Johannes Jacobus Montanus is hťťl kort vrije kolonist en drijft daarna tientallen jaren lang 'de winkel van Montanus'

Inleiding volgt...

De subcommissie van weldadigheid te Utrecht mag in het voorjaar van 1822 een gezin voordragen voor een plek in de vrije koloniŽn. Ze schrijft op 29 april 1822, invnr 61 scan 224, dat zij 'het behoeftig huisgezin van J.J. Montanus' voordraagt. Ze stuurt daarbij een 'stamlijst' van het gezin. Die zit er niet meer bij, maar vermoedelijk stond daarop dat ze graag willen dat Montanus een administratieve functie in de kolonie krijgt (zie brief directeur verderop van 16 juli 1822).

Op de achterkant van de brief, scan 226, heeft de permanente commissie geschreven dat het gezin is 'gedesigneerd', wat inhoudt dat ze het een plaats in de kolonie toewijzen. Dat staat ook in het 'designatieregister opnemingen uit de contributie 1822' in invnr 1395. Ze schrijven dat aan Utrecht en in die brief, waarvan een afschrift moet zitten in invnr 353, schrijven ze dat het gezin vanaf 1 juli 1822 mag komen.

Begunstigers
En inderdaad schrijft Utrecht op 22 juni 1822, invnr 61 scan 862, dat zij het vertrek van het gezin Montanus Ďop den 1 Julij eerstkomende bepaald heeftí. Een week later laat de subcommissie weten dat de reis wat anders zal lopen dan normaal, 29 juni 1822, invnr 61 scan 905:

De Subkommissie van Weldadigheid vindt zich verpligt UWEHs te berigten, dat het huisgezin van J.J. Montanus, hetwelk op den 1 July van hier zal vertrekken, niet op de gewoone wijze zal verzonden worden, maar regstreeks van hier met een schip naar de kolonien zal afreizen, daar zij zich door de bijdragen van eenige begunstigers in staat gesteld zien, om buiten kosten der Maatschappij van Weldadigheid de reis te doen en daarenboven eenig huisraad medetenemen. De subcommissie twijffelt niet, of UwEdGs zult deze verandering in de wijze der verzending goedkeuren, die door den nieuwen kolonist, om redenen, aan ons gevraagd is

Omdat het 'buiten kosten der Maatschappij' is, vindt de permanente commissie het prima, gezien de aantekeningen op de achterkant, scan 906. Blijkbaar schrijft men 24 juni aan dfe directeur der koloniŽn (maar brieven aan de directeur uit de begintijd zijn niet bewaard gebleven), want de directeur schrijft terug op 30 juni 1822, invnr 61 scan 922, dat met Montanus Ďovereenkomstig het verlangen der Permanente Commissie zal worden gehandeltí.

Aankomst
Ze komen aan op vrijdag 5 juli 1822. Ze staan op een nominatieve staat van aankomende gezinnen en weeskinderen van 21 juni tot en met 5 juli in invnr 1370. Man, vrouw, 4 kinderen en een zuster van de vrouw:


Ze worden ondergebracht in kolonie 4 (dan nog de aanduiding voor Wilhelminaoord) op hoeve 78. Volgens het onderzoek van Thijs Rinsema is dat tegenwoordig de M.A. van Naamen van Eemneslaan 16, ten noorden van het huidige centrum van Wilhelminaoord, kadastraal Vledder D 100, met de coŲrdinaten 52.859218 en 6.156723.

Ze staan als bewoners van hoeve 78 op een lijst in het maandblad de Star van augustus 1822, zie hier.

Tapijten
Directeur der koloniŽn Wouter Visser bekijkt de nieuwkomers met grote ogen. Dit is geen doorsnee kolonistengezin. Op 16 juli 1822, invnr 62 de scans 197-198, schrijft hij:

