Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Jacob Baade en familie in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid in de beginperiode, voor zover ik er weet van heb


Jacob Baade wordt voorgedragen door de Amsterdamse arts C. J. Nieuwenhuis die ook in de Commissie van Weldadigheid zit, 17 oktober 1818, invnr 49 scans 283-284:

Zoude er nog een plaats overige zijn, dan geloof ik op recommedatie van eenige Heeren alhier nog de persoon van Jacob Baade met zijne vrouw aan uwe protectie te kunnen aanbevelen. Deze man was schoenmaker en schijnt een goede aanleg te hebben, zoo als zijn inliggend verzoek schijnt te blijken. Het zal mij aangenaam zijn spoedig te vernemen dat zijne K.H. onzen President Zijnen naam aan onze eerste moeder colonie gelieve te verlenen, en gevolglijk peter over dezelven zijn wil.

Bijgevoegd bij de brief van Nieuwenhuis is een brief van Baade, invnr 49 scan 286:
WelEdele Heer!
Geinformeerd zijnde dat UWEd als medelid in de Hoofd Commissie van Weldadigheid geplaatst is, nemen door dit de vrijheid mij tot UWEd te wenden met instantelijk verzoek door UWEd invloed te willen bewerken, dat een huisgezin, door tegenheden en rampen gedrukt voor verderen onspoeden moge bewaard blijven, met het zelve te doen plaatsen, t zij als colonist of in eenige andere betrekking welk UWEd in uwe wijsheid zoude oordelen ten meeste nutte te zijn.
De Heeren Benneholz en Bonebakker, bij wien de eer heb bekend te zijn zullen wel de goedheid hebbe, wanneer eenige aanmerkingen op deze letteren mogt vallen, behoorlijk getuigenis van mijne toestand en persoon mede te delen.
Na mij in UWEd gunstige bescherming aanbevolen te hebben, heb ik de eer mij met hoog achting te noemen,
Wel Edele Heer Uw Nederig Dienaar,
Jacob Baade

In de Amsterdamsche Courant van 2 november 1818, overgenomen in de Staatscourant van 4 november 1818, meldt de subcommissie Amsterdam wie er naar de proefkolonie gegaan zijn:
Op voordragt van de sub-commissie der Maatschappij van Weldadigheid alhier, zij, door de permanente commissie, om reeds dit jaar den aanleg eener volksplanting te Westerbeeksloot (Frederiks-oord), nabij Steenwijk, te beproeven, voor deze stad aangenomen de huisgezinnen van Johannes Bos, sterk zes hoofden, en van Jacob Baade, sterk drie hoofden; welke huisgezinnen, op den 31sten october, van hier naar hunne bestemming vertrokken zijn.


De familie Baade komt op zondag 1 november 1818 in de proefkolonie aan, zie hier.


Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 23 november 1818, invnr 49 (de 2e assessor = Johannes van den Bosch):

In het huisgezin van Brade is meede op last van den 2 assessor een jongen van 20 jaar ingedeelt, die eene volle mans kleeding heeft ontvangen en als zodanig is bereekend. De man zou zonder deeze voorzorg buiten staat zijn geweest zijnen akker te bebouwen.

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 2 december 1818, invnr 49:
Het huisgezin van Bade (… en anderen …) zijn elk met een persoon vermeerdert, waaromtrent de Permanente Kommissie nader berigt verlangd. De bij Bade (en de weduwe Vergeer) ingedeelde personen zijn beiden gepasporteerde soldaten, die van een goed gedrag en steeds in de kolonie werkzaam geweest zijn. Beide deeze huisgezinnen, niet zeer voor den veldarbeid geschikt, hebben tot deeze indeeling bij herhaling aanzoek gedaan, en naar het mij toeschijnt schijnt deeze mesine(?) zeer goed aan het oogmerk te zullen beantwoorden.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 20 januari 1819, invnr 50, nadat hij de administratieve kracht sergeant Schweitzer naar huis heeft gestuurd:
Bade, die de menage lijst houd, heeft zich met de geringe bezigheden, die ik Sweitzer kon toevertrouwen, gechargeerd; deeze man die eene goede hand schrijft, en niet van oordeel ontbloot is, zou waarschijnlijk wel voor de administratie zijn opteleiden; waar daar hij in t vervolg voor de Kommissie zeer bruikbaar worden kan – voor den landbouw heeft hij geene disposities.

