Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Frederik Rausch en familie in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid, voor zover ik er weet van heb



In de Staatscourant meldt de subcommissie Den Haag op 4 december 1818: De permanente commissie van Weldadigheid heeft, in den loop der maand november, behalve het huisgezin van J. Tersmette, sterk vijf hoofden, door de sub-commissie dezer stad voorgedragen, nog daarenboven naar de kolonie Frederiksoord opgezon den het haagsche huisgezin van F. Ransch en dat van M. Muller, ieder zeven hoofden sterk

Brief van een vriend van Rausch aan hem dd 31 mei 1819:
S’Hage 31 meij 1819
Aan Fr: Rausch te Frederiksoord
Goede Vriend!
Ik heb uwe brief zeer wel ontvangen, maar gij weet dat de pensioenen alle ses maanden betaald werden. Dus als wij eene maand verder zijn, te weeten den 1. julij, hebt gij een half jaar te goed, zijnde ƒ45-10-. Die betaling ses weeken daar na beginnende zijnde 15 augustus, kunt gij dan over komen om het op het kantoor te ontvangen, dog zo gij er om verlegen was, of vroeger over wilde komen, kunt gij ook doen. Dan zal ik dat geld uw wel voorschieten, mits niet voor den 1 julij, om de attestatie de vita, die gij dan met een kunt tekenen. In ‘t vervolg moeten wij zien of gij het niet digter bij uwe woonplaats kunt ontvangen, dog van dit half jaar kon dit niet zijn. Het was daarom best, dat gij na den 15 augustus overkwam, dan kunt gij intusschen de inleggende attestatie aan dit merk X zoals gij gewoon zijt, aldus F: Rausch tekenen, en zend mij die bij occasie te rug, dog gij moet niet tekenen voor op of na den 1 julij.
Ben na groeten uw goede vriend.
P. de Kok


Op 12 juni 1819 doet directeur Benjamin van den Bosch verslag van een inspectie van de huishoudens, invnr 51, en meldt hij de vermissing van diverse goederen, zie hier, waaronder:
Bausch - 5 beddelaaken, 1 tafellaken


Notulen pc dd 18 juni 1819: Ingekomen bij de Permanente Commissie brieven van de kolonisten F. Rausch en A. Koppejan, dagtekening 18 juny. Excuseren zich wegens het verpanden van enige goederen; de laatste biedt aan de penn. ter lossing uit zijne 6/m gagement in de maand july te voldoen.

NB: De notulist maakt een foutje. In plaats van ‘laatste’ had er moeten staan ‘eerste’.

Notulen pc dd 7 september 1819: De Heer v.R. rapporteert te hebben ontvangen ƒ 45 en 5 stuivers, van een halfjaar pensioen van F. Rauhs. Besloten aan den Direkteur te schrijven, dat de Direkteur over die gelden kan disponeren bij den Heer van R. ten zij ZijnEd. verkieze dat die gelden aan den Generaal werden ter hand gesteld, en de akte van schenking aan den Direkteur optezenden.


Bij de ‘liefde giften‘ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat Rausch ook vermeld als donateur.


Zie beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files.

Uit een brief van Benjamin dd 9 maart 1820: De kolonist Rausch wenschte zijn zoon als plaatsvervanger te doen in dienst treden. De 2 assessor heeft zulk onder nader approbatie der Permanente Kommissie toegestaan, en mij opgedragen dien aangaande hare goedkeuring te verzoeken.

Uit een brief van Benjamin vlak voor 12 april 1820:  Lucasse heeft mij gezegd, dat Vos met Rausch en Hogenbirk bij hem waren geweest, om hem in het bekende complot te doen deelneemen. Gij herinnert U, dat Hogenbirk daar van berouw hebbende, er mij kennis van gaf. Hij wilde een rekwest opstellen en door alle getekend, aan een Heer doen toekomen die beij Prins Frederik daar van zou gebruik maken. Hij wilde verder dat wanneer hij in de provoost kwam, de anderen zich zouden verbinden hem met geweld daaruit te halen, wanneer ik zulks weigerde. Het is goed dat deze spitsboef weg is. Wat zegt Gij van Rausch?

Uit een brief van Johannes van den Bosch dd 12 april 1820: Rausch word zeer gesuspecteerd en reeds lang is Molewijk van slechte oogmerken verdacht. In de voormalige plaats zijner inwoning was hij als een slecht subject bekend. Vos, Bosch, Rausch en Molewijk zijn alle vier oud-gediende soldaten en schijnen uit dien hoofde wat meer moed tot een schelmenstuk te bezitten dan de anderen.

Uit een brief van Benjamin dd 5 juni 1820: Ook de zoon van Rausch zit wegens dronkenschap in de provoost.


Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin gezegd 'Traag en oproerig, het huisgezin niet veel overleg.'


Bij de medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, krijgt het gezin een koperen medaille.


In het op 19 februari 1823 gedateerde schoolrapport over 1822 worden genoemd als hebbende uitgemunt in gedrag en vorderingen: Arie Rausch.


Dood van Rausch in augustus 1824
Vledder, overlijdensakte, 17 augustus 1824, aktenr. 12
Overledene: Frederik Rausch, geboren te Friedborg op 31-12-1773; beroep: arbeider; overleden te Frederiksoord (Vledder) op 17-08-1824, zoon van Johan Hendrik Rausch en Johanna Maria Blomneu.
Gehuwd geweest met NN NN, in leven.

Uit een brief van Wouter Visser dd 3 april 1825: Nog hebben ontslag uit de kolonien verzogt Geertrui en Maria, dogters van de wed. Rausch kol. N1 waartoe ik mede de vrijheid neem de auth. te verzoeken.

Uit een brief van Wouter Visser dd 10 mei 1825: Ter beantwoording der onder scheidene missives van de Perm. Kommissie het ik de eer te berigten als op die van den 4 dezer N104 aangaande de jongelingen Johannes Huizer en Adrianus Prins dat dezelve naar hunne jaren behoorlijk kunnen arbeiden en bij oppassendheid wel in staat zijn, voor hun eigen onderhoud te kunnen zorgen: ik neem intusschen de vrijheid aan de attentie der Permanente Kommissie te adresseeren, dat deeze jongens tot het huisgezin van Van der Kleij behoord hebbende – egter nu, om meerder handen in kol. N1 te hebben en andere redenen, bij de wed. Rausch ingedeeld, wij dezelve niet gaarne door kleine kinderen zagen vervangen; waardoor de last der Maatschappij van dat huisgezin nog zal vermeerderen.

Zie verder de aantekeningen uit de stamboeken of ga terug naar de pagina van Rausch.