Ik kan niet voorbij de Permanente Kommissie bij deeze gelegenheid ook te informe≠ren dat, de kolonist Montanus, geadvijseerd bij hare missive van den 24. der vorige maand no.71/6 waarin zij tevens haar verlangen ter kennis gaf om reden daar bij vermeld dat gen. persoon in eene administratie≠ve betrekking wierdt geemploijeerd: zich beklaagt - evenwel tot nog toe buiten mij - dat de aan hem gedane beloften hier niet worden vervuld,
als moetende hij volgens zijn oordeel genieten de inkomsten van kolonist, en daar boven de verdiensten ven een boekhouder, dat is É7,- per week, terwijl hem in alles slegts É3,50 wordt toegelegt; welke laatste som hij nauwelijks kan verdienen, zijnde een mediocre adsistent en nimmer een boekhouder:

dienende tot verdere inligting aangaande dit huisgezin, dat het van alle huisraad is voorzien, onder andere een grote spiegel met vergulde randen, engelsche lamp, verguld thee servies etc., dat de vrouw bij hare aankomst zich be≠klaagd over een steenen vloer, dat zij daar op geen tapijten kon leggen, dat zij hier geen patent olij kunnen bekomen, zich met kaarsen zouden behelpen enz.

Voormalig advocaat
Dat zijn geen doorsnee kolonisten. Gegevens over de achtergrond van Johannes Jacobus Montanus heb ik gehad van familie-onderzoeker Hans Montanus, zie hier:

Zijn vader was theologiestudent in Leiden, waar hij bij de dochter van zijn hospes een kind verwekte. Om de schande te vermijden (hij kwam uit een vooraanstaand geslacht) vertrok hij als predikant naar Oost-IndiŽ en kwam nooit meer terug.
Uit ťťn van zijn twee huwelijken daar werd Johannes Jacobus geboren (zijn enige in leven blijvende zoon). Johannes Jacobus werd op achtjarige leeftijd naar Holland gestuurd om daar te gaan studeren. Hij studeerde rechten en werd advocaat in Utrecht waar hij gevestigd was aan de Neude.
Hier liep het door en of andere oorzaak fout. Geestelijk of lichamelijk was hij niet meer in staat zijn beroep uit te oefenen. Eerst verhuisde hij nog naar een andere locatie in Utrecht "agter het slagthuis", maar ook daar redde hij het niet.

Gezinssamenstelling
Ook van Hans Montanus heb ik dat de oudste zoon uit het gezin niet is meegekomen. Wie er, afgaande op de hierboven afgedrukte aankomststaat dan wel zijn:

Johannes Jacobus Montanus, geboren 9 juni 1774 te Batavia. Hij is getrouwd met
Johanna Maria Hoogewegh, geboren 20 september 1772 te Utrecht. Ze hebben de volgende kinderen bij zich, die alle vier zijn geboren te Utrecht:

Antoinetta Cornelia Montanus, geboren 14 september 1808,
Johannes Jacobus Montanus, geboren 31 mei 1810,
Evert Willem Montanus, geboren 27 juni 1812, en
Hendrik Montanus, geboren 17 januari 1814 te Utrecht.

Daarnaast hebben ze bij zich een zuster van Johanna Maria:
Antoinetta Cornelia Hoogewegh. Zij is nog jong, maar zij overlijdt 15 september 1824 op 21-jarige leeftijd.

Ongeschikt
De tweede helft van augustus 1822 logeert het lid van de permanente commissie Jeremias Cornelis Faber van Riemsdijk bij zijn medelid Johannes van den Bosch in Huis Westerbeek te Frederiksoord. Op 10 augustus schrijft Faber van Riemsdijk aan het Haagse thuisfront vanuit Frederiksoord en op 30 augustus meldt hij 'zijn aanstaande terugkomst', allebei uit het brievenboek invnr 20.

Gedurende de logeerpartij praten ze met de directeur en met kolonisten (waarschijnlijk ook met Montanus), nemen ze verzoekschriften in ontvangst en ontwerpen ze tal van besluiten en bepalingen die later in Den Haag bekrachtigd moeten worden. Dat laatste gebeurt op zaterdag 7 september 1822 en een van die besluiten is, invnr 20:

Om aan de Subk. te Utrecht voortestellen het huisgezin van J.J. Montanus uit hoofde van ongeschiktheid tot kolonialen Boekhouder of adsistent des mans, - door een ander huisgezin, meer voor den kolonialen stand geschikt, te doen vervangen.

