De stukken over Thomas Drinkwater

Zie hier voor de verhaalvorm.

Eerdere stukken volgen nog/

De dokter op stap met Drinkwater

Op maandag 29 augustus 1842 schrijft directeur der koloniŽn Jan van Konijnenburg een brief met nummer N2173 aan de permanente commissie. Hij verhaalt van gebeurtenissen van de woensdag ervoor, invnr 265 de scans 532-534:


Heb ik UwEdGeb. reeds te kennen gegeven, dat de heer Tho Drinkwater, Directeur der katoen spinnerij te Veenhuizen, niet vrij is van zich aan misbruik van sterken drank overtegeven, en dat ik hem daarover onderhouden heb, thans vind ik mij in de onaangename noodzakelijkheid, UwEdGeb te moeten berigten, dat dit gebrek van dien ambtenaar niet beter wordt.

Laatstleden woensdag is hij met den Geneesheer Hodenpeil, naar de Asser kermis gereden en, als naar gewoonte, in zulk een beschonken staat terug gekomen, dat zijn reisgenoot in angst nevens hem zat.

Onderweg wilde Drinkwater overal aanhouden, ook bij Roemer, -Kuipers aan het 1 Gesticht en den Heer Rensing bij het 2. Hier, door den Heer Hodenpeil met de Chais voor het Gesticht des avonds lang op hem gewacht zijnde, liet Drinkwater, op de aanmaning om toch voort te maken, weten, dat hij maar zoude vooruit rijden. De Heeren Rensing en Hendriks bragten hem, vervolgens, op den weg, achter het gesticht, waarop Drinkwater te voet naar het 3 keerde.

Daarkomende begaf hij zich, voorzien van een dikken knuppel eerst naar de woning van den Geneesheer en, hem daar niet vindende, naar diens schoonvader Nijenbandering, alwaar hij Hodenpeil vindende uitdaagde en te lijf wilde, zoodanig, dat gemelde Onder Directeur den Heer Drinkwater zijn huis uit dreef en den nachtwacht aanbeval, die hem eindelijk te huis kreeg.

Deze nachtwacht getuigt, dat hij nooit nuchteren te huis komt, terwijl hij zeer dikwijls uitgaat en dan is hij den volgenden dag ziek, zoo als nu ook deze keer weÍr gebeurd is, en komt hij vroeger in de fabrijk, dan is hij lastig of onhandelbaar.

De scheermeester Whittaker, zijn zwager, is even zeer aan sterken drank verslaafd en ten eenen male misbaar en de onlangs door Drinkwater eigener autoriteit aangenomen spinmeester Addersley, zijn neef, gaat zich in eene hooge mate te buiten en verstaat daarbij zijn werk in geenen deelen. Dat dus de zaak niet goed gaat en zoo niet kan blijven is duidelijk.

Na rijp beraad en overleg met verschillende ambtenaren, is mijn  gevoelen, dat gemelde drie personen uit de dienst der Maatschappij hoe eerder zoo beter behooren te worden ontslagen, en dat er slechts een bekwaam en braaf spinmeester in de plaats benoodigd is, om de spinnerij onder goed opzigt te hebben.

De onder Directeur Steenbeek is thans genoegzaam met de inrigting bekend en daarbij zoo voorzigtig, ijverig en verstandig in zijn beleid en bestuur, dat ik er niet aan twijfel, of de zaak zal, op die wijze, wel beter gaan dan thans, onder de luimen, en het onbestendig bestuur van den Heer Drinkwater, waaronder Steenbeek ook niet zijn kan, wat hij is, zal hij met zijnen chef wel blijven en niet, zoo als Appleton, telkens met hem verschil hebben.-

De machinist Winkels en mechanicus Cook zullen, in dit geval, voor eerst beter behouden blijven.

Daarentegen kan ik niet genoeg prijzen het gedrag en den ijver van al onze adsistenten, die in alle vakken zeer groote vorderingen maken. Ook de kaardmeester Claessens houdt zich wel en verstaat zijn vak.

