Sophia Petronella Jacoba Walraven: als dat het hier tegenswoordig gaat als dat het schande is

Sophia Petronella Jacoba Walraven komt op 28 april 1823 in de vrije kolonie Willemsoord aan. Ze staat op de designatielijst 1923 bij nummer 21 en daaruit wordt duidelijk dat ze in de kolonie is geplaatst door het 'Algemeen Armbestuur te Rotterdam' op grond van het contract A8. Zie voor een uitleg over A-contracten en voor een lijst van afgesloten contracten.


Ze is dan dertien, bijna veertien jaar, want volgens de kolonieadministratie is ze geboren op 30 april 1809. Ze komt, in Willemsoord-Steggerda dat dan nog kolonie 6 heet, terecht bij de huisverzorger Teunis Berkenkamp en daarna bij de huisverzorger Anske Alle Dijkstra. We vinden haar bij hoeve 20 in het stamboek van Willemsoord met invnr 1358 (zie bovenaan de pagina hoe de scans van dit en andere invnrs te bereiken).


Gezangboek

En dan begint het gedonder al. Op de zitting van de tuchtraad van 26 september 1826 staat zij terecht 'uit hoofde zij hare gezangboek voor 25 centen verkocht en het voornemen gehad had, ook nog haar bijbel en boezelaar te verkoopen, ten einde zoodoende reisgeld te krijgen, om eens hare eigene moeder, in Dordrecht wonende, en welke zij in 3 1/2 jaar niet gezien had, te bezoeken'.

Deze overtreding wordt genoemd op pagina 33 van De strafkolonie. De kolonisten die deel uitmaken van de tuchtraad hebben er wel enig begrip voor, maar de directeur en de permanente commissie niet. Ze wordt voor onbepaalde tijd verbannen naar de strafkolonie op de Ommerschans en op dit overzicht is te zien dat ze daar op 8 oktober 1826 aankomt.

Strafkolonie

Ze wordt twee jaar vastgehouden en op 12 oktober 1828 mag ze terug naar de vrije koloniŽn. Ze komt terecht bij Sitske Nauta weduwe Simons (en voorheen weduwe Veenstra) in kolonie Willemsoord, maar het hoevenummer kan ik niet vinden.

Sophia loopt weg op 1 april 1829. Ze slaagt erin bijna een jaar weg te blijven. Maar ze wordt op 21 maart 1830 te Rotterdam 'geapprehendeerd' en dan als bedelares naar de Ommerschans gebracht. Zie de brief uit Rotterdam invnr 105 scan 77.

Bedelares

Hoewel onderaan in dit overzicht staat dat ze op 28 maart 1830 weer in de strafkolonie aankomt, vindt iedereen dat ze dan maar bedelares moet blijven en dus een deur verderop, in het bedelaarsgesticht, moet worden ondergebracht.

Op 8 juni 1830 bij agendapunt N23 (dat heb ik niet bekeken, maar is voor liefhebbers die op het archief gaan kijken te vinden in invnr 377) wordt daartoe besloten. Ze wordt per 30 juni 1830, ze is nu 21 jaar, als bedelaarskoloniste met bedelaarsnummer 211 ingeschreven in het register toegang 0137.01 invnr 425.

Signalement

Daar is een signalement opgemaakt. Sophia Petronella Jacoba Walraven is 5 voet zes duim lang, ze heeft een lang aangezigt, blozende kleur, donkerbruin haar, 'blaauwe oogen', kleine neus, ronde kin,

Ook hier loopt ze weg. Het bedelaarsregister meldt: '11 oktober 1830 gedeserteerd, 18 december 1830 terug van desertie'. Volgens de zitting van de raad van tucht voor bedelaarskolonisten op de Ommerschans van 18 februari 1831 was het de 10de oktober dat ze wegliep, maar dat maakt niet veel uit. Van die zitting heb ik geen transcriptie en er is ook geen plaatje van.