Zelf ontslag nemen
Een afschrift van die brief, die op 11 september de deur uitgaat, moet zich bevinden in invnr 353, maar die heb ik nog niet gezien. Utrecht reageert op 27 september 1822, invnr 62 scan 617:

De Subkommissie van Weldadigheid uit UWEDs. missive van den 11 September ll N18/9 gezien hebbende, dat het huisgezin van J.J. Montanus voor den kolonialen stand ongeschikt is, geeft volgaarne derzelver toestemming tot zijn ontslag uit de kolonien, zullende zij eerstdaags aan UWelEds eene nieuwe voordragt doen.
Enkel verzoekt zij UWelEds te willen toestaan, dat hijzelf om zijn ontslag moge verzoeken, ten einde hij niet schijne om wangedrag gedemit≠teerd te zijn, hetgeen hem door een brief van den Heer Fullingh zal te kennen gegeven worden.

Volgens het brievenboek met invnr 20 staat de permanente commissie dat verzoek op 2 oktober toe en wordt op 3 oktober:

Besloten aan de directeur medetedeelen het ontslag van t gezin van Montanus uit Utrecht, & het door de subk aldaar deswegen gedaan verzoek

Utrecht laat er geen gras over groeien en al op 4 oktober draagt zij een gezin voor dat Montanus als kolonist kan opvolgen, invnr 63 scan 19.

Hoeve 2 van Wilhelminaoord
Te Frederiksoord zal het ontslag dan bezegeld zijn, maar blijkbaar komt er ook iets anders ter sprake. Want het brievenboek met invnr 20 meldt op 30 oktober 1822 het besluit van de permanente commissie om aan de directeur te schrijven:

Dat aan Montanus zeker huisje in de Vierde parten kan worden verhuurd

Het betreft hoeve 2 van Wilhelminaoord. In het op 1 juni 1825 aangelegde stamboek met invnr 1352 staat de familie op scan 3 als bewoners van die hoeve (maar doorgehaald omdat ze in het personeelsregister horen). Die hoeve is ergens tussen 1890 en 1928 afgebroken, maar stond op wat tegenwoordig Westvierdeparten 31 is, kadastraal Noordwolde D 1091 met de coŲrdinaten 52.85440 en 6.11691.

Gammel koninkrijk
Maar het huis is nogal wrakkig. Over die woning schrijft de directeur op 8 oktober 1829, invnr 100 scan 118:

Tekst volgt...

Blijkbaar heeft die gammele hoeve nummer 2 de spottende bijnaam 'het Koninkrijk'. Er wordt in het kader van noodzakelijke verbouwingen aan koloniale hoeves in april 1830, scan 53 van invnr 104, over geschreven:

Het zoogenoemd Koninkrijk, alwaar Montanus vroeger gewoond heeft, en waarvan de herbouw in deze maand geschieden zal, verschaft wederom eene nieuwe hoeve, wanneer de huur van het daartoe behoorende oude bouwland wordt ingetrokken en twee honderd roeden gronds, thans bij de daaraan belendende hoeve in gebruik, aan hetzelve wordt weÍrgegeven.

Hoeve 3 van Wilhelminaoord
In januari 1830, bij de landbouwplannen voor dat jaar, invnr 100 scan 547, zegt de directeur over die hoeve 2  'waar Montanus gewoond heeft' dat 'het huis onbewoonbaar' is. En bij hoeve 3 van Wilhelminaoord schrijft hij 'thans door Montanus bewoond'. Ze zijn dus van hoeve 2 naar 3 gegaan, maar het is niet duidelijk wanneer precies.

Hoeve 3 is tegenwoordig Westvierdeparten 8, kadastraal Noordwolde D 563, met de coŲrdinaten 52.85420 en 6.11809. Ze zijn dus naar de overkant van de weg gegaan. Hier is heden ten dage nog iets herkenbaar van de hoeve die er gestaan heeft.

Assistent van de boekhouder
Af en toe moet de directeur nog wel eens terugdenken aan de ongeschiktheid van Montanus voor de koloniŽn. Zo schrijft hij op 26 december 1823, invnr 67 scan 752, over andere net aangekomen mensen:

Deze man en vrouw hebben zo door hunne ligchamelijke gesteldheid, als vroegere betrekkingen en afkomst veel overeenkomst met de familie Montanus en zijn dus even ongeschikt als die voor de inwoning in de kolonien

Maar Johannes Jacobus Montanus blijft, ook al is hij nu geen kolonist meer, wel assistent van de boekhouder der koloniŽn. Daarmee verdient hij het schamele bedrag van twee gulden per week, maar op 7 september 1825, invnr 961, zie hier, neemt de permanente commissie een besluit dat ook hem betreft:

Art. 3
De geemployeerden Greven en Montanus blijven in derzelven functien bij den algemeene boekhouder gecontinueerd.

