Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Hendrika van der Valk weduwe Vergeer en familie in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid, voor zover ik er weet van heb

Volgens de ingekomen post permanente commissie dd 23 juli 1818 komt er die dag de melding dat Gouda overeenkomstig de oproep van de pc (zie hier) een subcommissie van weldadigheid heeft opgericht.

Heel laat, pas op 25 oktober 1818 draagt de subcommissie Gouda hun voor:
Hendrika van der Valk weduwe van wijle Lucas Vergeer, vlasheekelster oud 48 jaar
Janna Vergeer – vlasheekelster – oud 20 jaar
Sent Vergeer – baanspinder – oud 18 jaar
Jannegje Vergeer – baandraaijster – oud 12 jaar
Jaantje – oud 19 jaar
Welke weduwe met haar zoon en 2 dogters benevens het laaste meisje dat niet haar eigen kind dog als zodanig door haar is opgevoed de Subcommissie voorkomen de nodige vereischten te bezitten om als colonisten te worden opgenomen zijnde alle ofschoon behoeftig, gezond en van een goed zedelijk gedrag en wij dezelve ook als zodanig gerust kunnen aanbevelen in het billijk vertrouwen dat dezeve bij UEd zullen geagreerd worden, waarop wij ten spoedigste UEd rescuytie(?) verzoeken met vermelding waar en wanneer deze menschen zig moeten sis teeren om de reis aantenemen en wat verder tot bij hun vertrek verzocht word.

Al vier dagen later zijn ze in de kazerne in Amsterdam. (zie illustratie De proefkolonie bladzijde 32)

11 november 1818 maakt de subcommissie in de Staatscourant melding van het vertrek van het gezin naar de kolonie.

Op 23 november 1818 schrijft Benjamin van den Bosch over het indelen van jongemannen:
Bij de weduwe Vergeer heeft het zelfde plaats gehad. Hier is de jongen echter niet als man gekleed, dewijl de 2 assessor van gevoelens was dat hij door een goed en oppassend gedrag zich deze gunst eerst moest waardig maken, hij heeft dus de kleeding van een jongen boven de 12 ontvangen en is als zodaanig bereekend.

Op 2 december 1818 herhaalt Benjamin dat:
Het huisgezin van (…), de weduwe Vergeer en (…) zijn elk met een persoon vermeerdert, waaromtrent de Permanente Kommissie nader berigt verlangd. De bij (…) en de weduwe Vergeer ingedeelde personen zijn beiden gepasporteerde soldaten, die van een goed gedrag en steeds in de kolonie werkzaam geweest zijn. Beide deeze huisgezinnen, niet zeer voor den veldarbeid geschikt, hebben tot deeze indeeling bij herhaling aanzoek gedaan, en naar het mij toeschijnt schijnt deeze mesine(?) zeer goed aan het oogmerk te zullen beantwoorden.

In de Staatscourant van 7 december 1818, overgenomen uit de Rotterdamsche Courant:
Gouda, den 4 December.
De sub-commissie van weldadigheid alhier kan, met genoegen, aan alle welmeenende ingezetenen te kennen geven, dat het getal harer leden thans reeds bedraagt 190, en dat het door hen, op approbatie van de hoofd-commissie, afgezonden huisgezin naar Frederiksoord reeds gevoelt en erkent de weldaad welke het boven verwachting geniet; en daar zij lieden dagelijks worden aangezocht door andere huisgezinnen, noodigt zij door deze uit alle ware menschenvrienden, die in dit weldadig plan belang stellen, om, door nieuwe bijdragen, tot het goote doel mede te werken; terwijl de lijsten ter teekening, zoo voor het lidmaatschap als voor vrijwillige bijdragen en inschrijvingen voor linnen, zijn aan de huizen van de voorzitter, op de Westhaven, letter Q, no. 19, en bij den secretaris, letter B, no. 20.
Zij verwacht dus van de bekende weldadigheid van hare medeburgers allen bijval en ondersteuning.
Zij vindt zich ook nog verpligt te recommanderen de deelneming en inteekening in het maandschrift, hetwelk zal uitgegeven worden bij den boekverkooper van der Heij, te Amsterdam. Een werk, hetwelk een ieder niet alleen zal bekend maken met de inrigting, maar daarenboven overtuigen van het geheele doel en rigting van de hoofd-commissie, enz.

