Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Johannes Molewijk en familie in de archiefstukken uit de beginperiode van de Maatschappij van Weldadigheid, voor zover ik er weet van heb



Volgens het brievenboek van de ingekomen post dd 22 juli 1818, invnr 18, komt er die dag de melding dat Arnhem overeenkomstig de oproep van de pc een subcommissie van weldadigheid heeft opgericht. Meer over de subcommissie Arnhem komt nog op deze pagina.


De subcommissie Arnhem schrijft op 1 september 1818, invnr 48:
(...) Eindelijk dat door de subkommissie, door haar voor de kolonie gedesigneerd wordt voorgedragen, het huisgezin van Johannes Molewijk, oud 46 jaren, bekwaam arbeider, van goed gedrag en naar het eenparig oordeel der subkommissie bijzonder geschikt tot het oogmerk der Maatschappij.
Dit huisgezin bestaat behalve uit den vader en de moeder (welke het naaijen en mutsen maken zeer goed verstaat) uit 7 kinderen; een getal het welk het maximum door de Maatschappij opgegeven met 2 te boven gaat, doch welke zwarigheid naar het ons voorkomt weder wordt opgewogen, wanneer men in aanmerking neemt, dat daar onder, behalve den oudsten zoon, die zijn 17. jaar bereikt heeft, en mede de spade hanteert, noch gevonden wordt een zoon van 14 en 2 dochters van 16 en 12 en eene van 10 jaren.


Op 31 oktober 1818 komen Johannes Molewijk en zijn gezin aan in Frederiksoord, zie de lijst van arriverende proefkolonisten. Volgens de aankomststaat bestaat het gezin uit de ouders, 3 kinderen boven 12 en 4 kinderen onder de 12.


Ze worden gehuisvest in hoeve 5 van Frederiksoord, zie de locatie op dit kaartje. Het is een van de weinige (misschien wel de enige) hoeves die nooit van nummer zal veranderen.

Het gezin staat in een stamboek van Frederiksoord van Ī 1823 tot juni 1825 dat in te slechte conditie verkeert om in de studiezaal te raadplegen, maar dat ik wel een keer op foto heb gezet:


In een brief van Benjamin van den Bosch dd 28 december 1818 wordt Arnhem genoemd als een van de steden die ons Ďzodanige gezinnen (zonden) die de Maatschappij ter bereiking van haar groot doel zou kunnen verlangení.


Uit een brief van de directeur der koloniŽn Benjamin van den Bosch dd 12 juni 1819:

Voor het overige gedragen de kolonisten zich zeer wel. De zoon van Molenwijk, Lucassen en de weduwe Vergeer maken hierop eene uitzondering. Voor zo verre namentlijk dat zij de jonge dennen bomen te getallen van 20, langs de weg in de kolonie, niet tegenstaande het strengste verbod, moedwillig hebben vernield. Ik heb ieder met 8 dagen provoost gestraft en wanneer de Kommissie het approbeert zullen zij om de anderen dag water en brood hebben.


Bij de Ďliefde giftenĎ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat Molewijk ook vermeld als donateur.


Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin gezegd: 'De man voor brutaliteit in de provoost geweest, de vrouw geen overleg.'


Uit een brief van Johannes van den Bosch dd 26 maart 1820:
Van Rhee is een luijaard die reeds zedert verscheiden weken te bed legt en verklaard liever te willen sterven als werken. Dit ook is het geval met Molewijk. De dwangkolonie is derhalve volstrekt noodzakelijk.


Uit een brief van Johannes van den Bosch rond 12 april 1820 over de opstand:
Rausch word zeer gesuspecteerd en reeds lang is Molewijk van slechte oogmerken verdacht. In de voormalige plaats zijner inwoning was hij als een slecht subject bekend. Vos, Bosch, Rausch en Molewijk zijn alle vier oud-gediende soldaten en schijnen uit dien hoofde wat meer moed tot een schelmenstuk te bezitten dan de anderen.


Bij de jaarinkomens 1820 die zijn afgedrukt in de Star 1821 zit Molewijk boven het gemiddelde met 483 gulden.

Bij de medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, krijgt het gezin een koperen medaille.


Uit het maandblad de Star van september 1822:
De kolonist DE RUITER en twee zijner kinderen, een zoon en dochter van den kolonist MOLEWIJK, in no.1, de vrouw en dochter van den kolonist DYKSTRA, in no. 3, en de vrouw van den kolonist THESINK, in no. 4, welke in het begin dezer maand min of meer gevaarlijk ziek waren, zijn, benevens eenige andere zieken van minder belang, alle herstellende.


Uit het maandblad de Star van oktober 1822:
Er zijn thans geene zieken van eenig belang. In kolonie no. 1 souffreert nog het gezin van MOLEWYK.


In het op 19 februari 1823 gedateerde schoolrapport over 1822 worden genoemd als hebbende uitgemunt in gedrag en vorderingen: Dientje, Jan en Maria Molewijk.


Uit een brief van de directeur der koloniŽn Wouter Visser dd 23 maart 1823:
Eindelijk heb ik de eer de P.K. te berigten, dat op gisteren door de Raad van Policie te Steenwijk zijn verwezen, en heden vertrokken naar de Ommerschans (Ö) Antje Molewijk, dogter van den kolonist Molewijk uit no.1 uithoofde van haar onzedelijk gedrag waarvan de gevolgen reeds zigtbaar zijn.
Het verdere verhaal over Antje Molewijk staat op een aparte pagina.