Art. 4
Het tractement van den geemployeerde Montanus wordt met f 1- 's weeks verhoogd en alzoo gebragt tot f 3- 's weeks

De winkel van Montanus
Ook van drie gulden kun je niet rondkomen, maar dat hoeft ook niet. Want vermoedelijk al heel snel na zijn ontslag als kolonist in oktober 1822 is de familie een winkeltje begonnen. Uit latere berichten blijkt dat 'de winkel van Montanus' een begrip is.

Als op 6 oktober 1827 echtgenote Johanna Maria Hoogewegh overlijdt, staat als beroep in de overlijdensakte 'winkelierster te Frederiksoord Kolonie No 4 onder Steggerda'.
De status van de winkel is onduidelijk. Op 10 mei 1825 N3 neemt de permanente commissie het besluit, zie hier, om eigen winkels in de vrije koloniŽn te hebben en daarnaast 'geadmitteerde' winkels. Het verschil is dat de winkeliers in de eigen winkels een salaris van 7 gulden per week krijgen. Maar dat laatste wordt al heel snel, op 19 juli 1825 teruggedraaid, zie hier.

Hulp in de huishouding
Dus zowel eigen winkeliers als 'geadmitteerde' winkeliers moeten leven van de 10 procent winst die ze mogen maken op de verkoop van winkelwaren. Er is dus geen echt onderscheid tussen hun.

Op de zitting van de Kleine Raad van 20 september 1828, verschijnt:

Vrouw Elsing, van kol 2, vragende het noodige verlof om hare dochter, welke bij dr. Muller gewoond heeft, te mogen laten dienen bij den Heer Montanus, winkelier in kol 2.
De leden van de raad maken daarin geene zwarigheid, geven er hunne toestemming aan, onder nadere approbatie van den Heer Direkteur der koloniŽn.

Dr. Muller is Statius Muller, arts van de vrije koloniŽn van 15-12-1826 tot 01-02-1832.

Ziekte
Die hulp in de huishouding zal nodig zijn, omdat Johannes Jacobus Montanus niet helemaal lekker is. Als de directeur op 1 november 1828, invnr 94 scan 445, klaagt over de gebrekkige bezetting van het algemeen bureau te Frederiksoord, gaat het onder andere over 'de zedert maanden afwezigheid (door ziekte) van Montanus'.

Overigens stelt de directeur in diezelfde brief voor de jongeling Mathijs Smit op het algemeen bureau te plaatsen, dus dan weten we meteen hoe die met de familie in contact is gekomen.

Verlies baan
Johannes Jacobus blijft ziek. Een jaar later, op 17 oktober 1829, invnr 100 scan 259-260, reageert de directeur op een personeelsbesluit:

In het genoemde besluit vind ik niet gesproken van den door ziekte onbekwaam geworden schrijver J.J. Montanus, wien niettegenstaande op den duur É 3.-- wekelijksch wordt uitbetaald, en waarmede ik veronderstel, dat, naar UwEdG bedoeling, kan worden voortgegaan.

Op dat moment beslist de permanente commissie nog dat Johannes Jacobus zijn baan kan houden, maar... in 1830 wordt het algemeen bureau in Frederiksoord zo goed als helemaal opgedoekt. Alle administratie en rekenwerk gaat naar het bureau in Den Haag. Vanaf dat moment is Johannes Jacobus niet langer assistent van de boekhouder en moet hij zijn inkomen helemaal halen uit de winkel.

Andere hoeve
Er komt wel een nieuwe woning, al hebben we daar (nog) geen nummer bij. Op 2 april 1830, invnr 104 scan 52, schrijft de directeur:

Den winkelier Montanus, in de 1e wijk van kol N2, in des wijkmeesters woning overplaatsen (moetende de kolonisten-wijkmeester op zijne hoeve worden gelaten); hem dŠŠr eenen tuin geven, zoo groot die eenigzins vallen kan, ook zijne koe laten, die hij daaruit en overigens langs de wegen zal moeten doen grazen, en tot onderhoud van welke hem door de Maatschappij des winters eenig hooi zoude kunnen worden geschonken, komende zijne hoeve alsdan open.

