Naar het overzicht
van stukken over ONDERWIJS





Op 3 december 1839 doet Jan Hessels van Wolda verslag van een schoolbezoek aan de Ommerschans

Dit verslag bevindt zich in invnr 221 de scans 83 en verder. Ik heb maar heel weinig verslagen van bezoeken aan de school van de Ommerschans, maar ik heb ook de indruk dat de adjunct-directeur voor het onderwijs de schans een beetje ver weg vindt en er minder langs gaat dan bij andere scholen.

Wateren, den 3 December 1839

In het laatst der vorige maand de dag- en avondschool aan het bedelaars gesticht te Ommerschans bezocht hebbende, zoo heb ik de eer UWEdGestr: van den toestand van het onderwijs aldaar, het volgende te berigten:

De schooljeugd zag er gezond uit, was opgeruimd en vrolijk.
18 jonge kinderen, om derzelver vorderingen in 3 deelen verdeeld werden beurtelings bezig gehouden met het onderwijs van de 1e en 2e leestafels van Prinsen, het zamenstellen van woorden, door middel der houtjes van de letterkas, het schrijven en maken van figuren op de leijen en het lezen der verstgevorderden in boekjes.
35 kinderen in onderscheidene schoolboeken, afdeeling voor afdeeling lezende, besteden den overigen tijd met het schrijven van woorden op de lei, ter voorbereiding van het schrijven op papier, en
27 scholieren waaronder kinderen van ambtenaren en kolonisten, maken in 3 afdeelingen verdeeld, de hoogste klasse uit, die goed lezen en schrijven en in de rekenkunde algemeen goede vorderingen gemaakt hebben.

De verstgevorderde dezer dagscholieren, genoten ook alle weken eenmaal onderrigt in het redekundig ontleden, dat door den bekwamen D: P: van Steenwijk provisioneel 1e ondermeester dezer school, doelmatig gegeven wordt.

Door eene gedurige aankomst en overplaatsing van kinderen en jonge lieden bij het gesticht, is het getal scholieren hier zeer verschillend.
Zoo was het getal dagscholieren, in den afgeloopenen zomer van 140 tot 150, tegenwoordig slechts 80, en dat der avondscholen, naar evenredigheid ook zoo veel grooter dan thans.

Op de avondschool, voor jongens waren nu, in alles, 46 leerlingen, waar van 15 groote jongens, vroeger nooit school gegaan hebbende, bezig zijn met de beginselen der leeskunst, ook naar de leerwijze van Prinsen;
15 lezen vrij goed in het werkje Grootmoeder Anna; en de overige zijn in het lezen, schrijven en rekenen wel bedreven.
De schriften zien er zindelijk en net uit, en dragen het kenmerk van goede orde en voldoende vorderingen.
Geen gelegenheid gehad hebbende om de avondschool voor meisjes te bezoeken, heb ik evenwel het schrijfwerk van 37 leerlingen, met genoegen nagezien. 15 schreven heel goed en de overige 22 hadden daarmede een goed begin gemaakt.
Overigens zouden de gemaakte vorderingen in het lezen van de leerlingen dier avondschool zoo als de Onderwijzer Hoogstra mij verklaarde, met die der jongens nagenoeg gelijk staan.

Daar hier vele jonge lieden aankomen, die nog geen onderwijs hebben genoten, en derhalve naar hunne ouderdom gerekend, zeer achterlijk zijn, zoo is het uiterst noodzakelijk, dat er op de avondschool veel moeite aan het onderwijs in het lezen besteed worde, hetwelk dan ook geschiedt.
Terwijl de Onderwijzer met de verstgevorderden of met den achterlijksten bij de letterkas bezig is, gaat de ondermeester, den geheelen schooltijd door, bij de leerlingen, die in boekjes beginnen te lezen, rond, en laat dezelve, hoofd voor hoofd, en ook afdeeling voor afdeeling lezen, zoodat iedereen zoo goed mogelijk bezig gehouden en voortgeholpen wordt.
Het gebed en gezang zijn doelmatig.
Het onderwijs dezer school, wederom in zulk een goeden staat vindende, heb ik Hoogstra slechts aangeraden:
1 Inzonderheid op de dagschool, ieder kind, dat zoo veel lezen kan, alle weken eens te doen lezen in de kindergedichtjes van van Alphen.
2 Het lezen der middelste klasse op de dagschool, wat meer klassikaal te doen plaats hebben, zoodat het eene kind meer nut heeft van het overluid lezen van een ander, dan namelijk wanneer niet bij de letterkast wordt gewerkt en de verstgevorderden niet lezen.

Ik twijfel niet of Hoogstra die steeds het beste voor zijne leerlingen wil, zal dezen raad gaarne volgen.
Voorts moet ik UWEdG: nog mededeelen dat de twee hoeveknechten, Jan Smit en Jozias Heurings, wonende bij Verwer en van den Berg, vroeger kweekelingen te Wateren, geen gebruik maken van de avondschool, zeggende daartoe geenen tijd te hebben. Indien zulks echter geschikt kon worden, dan zoude het voor hen zeer nuttig zijn, dat ze drie avonden in de week school gingen, daar ik geloof, dat zij nog behoefte aan eenig schoolonderwijs hebben.
En heb ik de eer UWEdGestr: tot 1e Ondermeester te Ommerschans voor te stellen, den genoemden van Steenwijk op dezelfde bezoldiging, welke in die betrekking te Veenhuizen wordt genoten.-

De Adjunct Directeur voor het onderwijs (get:) J: H: van Wolda
Voor Copie Conform coll: De Directeur der KoloniŽn J Van Konijnenburg