In de notulen van de permanente commissie dd 25 januari 1819, invnr 38, bericht men de ontvangst van een:
Brief van den Direkteur, 20 januari, (…) voorts rapport doende van de goede conduites der overige onderofficieren, vooral van Bade, die de menage lijst houdt.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 12 februari 1819, invnr 50:
Ook ten aanzien van Bosch, Bade, Metz, Weender en van der Heijde, die voor de veldarbeid zeer weinig dispositie hebben zijn door mij eenige provisioneele schikkingen gemaakt di ik bij mijne volgende aan de goedkeuring der Kommissie zal onderwerpen.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch aan zijn broer Johannes dd 15 februari 1819, invnr 50:
Bosch, Bade, Metz, Van der Heijden en Weender, ook de weduwe Vergeer zijn niet voor den veldarbeid geschikt. Ik heb dus begonnen, hun de geheele week in den fabrijk t laten, waar zij alle, met uitzondering van Bade, die in de keuken is, geemployeerd zijn, en zal hun ƒ 1=.= op het verdiende loon korten, en daarvoor een bekwaam arbeider 2 dagen op hunne grond doen werken. Ik heb mij door herhaalde proefnemingen van de noodzakelijkheid van deze maatregel, die ik U verzoeke aan het oordeel der Kommissie te willen onderwerpen, overtuigd.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 19 februari 1819, invnr 50:
Deze stukken, bijna de eenige werkzaamheden door Bade verricht wordende, zijn niet met die attitude en proprieteit gehouden als de Kommissie met regt zoude kunnen verwagten. Ik heb in mijn oordeel ten aanzien van Bade te voorbarig geweest, terwijl het mij leed doet te ontdekken, dat hij voor de administratieve werkzaamheden bijna even weinig als voor den veldarbeid geschikt is.


Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 11 maart 1819, invnr 50:
Aan Baade is tot aankoop van eenige kleeding stukken ƒ 3=.=. en aan Visser uit gebrek aan verdienste - door ziekte veroor­zaakt - ƒ2=.=. van hun te goed, zo als op genoemde staat voorkomt, uitbetaald geworden. Dat ik hoop door de Kommissie zal goedgekeurd worden.

Bij de beloningen voor kolonisten op 23 augustus 1819 krijgt het gezin een extraatje van drie gulden voor de door hen verrichte spinarbeid.

In de notulen van de vergadering van de Perma­nente Commissie dd 28 augustus 1819, invnr 38, wordt besloten::
het huwelijk met den aangenomen zoon van Bade toetestaan, mits voldoende aan al wat de wet desaangaande gebiedt, en onder speciale voorwaarde dat Bade consenteert de jonggehuwden in huis te nemen.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 15 december 1819 over het in huis opnemen van zoon Christiaan Baade, invnr 53 (tot de kruiwagen veroordeeld zijn is een militaire straf: dwangarbeid met de kruiwagen):
Bade heeft het zelfde verzoek gedaan, dan daar zijn zoon uit s’lands dienst gedemiteerd is, en zelfs tot de kruiwagen was gecondemneerd, komt het mij voor, dat zijn verzoek niet in aanmerking komen zal. De vergunning van des winter in het huis zijnes vader door te brengen, wenschte ik uit hoofde de vader braaf oppast, en de jongen, waarvan het laatste vonnis dadelijk vernietigd is, zich schijnt gebeterd te hebben, bij de Kommissie te ondersteunen.

In de notulen van de permanente commissie dd 30 december 1819, invnr 38, wordt besloten:
den Direkteur aanteschrijven dat de zoons van Bade en Vos, gedurende een winter, bij hunne ouders kunnen blijven inwonen, en dat de voortduring dier inwoning zal afhangen van hun ieder goed gedrag;


Bij de ‘liefde giften‘ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat Baade ook vermeld als donateur.


Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 12 mei 1820, invnr 55:
Dirk Wiemes, ingedeelde bij Bade zal binnen weinig dagen trouwen met een dochter van de kolonist de Ruiter. Beide zijn oppassende jonge lieden. Den 2 assessor, die tot huwelijk zijne toestemming gaf, zou tevens aan de Kommissie voorstellen, hem als huisverzorger over de kinderen uit Zaandam komende te plaatzen.

Dit betekent dat Dirk Wiemes, die volgens de huwelijksakte dan al enkele dagen getrouwd is, een eigen hoeve krijgt. Zijn verdere geschiedenis staat op zijn eigen pagina.


Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin Baade gezegd: 'Van een goed oppassend gedrag, werkzaam, maar geen overleg' en worden ze voorgedragen voor een koperen medaille.

Uit het maandblad de Star augustus 1820 over het bezoek van de prins van Oranje, zie hier:
Z.K.H. gewaardigde zich, in enkele huizen der kolonisten binnen te treden. Met de vrouw van BAADE trad hoogstdezelve in een gesprek, hoorde met genoegen haar vol geestdrift spreken over haren gelukkigen toestand, bezag de pas gerooide aardappelen, de mistvalt, en vraagde naar hare koeijen.

NB: in de navolgende stukken wordt steeds Chrisriaan Baade, de zoon van Jacob Baade bedoeld.

Notulen permanente commissie dd 4 november 1820, invnr 38 (de generaal = Johannes van den Bosch):
De Generaal produceert een missive van Frederiksoord, 8 october, door den gewezen huisverzorger Fanner ingezonden, behelzende verscheiden aanklagten tegen den onderdirekteur Everts en den boekhouder Bade: welke worden opgegeven dat door het getuigenis van den kolonist Heskom, Willem Vroeg, den onderopzigter Koppens, den sergeant Reichard, de kolonist Emilia Blondin, zouden kunnen worden bevestigd:
(…)
Besloten den Direkteur te schrijven, dat de P.K. wenscht gezegde aanklagten door den raad van toezigt in de kol. no.2 te benoemen, ernstig te doen onderzoeken, dat de opgegevene getuigen, door dien raad gehoord moeten worden en aan de P.Kommissie omstandig verslag van de toedragt der zaken worde ingezonden.