Uit de aantekeningen met potlood blijkt dat de permanente commissie wel akkoord is, maar geen hooi aan Montanus wil schenken. Hij is immers geen koloonist?!
Een wijkmeesterswoning heeft geen eigen landje eromheen en staat wat verder van de weg af. In het stamboek Wilhelminaoord 1830-1835 met invnr 1354 staan ze op scan 100, in het volgende boek met invnr 1355 op scan 98, en in het daaropvolgende met invnr 1356 op scan 102, met het hoevenummer 99. Maar waar die gelegen heeft is onduidelijk.

Geen kolonist
Bovendien horen ze niet in het stamboek te staan, want ze zijn geen kolonisten. Op 8 februari 1832, invnr 122 scan 148, schrijft de directeur dat hij heeft voldaan aan het verlangen van de permanente commissie voor wat betreft de inrichting van de sterktestaten:

Dat voorts ook de winkeliers Montanus en Kientz, als ambtenaren, in de sterkte begrepen zijn.

Dat is de komende jaren ook te zien op de bewaard gebleven sterktestaten van Wilhelminaoord. Bijvoorbeeld die van 5 oktober 1835, invnr 164 scan 118, waarbij Johannes Jacobus afgescheiden van de kolonisten staat.

Inspectie
In het inspectieverslag en 2 juli 1832, invnr 127 scan 18 en 19, is een akkefietje, maar dat moet nog getranscribeerd:

Tekst volgt

Op 12 april 1833 doet de jongste zoon, Hendrik Montanus, belijdenis des geloofs bij dominee Clinge van Vledder, invnr 135 scan 511

Winkelwaren-1
In een bewaard gebleven schriftje van het algemeen magazijn van de vrije koloniŽn uit waarschijnlijk september 1836, staat genoteerd welke winkelwaren aan winkelier Montanus geleverd zijn op scan 536 en scan 542:

Tekst volgt

Winkelwaren-2
Maar de waren in de winkel van Montanus komen niet allemaal uit dat magazijn, ze komen ook uit Steenwijk. Dat blijkt uit de Raad van toezicht van Wilhelminaoord van 18 november 1836, bijlage 8 helemaal onderdaan op deze pagina:

Alle leden prťsent zijnde compareerde voor ons Kornelis van Ham, kolonist in opgemelde kolonie als beschuldigd van overmaat van sterke drank te hebben gebruikt bij het transport van Steenwijk na herwaard op den 14 november jl van eenige winkelwaren voor den winkelier J. Montanus en zulks op requisitie (??) van den Heer AdjunctDirecteur der gewone koloniŤn Hulst.

Heeft geantwoord
Dat hij van Ham, nadat hij zijne zaken verrigt had in Steenwijk en na de winkelwaren opgeladen te hebben, hij het ?? van Steenwijk door de knecht van den Heere Directeur verzocht wierd hem behulpzaam te zijn om een varken op den wagen te helpen -
welk varken zeer beslikt was en zijne buis zoo wel als die van voorn. knecht des Heer Directeurs zoodanig met slik besmeurd werd of men gevallen had -
dat het geval niet is geweest vermits er niet meer dan enen borrel gebruikt is,
een en ander hier voren aangehaalt kan informatie lijden bij de knecht des Heeren Directeurs. en bij den winkelier J. J. Montanus alwaar hij in den vooravond om half zes uuren reeds was aangekomen.

Rondom de winkel
Uit het overzicht van jongeren die in 1837 hun ouderlijk huis hebben verlaten, invnr 191 scan 370, blijkt dat de 19-jarige kolonistendochter in dat jaar 'dienstbaar bij den winkelier Montanus' is geworden.