De scheerderij kan door de onzen voldoende en beter bestuurd worden, dan door Whittaker. De sterkerij kent den adsistent Smith zoo goed en beter dan Whittaker, onder wien dat vak thans mede gesteld is, maar die er niets hoe genaamd van weet.

Ik acht het dan ook zeer doelmatig, om onze zes adsistenten, die nog maar f 5,- s weeks verdiensten hebben en waarvan er dezer dagen twee in het huwelijk treden; zonder dat zij daarom verzoeken, ťťn gulden ís weeks verhooging toe te leggen, als een blijk van UwEdGeb welverdiende te vredenheid en tot vernieuwde aansporing, om op den ingeslagen loffelijken weg voort te gaan en om hen ook aan de Maatschappij te verbinden.-

Eindelijk geloof ik, dat UwEdGeb niet te spoedig naar een bekwaam en geschikt spinmeester kunnen omzien, om daarna ten allerspoedigste tot het besluit te komen, het welk ik de eer heb UwEdGeb bij dezen voor te stellen.-

De Directeur der KoloniŽn
J. van Konijnenburg

De permanente commissie bespreekt de brief op 18 oktober 1842 bij agendapunt 34, invnr 533, en doet niets. Ze neemt de brief voor 'notificatie', kennisgeving, aan. Ze durven de directeur van de stoomspinnerij niet te ontslaan, want ze denken niet zonder hem te kunnen.

Februari 1844, de onderdirecteur

Daarna gebeurt er nog het nodige waar ik geen transcripties van heb, maar dan is het februari 1844. Op 12 februari schrijven twee mensen aan de directeur over het gedrag van Drinkwater. De eerste is Gerrit Steenbeek. Hij is een zoon van de fabrieksbaas van de Ommerschans en hij is sinds 1 oktober 1841 onderdirecteur bij de stoomspinnerij. Hij houdt de boel draaiende als Drinkwater niet komt opdagen. Hij schrijft, invnr 291 scan 358:


Veenhuizen 12 februarij 1844
Den weledelen Heere
J.van Konijnenburg

Weledele Heer!             

Alhoewel er juist geen wonder is geschied, vind ik mij toch verpligt UwelEd in het bijzonder, te schrijven, en te berigten dat Thomas Drinkwater zich op den 8e ll. op zulk eene, zijner waardige, wijze heeft onderscheiden dat hij alle zijne vroeger begane dwaze en slechte daden, voor zoo verre die mij bekend zijn, heeft overtroffen.

Zijne gewone ongesteldheid is hem op genoemden dag weer overvallen, met dat gevolg dat hij zijne vrouw des nachts ten half twaalf ure, eerst met de kagchelpook heeft mishandeld en vervolgens ter deure heeft uitgedreven.

Daarna heeft hij in eene volkomen beschonkene toestand onzen nachtwacht, in de Machinekamer, bezocht, kennelijk met het doel om te zien of de verdrevene ook in die plaats was gevlucht.

Intusschen had zijne vrouw eene schuilplaats gezocht en gevonden bij Robt Cooke, alwaar zij zich tot op dit ogenblik nog bevindt.

Mijne waardige Chef is sedert die gebeurtenis weder onzichtbaar, volgens ouder gewoonte.

De zaak maakt veel opspraak en schijnt niet zeer geschikt te zijn om de katoenspinnerij in de achting van het algemeen te doen rijzen.
Met ware hoogachting heb ik de eer te zijn
uwendwDienaar
G.Steenbeek

De adjunct-directeur

De andere briefschrijver van 12 februari 1844 is Sikke Berends Drijber, de adjunct-directeur van het derde gesticht Veenhuizen. Zijn brief bevindt zich in invnr 291 scan 359:


Veenhuizen den 12 februarij 1844

Wel Edele Heer en Vriend

Ik neem bij dezen de vrijheid, UwEde te berigten dat er tusschen den Heer Drinkwater en zijne Echtgenote groote oneenigheden zijn ontstaan, met dat gevolg dat hij haar Donderdag avond laat de deur heeft uitgezet, waarop zij haar intrek bij Cook heeft genomen.-

Zaterdag middag kwam de vrouw van den Heer Drinkwater bij mij, om de mishandelingen van haar man aan mij mede te deelen, ik ben hier op naar den Heer Drinkwater gegaan en hem zijne verkeerde handelingen en de gevolgen daarvan onder het oog gebragt, en kreeg het zoo ver dat zij weder bij hem zoude komen, hetgeen dan ook dadelijk in mijn bijzijn gebeurde, met overleg dat zij tot de aanstaande zomer bij hem zoude blijven, en wanneer zij dan niet vereenigd met elkanderen konden leven, zij dan naar Engeland zoude terug keeren,

dit wierd met wederzijds genoegen aangenomen, echter nadat ik het huis verlaten heb schijnt de twist wederom opnieuw te zijn  begonnen zoo dat geen uur naa dat ik vertrokken was zij andermaal wederom de deur is uitgezonden en opnieuw haar intrek wederom bij Cook heeft genomen.

Ik heb gemeend UwEd van dit onzedelijk gedrag kennis te moeten geven
en heb de eer mij met waare hoogachting te teekenen
UwEd Dw Dienaar en Vriend
B. Drijber

De adjunct-directeur weer

Op de achterzijde van deze brief heeft de directeur genoteerd 'geschreven aan Drijber 13 februari'. Hij wil weten of het nu door de drank gekomen was of niet. Daarop schrijft Drijber weer op 15 februari 144. invnr 291 scan 361:

No. 29
Veenhuizen den 15 Februarij 1844

In antwoord op het laatste gedeelte van UWELEdelen missive van den 13e dezer maand No. 470, heb ik de Eer te berigten, dat ik den onderDirecteur Steenbeek verzocht heb, om zoo ver hem bekend was mij te informeeren, hoedanig zich het Voorgevallene met den Heer Drinkwater had toegedragen, ten einde aan UWED verlangen te kunnen voldoen,- welk antwoord vermeld in zijnen brief van den 14e dezer maand No. 349 ik zoo vrij ben hierbij overteleggen.-

Met opmerking dat toen ik des Zaturdags avonds bij hem was geene dronkenschap heb kunnen bespeuren, maar mij wel te kennen gaf, hij eenen tegenzin in zijnen vrouw had, omdat hij vermoedde zij zich met andere mannen ophield, waarmede hij, zoo ik van anderen hoor de nagtwacht Van Meurs bedoeld heeft.-

Ik echter houde het er voor, dat Voorgevend geheel van grond ontbloot is.

Volgens bovengenoemden brief van den Heer Steenbeek zoude dronkenschap wel de oorzaak deer onenigheden geweest zijn.-
De Adjunct Directuer
S: B: Drijber

De onderdirecteur weer

Als door Drijber aangegeven zit er een brief bij van onderdirecteur Steenbeek. Die is gedateerd 14 februari 1844, invnr 291 scan 363:


3: Gesticht
No. 349
Veenhuizen, 14 februarij 1844

In antwoord op UWelEd Missive, van heden No. 26b, ten gevolge aanschrijving van den Directeur der KoloniŽn, berigt ik UWelEd: dat ik niet tegenwoordig ben geweest bij het voorgevallene, op den 8e dezer maand, tusschen den Heer Drinkwater en zijne Echtgenoote; zoodat ik aangaande dŪť zaak geene getuigenis kan afleggen, evenmin als ten opzigte van zijne persoonlijke gesteldheid op dŪťn tijd.

Ik zal UWelEd echter mededeelen datgene wat mij van die zaak verhaald is door Robt Cooke en door den nachtwacht Van Meurs, voor zoo verre die zelf gezien of van Mejuffrouw Drinkwater hebben vernomen.

