's notitie over de bezoldiging van de onderwijzers vindt hij diens voorstellen billijk.


Fredriksoord, den 12 Nov. 1836

Ik heb de eer UWEdG. hierbij aan te bieden afschrift van het verslag van den Adjunct-Directeur voor het schoolwezen, over de achterlijke schoolkinderen, van 13 tot 15 jaren oud, met eenen numerieken staat, benevens 9 stuks naamlijsten sub Litt. B en 10 stuks dito sub Litt. c,- deze lijsten in originalien, - waaraan ik de vrijheid neem mij te refereren.

In de kantlijn bijgeschreven door de permanente commissie (met de Generaal wordt Johannes van den Bosch bedoeld en met f. van R Jeremias Faber van Riemsdijk); De Generaal denkt over de Zaak evenzoo als de Heer f. van R.

Voor het geval, dat UWEdG. de uitkomst van het gedaan onderzoek niet gunstig mogt voorkomen, meen ik hier voor Uwe aandacht te moeten verlevendigen de bijzondere oorzaken, welke het schoolonderwijs nadeelig zijn:

In al de KoloniŽn:

In de kantlijn bijgeschreven door de permanente commissie: voor mij geen logisch geheel van te maken. Ik lees er iets in dat de hoofdzaak is dat ze de zaak verwaarloosd hebben of zo iets.

1. Dat een aanzienlijk getal kinderen bij de aankomst, of nog geen, of slechts gebrekkig onderwijs genoten heeft.

2. Dat de meeste van 10 tot 13 jaren oud, tijdens het aardappel-pooten, althans bij het aardappel-rooijen, gedurende eenige weken van die werkzaamheden aan het schoolonderwijs worden onttrokken.

In de Gewone KoloniŽn.

1. Dat de schoolkinderen van 10-12 jaren gedurende de 6 zomermaanden, om het koehoeden, waartoe zij onmisbaar zijn, hoogstens ťťnmaal daags ter school gaan en gedurende de laatste 3 jaren, uit hoofde der schraalheid  van de weide, vaak de beide lessen hebben moeten verzuimen.

en 2. Dat de hoofdschool van kolonie N. 2 ook tot kerkgebouw van de R. C. bestemd is en gevoeglijk dagelijks ís morgens voor de mis, en onderscheidene geheele dagen voor de feesten,- tot het afnemen van de biegt en het houden van catechisatien benoodigd is, wanneer het schoolonderwijs zoo lang moet stil staan.

Bij de kindergestichten te Veenhuizen.

1. Dat er in de laatste jaren, inzonderheid bij het 1e Gesticht een overgroot aantal kinderen met huidziekte geweest is, gedurende welker genezing zij het schoolonderwijs hebben moeten missen.

2. Dat de localen bij het 1e Gesticht veel te bekrompen zijn en daarbij slechts aan ťťne zijde van ramen voorzien, waardoor het onderwijs grootelijks wordt verhinderd.

3. Dat de muzijkale oefeningen, hoe aangenaam en nuttig dezelve ook zijn mogen, den onderwijzers en ondermeesters, mijns oordeels, nog eene tijdruimte ontroven, welke de zorg voor het onderwijs van zulke groote massaís leerlingen eigenlijk niet toelaat.

en 4. Dat, hoe te vreden men ook over de onderwijzers is, de 2e en 3e onderwijzers, benevens de ondermeesters, niet die meerderheid en vermogenden invloed bij de scholieren hebben, gelijk de hoofd onderwijzers, welke meerdere jaren ondervinding en menschkunde hun slechts zouden kunnen geven en, nogtans, om wel te slagen in het onderwijs, onmisbaar zijn, terwijl de ondermeesters, welke onder de kinderen in de zalen verpleegd worden, zich zelfs niet kunnen ontdoen van eene gemeenzaamheid met dezelve, die ?? voor het onderwijs schadelijk is.


Het aan UWEdG. overlatende te beslissen, welke dier beletselen van het onderwijs zouden kunnen en moeten worden opgeheven, bepaal ik mij slechts bij het voorstel der behoefte aan een afzonderlijk gebouw voor de hoofdschool van kolonie N. 2, waartoe ik reken, dat minstens f 800.- gevorderd wordt, welke som, tot geheelen afstand van het tegenwoordige locaal voor de Eerdienst, benevens f 200.- voor de verbetering van hetzelve tot dat uitsluitend einde, naar het mij voorkomt, niet ongepast aan de Hooge Regering zoude kunnen worden verzocht.

Mogt er uitzigt bestaan op behoefte aan meerdere localiteit ter opneming van kinderen of wel van huisgezinnen, waartoe de schoollocalen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen konden dienen, dan althans mogt de Maatschappij zich nu reeds getroosten de uitgave van een afzonderlijk staande, meer doelmatig, nieuw schoolgebouw bij dat gesticht, alzoo de in gebruik zijnde localen daartoe veel te bekrompen en te ondoelmatig ingerigt zijn,
zoo zelfs, dat, zullende 69 achterlijke kinderen van 13-15 jaren, gedurende den winter, ook de dagscholen bijwonen,- waaromtrent, gelijk mede omtrent de achterlijke scholieren bij de andere koloniŽn, UWEdG. besluit wordt te gemoet gezien, er weer een zelfde getal uit de schoollocalen naar de zalen moeten worden overgebragt, waarin nu reeds eene menigte van de kleinste het eerste onderwijs wordt gegeven, wanneer er ook nog eenige schoolbanken en schrijftafels benoodigd zijn.

Zulk een nieuw schoolgebouw van drie vertrekken, op het zuinigst, doch anders doelmatig gebouwd en te zamen voor 600 kinderen ingerigt, zou, dunkt mij, f 3,000.- moeten kosten.

Eindelijk erken ik met den Adjunct-Directeur voor het schoolonderwijs bij de nota, welke hij mij daarvan heeft ter hand gesteld en ik gemeend heb aan UWEdG. bij deze gelegenheid mede te moeten overleggen, de billijkheid en belangrijkheid, om de bezoldiging der onderwijzers van de 1e klasse met f 50.- en van de 2e klasse met f 25.- te vermeerderen.

Die van de 3e zijn de onderwijzers van de hoofdschool in kolonie N. 1 en van de bijschool te Willemsoord, waarvan eerstgenoemde, mijns bedunkens, mede op eene vermeerdering zijner jaarwedde met f 25.- aanspraak heeft, daar deze school gewis van veel meer belang is, dan die van genoemde bijschool.

Ik heb de eer deze beschouwingen en voorstellen aan UWEdG beter oordeel te onderwerpen.
De Directeur der KoloniŽn
J Van Konijnenburg


Van Konijnenburg stuurt deze brief aan de permanente commissie, tegelijk met kopietjes van:
- Van Wolda's onderzoek naar achterlijke leerlingen, en
- Van Wolda's notities over de bezoldiging van leerkrachten.
De permanente commissie schrijft op deze brief '24 Nov 1836 in advies' en reageert daarna met besluiten op 11 januari 1837.