Bij de Raad van toezicht van Frederiksoord van 14 juli 1837, bijlage 2 op deze pagina, gaat het over een 14-jarig meisje dat is ingedeeld bij de weduwe Winkelhuis, en dat was weggelopen ťn spulletjes van een andere wees had gestolen. En:

Wijders wordt meergenoemde meisje beschuldigd en bekent zij schuldig te staan aan het halen van goederen zonder voorkennis van de Wed: Winkelhuis voor hare rekening bij den winkelier Montanus en wel
- op zondag ll;
ľ pond kaas, 1/16 pond klontjes,
- en op maandag:
1/8 pond suiker, Ĺ pond kaas, 2 koekjes chocolaas en voor 10 cents beschuit,
waarvan zij zegt de chocolaade aan Johannes Leffef te hebben gegeven, en het overige te hebben opgegeten onder weg naar Steenwijk, bij lieden die zij niet kent, maar die zij zegt te wonen aan het eind van Nijensleek of onder Eesveen.

Uitvliegende kinderen
Wanneer de twee oudste zoons van het gezin de kolonie verlaten, is nergens aangetekend. Van Johannes Jacobus Montanus en Evert Willem Montanus is alleen bekend dat ze zich later allebei in Oost-IndiŽ bevinden. Van de twee andere kinderen is het wel bekend:

● Op 12 mei 1837 trouwt Antoinetta Cornelia Montanus met de al eerder genoemde Matthijs Smit, 26 jaar oud, boekhouder. Zie ook invnr 191 scan 370, waar Antoinetta staat bij de in 1837 vertrokken jongeren. Matthijs Smit overlijdt echter te Weststellingwerf op 15 april 1838 en op 31 mei 1838 wordt Antoinetta Cornelia weer opgenomen als 'wed. M. Smit'. Later zal ze hertrouwen, maar dat komt straks.

● Op 31 maart 1838 deserteert van de kolonie Hendrik Montanus. Hij trouwt in 1839 te Den Haag met een dochter van het kolonistenechtpaar Martijn, dat niet zo ver van de winkel van Montanus afwoont. Dus hij zal zijn bruid op de kolonie hebben leren kennen.
Daarna keert het jonge echtpaar terug. Hun kinderen worden tot en met 1844 geboren te Weststellingwerf, dus hoogstwaarschijnlijk wonen ze bij Johannes Jacobus in huis. In 1841 doet Hendrik pogingen om een koloniale hoeve voor zijn gezin te krijgen.

Ontvreemding
Op 6 juli 1838 schrijft de adjunct-directeur voor de vrije koloniŽn een brief aan de directeur over iemand die bij de winkelier Montanus had gewerkt en onder beschuldiging stond daarbij goederen te hebben ontvreemd, maar die brief moet nog getranscribeerd.

Tekst volgt

Een hoeve voor Hendrik
In 1842 vraagt Hendrik Montanus of hij een hoeve op de kolonie kan krijgen. Bij de beantwoording lijkt de permanente commissie niet meer te weten of zijn vader Johannes Jacobus kolonist os of niet. De directeur schrijft 12 mei 1842, invnr 260 scan 528:  

Uit UwEdGeb brief van den 16 Augustus 1841 N1 opgemaakt hebbende, dat UwEdGeb het huisgezin van den winkelier Montanus in kol N2, voor oorspronkelijk en nog werkelijk kolonist beschouwen, heb ik het niet geheel overbodig geacht UwEdGeb mede te deelen eene correspondentie, volgens welke dit het geval niet zoude wezen en heb ik mitsdien de eer UwEdG die briefwisseling, welke Montanus ons heeft ter hand gesteld, om er dit copy van te nemen, bij dezen over te zenden; met verzoek om zoo noodig, mij daaromtrent te willen teregtwijzen.

Bijgevoegd heeft de directeur kopietjes van correspondentie tussen de burgemeester van Utrecht en de subcommissie aldaar:

Tekst volgt

De status
Daarop neemt de permanente commissie een besluit over de status van Johannes Jacobus Montanus. Dat heb ik nog niet gezien, maar moet in invnr 529 zitten bij 18 juni 1842 N7:

Tekst volgt

Het gevolg is dat hij daarna niet meer voorkomt in de stamboeken, maar wel staat ingeschreven in het personeelsregister met invnr 998 op folio 17 en het personeelsrehister met invnr 1005 op folio 17. Van die registers zijn (nog) geen scans.
De conclusie is wel dat er geen reden is Hendrik een koloniale hoeve te geven, en enkele jaren later zal hij met zijn gezin deze contreien verlaten.