Haar inschrijving loopt door in het bedelaarsregister toegang 0137.01 invnr 426 en daar blijkt dat ze iets moet hebben uitgehaald wat er toe leidt dat ze op 4 september 1835 wordt 'overgegevan aan de politieke regter'. Na vermoedelijk een gevangenisstraf keert ze op '8 december 1835 van de politieke regter terug'.

Tweede en derde opname

Ze wordt op 24 juli 1837 als bedelares ontslagen. Maar op 2 januari 1838 vanuit Rotterdam opnieuw binnengebracht. Ze staat nu in het register 0137.01 invnr 427 met bedelaarsnummer 1949.

Ze komt weer vrij op 21 maart 1842 en wordt opnieuw binnengebracht vanuit Rotterdam op 20 april 1842, dus een maand later. Ze staat in het bedelaarsregister toegang 0137.01 invnr 430 met bedelaarsnummer 2381.

Tijdens deze opname speelt ze een rolletje in het oproer van mei 1843, welk oproer wordt beschreven in De strafkolonie pagina's 252-254 en waarover meer te vinden is via dit overzicht, bij de stukken die beginnen met de woorden 'De opstand van mei 1843'.

Protestbrief

Na afloop daarvan schrijft Sophia Petronella Jacoba Walraven een protestbrief aan de permanente commissie in Den Haag. Uit de brief wordt geciteerd op pagina 256 van De strafkolonie. De brief is gedateerd 17 mei 1843, invnr 277 de scans 193-194:


Veenhuizen, den 17 Mei 1843

Aan den Weledele Heere van Weldadigheid.

Geliefde Heere

ik meld uw dezen brief die ik uw zelfs toemeld weegens als dat ik schuld op mijn kameraaden wil hebben en weegens als dat het hier tegenswoordig gaat als dat het schande is

en voor eerst is daar een minjoor welke ik ook al onder ben maar dat ik ook al niet langer kan aanzien het welk ook al schande is zoo hij de menschen behandeld

vooreerst durft een mensch zijn oogen niet op te slaan tegen hem of hij brengt een mensch al dadelijk naar de kast

vooreerst heeren schrijf en meld ik uw zoo dat doe die oproer van die mannen hier is geweest als dat er niets was geweest al had hij op het oogenblik ook noch wat gehad wand hij verdient het dubbelt aan die menschen die hij zoo uitschelt en mishandelt

en is het als dat hij niet durft te slaan dan haalt hij die zoo schierlelijk als lijnstar kan dat is genaamt de briggedier die zou de menschen al half dood slaan dat zijn schuld ook al is

dus ik reeken niet beter als die mannen die daar over zitte als dat zij volkoomen gelijk hebben want als ik kan en de minjoor onder mijn hande vervalt komt hij er niet goed af zoo klein en oud als ik ben wand ik ben tot noch toe voor hem wel bereekent en ben nu drie en dertig jaar dus dat ik nergens meer om geef want dat moesten wij maar beeter behandelt worden zoo als een mensch toekomt

maar daar word zeeker over gedagt dat wij beesten zijn dus ik zal hem niet beeter achten alle die er zijn zoo wel de eene als de andere als dieven en schelmen die over ons gesteld zijn en ik zal de minjoor wel zoeken is het eene niet is het aan anderen dingen en verders kunnen de heeren mijn vinden in zaal zeven.

Sofia Petronella Jacoba Walraven
.

Reactie adjunct-directeur

Zoals gebruikelijk stuurt de permanente commissie de brief voor commentaar naar de directeur der koloniŽn en die op zijn beurt laat het over aan de adjunct-directeur van het tweede gesticht, Cornelis Wilhelmus Rensing. Die schrijft, invnr 277 scans 191-192:


Beantwoording van de Marginale van de Permanente Commissie dd. 24 July 1843 N10 betreffende eene klagte van den Bedelaarskoloniste S.P.J. Walraven, N2381.