Nadat den heer Drinkwater voor af zijne Vrouw, met een kagchelpook, had mishandeld, waarvan de teekenen maar al te duidelijk zigtbaar waren, heeft hij haar des nachts omstreeks half twaalf uren ter deur uit gedreven. Daarna heeft den Heer Drinkwater in de fabrijk de Machine kamer doorzocht, waarbij hij zoo danig was bedronken dat hij zich naauwelijks aan den nachtwacht kon doen verstaan, en slechts met veel moeite op de been konde blijven.

Mejuffrouw Drinkwater heeft na verdreven te zijn eene schuilplaats gevonden bij Robt Cooke, en eerst op den 12e  JL van haren man verlof kunnen bekomen om naar hare woning weder te keeren.

Na den nacht van den 8: dezer maand, tot op dit ogenblik heeft den Heer Drinkwater nog niet weder in de Katoenspinnerij geweest.-
De OnderDirecteur der Katoenspinnerij
Steenbeek

De directeur

Directeur der koloniŽn Jan van Konijnenburg stuurt alle vier hier boven afgedrukte brieven naar de permanente commissie. Hij voegt er een eigen brief aan toe, invnr 291 scan 355:


Ik vind mij verpligt UwHEdGeb. kenbaar te maken het aanhoudend wangedrag van den Heer Drinkwater waarover ik den 12e dezer maand de beide particuliere brieven ontving, welke ik de eer heb UwHEdG hiernevens te doen toekomen.-

Daarop verzocht ik den Adjunct-Directeur te willen onderzoeken en mij te berigten, of dronkenschap wederom aanleiding gegeven had, tot het ergerlijk voorval tusschen den Heer Drinkwater en zijne ongelukkige Vrouw, en of hij sedert, al of niet bij het werk geweest was.

Of schoon mijne bedoeling was, een rapport te ontvangen buiten eenigen invloed van den OnderDirecteur Steenbeek heeft nogtans den Adjunct-Directeur het berigt van dien ambtenaar ingewonnen en zich, daaraan refererende, laat ZE altoos nog eenigen twijfel overblijven, of misbruik van sterken drank wel de oorzaak van het scandaal geweest is.

Ik laat het aan UwHEdG eigen oordeel over, hierin zoodanig te besluiten als UwH.Ed.G gepast zullen oordeelen en zal, te Veenhuizen komende, de zaak voor zoo veel nodig, verder onderzoeken.-
De Directeur der KoloniŽn
J van Konijnenburg

De permanente commissie

Dan ligt de bal in Den Haag. Op de achterkant van de brief van de directeur schrijft een lid van de permanente commissie: 'Contract met Drinkwater bijvoegen'. Maar dat blijkt niet te lukken, want een andere krabbel meldt: 'Van een contract met Drinkwater schijnt geen questie te zijn geweest'.

Op de vergadering van 6 maart 1844 bij agendapunt N25, invnr 550, wordt genoteerd: '25. Missive directeur 16 februari N507 inzendende vier brieven, omtrent het aanhoudend wangedrag van de Heer Drinkwater -> in advies'. Men durft nog steeds niet.

Dan is er al weer een volgende brief van de directeur. Die staat op een andere pagina, want die gaat vooral over andere dingen, maar Drinkwater komt er ook in voor. Zie ergens halverwege deze pagina. De directeur wordt er een beetje laconiek onder.

Het duurt twee maanden eer men genoeg moed gevat heeft. Dan is te lezen in de uitgaande post van de permanente commissie van 10 mei 1844 bij agendapunt N7, invnr 552:

Besluit N7.
1o den Heer Drinkwater, directeur der stoomspinnerijte Veenhuizen tegen den 1 july aanstaande uit de dienst der Maatschappij te ontslaan;
2o bepalen dat met 1e july aanstaande de functien van den directeur der stoomspinnerij voorloopig zullen worden waargenomen op dezelfde wijze als tot dus verre bij afwezigheid van Drinkwater heeft plaats gehad.