Notulen permanente commissie dd 1 december 1820, invnr 38:
Op den brief van den Direkteur 62/11 dat denzelven moet worden aangeschreven, dat de P.K. gezien hebbende uit de verklaring van den raad van toezigt, dat het gezin van Fanner zich zoo zeer misdragen hebbende, uit dien hoofde de inwoning der kol. aan hetzelve is ontzegt, maar tevens met geen minder misgenoegen het ongepaste gedrag zoo van den gewezen onderdirekteur Evers, als van den boekhouder Bade heeft ontwaard, en verlangt de opzigters in de kol. no.2 ten ernstigste te waarschuwen van zich in het vervolg geheel van vloeken en slaan te onthouden, onder aanzegging dat de eerste inkomende klagten dadelijk de verwijdering der schuldigen ten gevolge zal hebben.

Notulen permanente commissie dd 4 december 1820, invnr 38:
Besloten den Heer Direkteur aanteschrijven dat de P.K. bij haar besluit ter inrigting van den onderdirekteursboeken, op den 27 oktober 1820 genomen, uitdrukkelijk bepaald heeft, dat door de boekhouders in iedere kolonie wekelijks zou worden ingezonden eene opgave, met hoeveel ieder respekt der rekening is bezwaard of gekrediteerd;
dat hieraan door den boekhouder der kol. no.3 slechts tot 14 november is voldaan, door dien van de kol. 1 en 2 slechts eenen gebrekkigen opgave is ingezonden, terwijl van de kol. no.4 en van de Ommerschans nog geene opgave hoegenaamd is ingekomen:
dat de P.K. het van het meeste belang rekent, dat aan hare instruktien stiptelijk voldaan worde en dus met dezer den Direkteur verzoeken de boekhouders der onderscheidene kolonien het verlangen der P.K. andermaal te beteekenen, met bijvoeging dat wie in gebreke zal blijven om aan deze bepaling te voldoen, staat te worden bedankt en weggezonden.

Uit een brief van de permanente commissie aan directeur Benjamin van den Bosch dd 16 december 1820, invnr 352:
De Kommissie wenscht dat de boekhouder Bade ten dezen aanzien met de boekhouder in Willemsoord raadpleegd waar de lijsten behoorlijk worden opgemaakt.

Uit een brief van Johannes van den Bosch dd 1 augustus 1821, invnr 58:
In weerwil van alle aangewende pogingen is het niet mogelijk de lopende administratie bij te houden, veel meer het achterstallige bij te werken.
(…)
Bade, de jongen, fungeerd thans als boekhouder van N1 en 2, en kan dit niet.
( ..)
Nergens is order. De onderdirecteursboeken in N1 en 2 zijn mede zeer te achter. Dit kan dus zo niet.
(…)
De oude Bade kan niet meer zien. Hij maakt thans schoenen.


Bij de medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, krijgt het gezin een koperen medaille.

In het volgende gaat weer over de zoon. Uit een brief van Johannes van den Bosch dd 12 december 1821, invnr 59:
Bade (de boekhouder) wiens liederlijk gedrag meermalen de berisping der Kommissie verdiende, heeft het eindelijk zo slecht gemaakt dat wij verplicht gevonden zijn hem weg te jagen.


Het gezin staat in een stamboek van ± 1823 tot juni 1825 dat in te slechte conditie verkeert om in de studiezaal te raadplegen, maar dat ik wel een keer op foto heb gezet:


Dat is hoeve 8 en dat is de enige plek in de kolonie waar ze zullen wonen, zie de locatie van de hoeve op dit kaartje.


Twee van de op dit plaatje genoemde ingedeelden zijn:

Anthony Jan Vorstman, die door zijn vader naar de kolonie is gestuurd, zie over hem deze pagina.

Johannes Hofman van het weeshuis in Tholen die half juni overgaat naar het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren en vandaar een brief schrijft aan zijn thuisfront.


De in december 1821 van de kolonie weggejaagde zoon Christiaan Baade komt op 21 augustus 1824 in de Ommerschans als bedelaar.
Hij meldt zich aan om naar de Oost te gaan, zie invnr 80 scan 294, en vertrekt naar het depot der koloniale troepen te Harderwijk, maar zal nooit in Indië aankomen, want hij overlijdt 24 september 1826 in Harderwijk. Zijn inschrijving in het bedelaarsregister is te vinden via deze pagina.


Bij de medaille-uitreiking op 31 augustus 1824 krijgt het gezin een zilveren medaille.

Zie ook de vermeldingen van Baade in de periode na 1825 of de verdere koloniale geschiedenis van ex-ingedeelde Dirk Wiemes of ga terug naar de overzichtspagina Baade.