Berigtende op de hiernevens gaande klagte van de Bedelaarskoloniste S.P.J. Walraven, N2381, dient:
  
Dat zekere Maria Klaassen mede Bedelaarskoloniste, thans zogenaamde zieken-moeder op het vrouwenhospitaal alhier mij aangaande Walraven te kennen heeft gegeven, dat zij haar van kindsaf aan gekend heeft als een meisje in wien zich veele slegte hoedanigheden kenmerkten, en dat zij eenige jaren reeds geleden brieven van gelijken inhoud als de onderhavige aan de Permanente Commissie heeft doen toekomen;

oorspronkelijk is zij van Willemsoord, alwaar zij voor tien jaren als wees ingedeeld was bij zekeren Kolonist Bergman, als toen iets bedreven hebbende is zij voor straf naar de Ommerschans is overgeplaatst geworden;

zij is thans voor de derde maal in de Kolonie, vroeger is zij uit dit Gesticht gedeserteerd geweest, heeft zich toen te Groningen in een ligthuis begeven, uit hetwelk zij door een politiebediende is teruggebragt;

dat zij zo zeer op haren zaalopziener vertoornd is, moet gedeeltelijk worden toegeschreven aan de goede surveillance die deze over de kleeding zijner Kolonisten houd en in welk opzigt zij meermalen een correctie van hem heeft moeten ondervinden;

ook tijdens de hier plaatsgehad hebbende ongeregeldheden op den 7e Mey jl stond Walraven op een ton aan het hek aan de vrouwenkant met haar hand de mannen roepende om over te loopen waarop de vrouw van haren zaalopziener, dit ziende, haar toevoegde: ďindien gij U niet vanaf die ton begeeft, zal ik U er doen afgaanĒ.

Dit voorgevallene is mij echter eerst heden bij dit onderzoek kenbaar geworden; zij is een allerslegts sujet, daar zij ondervraagd zijnde niets kan inbrengen wat eenige aanleiding tot klagen kan geven, en niettegenstaande moet zij zich na haar verhoor opnieuw onbehoorlijk hebben uitgelaten.

Haren zaalopziener, de Veteraan Lammerink, voldoet in alle opzigten zeer goed en heeft over de netheid zijner zalen dezer dagen de tevredenheid van Zijne Excellentie de Graaf Van den Bosch, en van den Heere Inspecteur der Kolonien mogen verwerven en wat nu de uitdrukking betreft dat de brigadier-veldwagter half dood zoude slaan,
ik begrijp niet hoe deze onverlaat zulke gezegdens durft te uiten daar ik noch nimmer klagten over mishandelingen, door den brigadier-veldwagter begaan, ontvangen heb en ik ook wel zeer zeker weet dat die geen plaatsvinden.
De Adjunct-Directeur,
Rensing.

Curieus

Curieus is het argument dat hij geeft waarom er geen kritiek kan zijn op zaalopziener Lammerink. De door Rensing geschetste rol van Sophia Walraven bij het oproer wordt vermeld op pagina's 252-253 van De strafkolonie. De directeur der koloniŽn stuurt het geheel door naar de permanente commissie op 4 augustus 1843 met een brief met nummer N2199, invnr 277 scan 189:


Frederiksoord, 4 Augustus 1843

Ter voldoening aan de Marginale van den 24 July jl N10 heb ik de eer U Hoog Edelgestrenge hiernevens te doen toekomen een zeer voldoend rapport van den Adjunct-Directeur bij het 2e gesticht te Veenhuizen op het hierbijgaande klaagschrift van de Bedelaarskoloniste S.P.J. Walraven N2381 over mishandeling door haren zaalopziener en den brigadier-veldwagter.
De Directeur der Kolonien,
J. van Konijnenburg.

Tot slot

De permanente commissie heeft op de brief geschreven dat ze hem behandelt op 24 augustus 1843 bij agendapunt N22. Dat moet in invnr 543 zitten, maar dat heb ik niet bekeken, want er staat ongetwijfeld dat ze het geheel voor 'notificatie', kennisgeving aannemen.

Sophia Petronella Jacoba Walraven overlijdt in het bedelaarsgesticht op 20 februari 1846 op 36-jarige leeftijd, na bijna 23 jaar in de koloniŽn van weldadigheid.