Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





De subcommissie van weldadigheid te Steenwijk selecteert met veel hindernissen het gezin van Dirk Dikkeboom voor de proefkolonie, het lijkt wel soap


De subcommissie Steenwijk heeft eerst een weduwe met kinderen voorgedragen voor de proefkolonie
, zie daarvoor de pagina van de subcommissie. Op haar vergadering van vrijdag 23 oktober 1818 constateert zij echter dat dit gezin niet geschikt is, invnr 3450. Daarop wordt de secretaris van de commissie Wilbrink verzocht:
te willen suppedite­ren eene lijst van geali­men­teerden, van uit dezelve zoo moge­lijk eene nieuwe benaming te maken tot welk einde de vergade­ring wordt gescheiden tot 's avonds 7 uren.

's Avonds om zeven uur gaat de vergadering verder, invnr 3450:
Spoedig evenwel blijkt het dat deze lijst, naar oordeel der vergadering, geene geschik­te voorwerpen, zoo als thans het ensemble verlangd wordt, zal kunnen opleveren en de vergade­ring ziet zich dus genood­zaakt hare gedachte te vestigen op zoodanige perso­nen, welke, schoon nog niet regelregt be­deeld, zich echter bevinden in zulken staat, dat zij of reeds dadelijk onderstand behoe­ven of aan de armen­staat staan te verval­len.
De aandacht der vergadering wordt ver­volgens bepaald bij het huisgezin van onzen stadgenoot Dirk Dikkeboom, en na enige delibera­tie geconcludeerd het medelid Wil­brink te kommiteren tot sondering van gemel­den Dikkeboom, wegens deszelfs geneigd­heid om zich met de zijnen als leden der kolonie te doen aannemen: welke kom­missie door den Heer Wilbrink gewillig opge­nomen zijnde, werd hij verzocht daarop ten spoedig­ste te rapporteren.

Op zondag 25 oktober 1818 komt de subcommissie weer bijeen, invnr 3450, en dan rapporteert Wilbrink:
Deze (...) verwittigde de vergadering van eene aanvankelijk goe­den uitslag; door haar te verzekeren dat de per­soon van Dirk Dikkeboom, zich gansche­lijk niet ongenegen had betoond om met de zij­nen als leden der kolonie te worden aan­ge­nomen, doch dat hij, behalve de medetoe­stemming zijner vrouw, eenig meerder licht vooraf in een ander opzicht wensch­te.
Te dien einde had de gekommit­teerde met ge­melden Dikkeboom bepaaldelijk afgespro­ken, hem bij de eerste vergadering onzer Kom­missie te zullen doen roepen, om bij dezelve die inlichting te bekomen welke hij, verlan­gen mogt de deze hem zoude kunnen geven: hem inmiddels verzoekende de zaak met zijne huisvrouw in overweging te ne­men.
Na het inwinnen van bovengemeld rap­port wordt algemeen noodig geacht we­gens de kortheid des tijds bepaald tot het ontvan­gen der kolonisten in de kolonie op den 1 nov. aanstaan­de, niet te dralen, maar dade­lijk den persoon van Dirk Dikke­boom in ons midden te verzoeken; aan welk verzoek de zelve onverwijld voldoet.
Door het medelid Wilbrink gepast aan­gesproken en herin­nerd aan het tusschen hen verhandelde met opzigt tot de kolo­nie, gelijk nu bijzonderlijke aan het oogmerk zijner opkomst in ons midden, beantwoordt hij deze toespraak met de betuiging van niet ongene­gen te zijn tot het lidmaatschap der kolonie, maar tevens met de herhaling zijner begeer­te, om vooraf meer met dezelver doel en inrigting bekend te worden gemaakt:
waarop de sekretaris wordt verzocht tot voorlezing der regel­mentaire schikkingen en bepalingen voor den kolonist, na voorlezing van welken, met van tijd tot tijd tusschenge­voegde gepas­te herinneringen en aanmoedi­gende redenen der leden, genoemde Dirk Dikkeboom ver­klaart voor zoo veel hem betreft, zich aan zijne meerge­melde betui­ging te houden, in­dien slechts ééne zwarig­heid voor hem werd uit den weg geruimd en zijne huisvrouw met hem, na bekendma­king van het hem thans medege­deelde niet in gevoelen mogt ver­schillen.
Zijne vermeende zwarigheid hem afge­vraagd zijnde, bestond hierin dat hij wen­schte verzekerd te worden van ten allen tijde de kolonie weder te kunnen verlaten, indien onverhoopt dezelve inwooning hem mogt tegenstaan.
Het medelid Schuurman verwittigd daar­op de vergadering welke moeijelijkheid rond deze zwarigheid volledig op te lossen, dat zij, op de mondelijke verzekering van de Heer Generaal van den Bosch, aan hem gedaan, den kolonist, dit begerende, den tijd van 3 of 6 maanden; ja van een geheel jaar kon toestaan tot proefneming; na welken tijd den kolonist, met afbetaling van de voor hem uitgeschotene gelden van alle verplig­ting aan de Maatschappij van Weldadigheid zoude ontsla­gen kunnen worden.
De comparant wordt daarop ver­zocht, ter bespoediging van de uitlag der zaak, zijne huisvrouw in ons midden te roe­pen, ten weil­ken einde hij zich gedurende eenige oogen­blikken absenteert.
(...)
De comparant Dikkeboom met des­zelfs huisvrouw vervolgens in ons midden, gere­tourneerd en aan deze nevens hem de nood­ige inlichtingen gegeven zijnde, worden beide aangemoedigend verzocht tot stellige verkla­ring van hun besluit, terwijl op boven­gemelde informa­tie van den Heer Schuur­man, de ver­gadering aan hun de verzekering geeft dat zij, dit begerende op straks gemel­de voor­waarden zich een jaar ter proefne­ming zullen mogen voorstellen.
De comparant zich het stellig ant­woord hier op wenschende voor te behou­den tot den volgenden dag en tot na de herlezing van het koloniaal reglement, welk zij verzoe­ken tot dien tijd in handen te hebben, wordt hun dit verzoek toegestaan, met bepaling van teruggave en antwoord tegen den volgenden dag aan den Heer President onzer vergade­ring.

De volgende notulen van de subcommissie zijn van dinsdag 27 oktober 1818 als zij vol spanning wachten op de uitslag, invnr 3450:
Rapport uitgebracht door den President der vergadering wegens het antwoord van Dirk Dikkeboom, betreffende het hem gedane voorstel ... kortelijk hierop neerkomende: dat gemelde D. Dikkeboom met de zijnen den hem gedane voorslag tot het lid­maatschap der kolonie aanneemt op voorwaarde van proefneming tot 1 mei 1819, na welken tijd hij, dit verkiezende zal ont­slagen zijn, na afbetaling der voor hem door de Maatschap­pij uitgeschoten gelden.
Waarop gemelde D. Dikkeboom, met zijn gezin, door onze vergadering wordt gedésig­neerd voor de kolonie Frederiks­oord.

Aldus geschiedt en op donderdag 19 november 1818 schrijft de directeur der koloniën Benjamin van den Bosch, invnr 49:
Het aan den voet dezes vermelde huisgezin is heden uit Steenwijk hier aangekomen.
(...)
Uit Steenwijk.
Dirk Dikkeboom en huisvrouw
een meisje van 13 jaar
een jonge van 11 jaar
een meisje van 6 jaar
bijgevoegd
een kind van 16
een kind van 14
totaal 7 hoofden

Zie de stukken over het wegsturen van de kolonie of de notities over het gezin of ga terug naar de overzichtpagina Dikkeboom.