Bijgevoegd bij een brief van de directeur der koloniŽn Wouter Visser dd 21 juni 1824 is een brief van dominee Heerspink die binnenkort naar Veenhuizen vertrekt. Hij schrijft getroffen te zijn door de vele dankbetuigingen van de kolonisten, waarvan hij onder andere deze meestuurt, invnr 69:
Frederiksoord den 28 april 1824
WelEerwaarde Heer
Er was voor ons geen gewigtige tijdstip dan toen wij ons aan God den Heere Jezus Christus verbonden hadden.
UWelEerwar. en de gemeente hoorden slechts de taal onzer lippen, maar God den Alwetende ziet tot op de bodem van ons hart.
En daar wij met Gods hulp Dien Heiland die voor ons gestorven is als onze Heer en Redder aanneemen en God den Heere Jezus Christus de deugd en derzelfs leer niet verzaken mogen.
En daar wij onze dankbetuiging aan UWelEerw. wilde toe hulde voor het goede en nutig onderwijs van u genoten.
Gaarne en altoos nemen wij UWelEerw. en de wijs ter harte daar UWelEerw. geene moeite spaarde daar koude onstuimig weder UWelEerw. niet terug hield tot ons te komen.
En waar de voorzienigheid UWelEerw. moge plaaze wij zullen altijd Uwer blijve gedenken de vader der barmhartigheid geeve ons daartoe verligt verstand.
En beloone UWelEerw. het goethartig onderwijs aan ons en alle onze broeders en zusters gegeven.
God geve dat alles zoo zijn moge
Blijve UWelEerwaa. leerlingen G.J. Molewijk, Gerhardina Molewijk

Op 21 oktober 1826 schrijft Johannes Molewijk aan de permanente commissie, invnr 81 (transcriptie heb ik gehad van de familie Molewijk uit Enschede):
Hoog Edele Achtbare Heeren!
Ofschoon ik gevoel van geen bekwaamheit te bezitten om de Heeren van Weldadigheid, naar rang en waarden te noemen, zoo hoop ik dan echter, dat dit mij verzoek hoe gebrekkig dan ook, ten goede zal worden opgenomen.
Ik heb den achtbare Heeren het voorregt nu reeds acht jaren genoten om als kolonist op kolonie N1 geplaatst te zijn, alware ik staande die tijd, met een talrijk huisgezin mijn nooddruft burgerlijk heb genoten.
Het is ook uit die hoofden dat ik gaarne wenschte, indien het de HoogEdAchtbare Heeren moge behagen, mijn oudste zoon Gerrit Steven Molewijk dewelke volgens onderstaande staat gediend heeft en op heden nog diend bij het 1 bataillon veld artillerie als fourier (.) dat nu dezelven met de administratie bekend is daarvoor spreekt zijn rang borg en daar hij eenige begeerte heeft op een der kolonien te mogen geplaatst worden zoo smeek ik de HoogEdAchtbare Heere ootmoedig dat mijn verzoek te begunstigen.
Te dien einden heb ik den HoogEdGestrenge Heer Generaal Van den Bosch daartoe bij mogelijkheid verzogt doch ZijnEdele heeft mijn geraden om dit mijn verzoek bij de leden der Permanente Kommissie schriftelijk te doen.
Waarop ik de vrijheid genomen heb om door deze de Heere van Weldadigheid nogmaals ootmoedig te verzoeken om genoemde zoon bij mogelijkheid met een emplooi op de kolonien te begunstigen waartoe hij eenige begeerte heeft en ook ten dien einden zijn verzoek bij dat van zijn ouders, broeders en zusters, aan de Achtbare Heere van Weldadigheid opzend.
En naar de EdHoogachtbare Heere nogmaals om verschooning mijne vrijpostigheid te hebben gevraagd. Zoo noeme ik mij met de meesten eerbied UEDwillige Kolonist
J. Molewijk

Onderaan de brief staat:

Staat van Dienst
Op den 11 maart 1814 aangenomen als pijper bij het 5 bataillon landmilitie voor 6 jaar en 8 maanden. 1 january 1819 bij organisatie bij het 2 bataillon der 7 afdeeling infanterie. 21 mei 1819 fuselier. 21 september 1819 korporaal. 2 november 1820 gepasporteerd. 14 november 1821 geengageerd bij het 1 bataillon veld-artillerie voor den tijd van 6 jaar en 2 maanden als kannonier der 2 klasse. 24 april 1822 kannonier der 1 klasse. 6 februari 1823 korporaal. 11 july 1826 fourier en op dato gereengageerd voor 6 jaaren en 2 maanden.
hoochachting
1815 in Frankrijk.

Dit verzoek wordt blijkbaar niet ingewilligd, want Gerrit Steven verschijnt niet in het stamboek.

Later is er sprake van een verzoek van hem, in garnizoen te Nijmegen, om een betrekking in de koloniŽn. Dat wordt genoemd bij de concept-besluiten dd 6 september 1828, die waarschijnlijk genomen zijn als Johannes van den Bosch en Jeremias Faber van Riemsdijk samen in de koloniŽn zijn, zie deze pagina, maar ook dat gaat niet door.

Eind 1829 krijgt Gerrit Steven toestemming om in Den Haag te trouwen.

Zie verder de notities over latere gebeurtenissen bij het gezin, of de lotgevallen van dochter Antje Molewijk of de koloniale carriŤre van zoon Stephanus Molewijk of de terugkeer op de kolonie van dochter Gerhardina Molewijk of ga naar de overzichtspagina van Molewijk.