——
De affaire met hun ingedeelde:

Op 6 januari 1819 in de Staatscourant:
De permanente commissie der maatschappij van Weldadigheid, willende alle sub-commissien en andere goede menschen behoeden voor bedriegerijen, gelijk er eene dezer dagen in ‘s Gravenhage heeft plaats gehad, berigt bij deze, dat de persoon, zich noemende Theodorus Dressels, zich niet heeft ontzien, om, onder voorwendsel van, als kolonist naar Frederiksoord, met schriftelijk verlof van den Direkteur, alhier te bevinden, op naam der permanente commissie eenen reispenning, ter somme van zeven guldens, van de sub-commissie van Weldadigheid in ‘s Gravenhage te vragen, welke hij dan ook bekomen heeft.
Men verleene geen geloof aan personen, die geene schriftelijken pas, door den heer B. van den Bosch geteekend, vertoonen kunnen, noch ook aan verzoeken om reisgeld, in naam der permanente commissie, welke niet schriftelijk door dezelve gedaan zijn.

Op 10 januari 1819 schrijft Benjamin van den Bosch:
Theodorus Drossens, waar over ik reeds aan den 2 assessor heb geschreven, en die als aangenomen zoon bij het huisgezin van de weduwe Vergeer op den laatst ingezonden lijst voorkomt, is eindelijk, zes dagen na de bepaalde tijd, terug gekomen, hebbende gedurende de reis ziekelijk geweest en eene vles met medicijnen van doctor Schuurman bij zich. Ook te Utrecht heeft hij bij de subcommissie ƒ 5= opgenomen.
Hij zegt een en ander door arbeid te zullen vergoeden: Dit is intusschen een slegte borg, daar hij de knapste werkman in t geheel niet is. Ik heb hem, tot nader order binnen de kolonie gecontigneerd, en verzoeke, meede te zijner aanzien, den decisie der Kommissie te mogen vernemen.

Uit de notulen van de pc dd 13 januari 1819:
Brief van den Direkteur, behalve andere zaken, rapporteerende over de zaak van Drossens, die zich niet ontzien heeft bij sommige subkommissies, als van ‘s Hage, noch te bedelen om een rijspenning ten einde in de kolonie te retourneeren. Besloten ten aanzien der rekening door den Direkteur gegeven, de dankbetuiging der Kommissie te betuigen, Drossens de kolonie te doen ruimen, na restitutie, zoo ver mogelijk, der verstrekte kledingstukken.

Op 20 januari 1819 schrijft de subcommissie Utrecht:
Gelezen hebbende de advertentie der Permanente Commissie in Staats-Courant van den 7 deezer, zo vind de secretaris der Utrechtse sub-commissie zich verpligt, aan de hoofd-commissie te melden, dat ook bij hem de aldaar bedoelde persoon van Theodorus Drossens zich op den 2 deezer heeft vervoegd, met verzoek om ondersteuning tot voortzetting zijner reize. Dat de persoon ook werkelijk eene pas vertoonde geteekend “Frederiksoord 19 december 1818. B van den Bosch”, waar bij aan hem verlof werd toegestaan, om zich uit de colonie naar den Bosch en Gorinchem te begeven.
Op mijne eerste weigering om hem onderstand te geven, en de vraag waarom men dan hem te Gorinchem, waar hij zeide te huis te behoren, niet met geld voor de geheele reis voorzien had, antwoorde hij, dat hij, door eens door het ijs gevallen te zijn, en naar Gouda te hebben moeten gaan, in zijne reis vertraagd was. Hij zeide voorts dat men hem gerust geld konde geven, dewijl wij tog wisten, dat hij het in de colonie zelve wederom door arbeid moet verdienen, dat hij aldaar als gegageerd militair door bijzondere gunst van den generaal v.d. Bosch was geplaatst enz. enz.
Zijn verlofpas gezien hebbende meende ik genoeg zekerheid te hebben en geaf hem vijf guldens vier stuivers, waarvoor hij de nevens gaande schuldbekentenis ondertekende.

—
Ze worden van het land gehaald:

Op 15 februari 1819 schrijft Benjamin van den Bosch:
(…), (…), (…), (…) en (…), ook de weduwe Vergeer zijn niet voor den veldarbeid geschikt.
Ik heb dus begonnen, hun de geheele week in den fabrijk t laten, waar zij (…) geemployeerd zijn, en zal hun ƒ 1=.= op het verdiende loon korten, en daarvoor een bekwaam arbeider 2 dagen op hunne grond doen werken. Ik heb mij door herhaalde proefnemingen van de noodzakelijkheid van deze maatregel, die ik U verzoeke aan het oordeel der Kommissie te willen onderwerpen, overtuigd.

Op 12 juni 1819 doet directeur Benjamin van den Bosch verslag van een inspectie van de huishoudens, invnr 51, en meldt hij de vermissing van diverse goederen, zie hier, waaronder:
weduwe Vergeer - 2 beddelaakens

In diezelfde brief schrijft Benjamin van den Bosch: 
Voor het overige gedragen de kolonisten zich zeer wel. De zoon van Molenwijk, Lucassen en de weduwe Vergeer maken hierop eene uitzondering. Voor zo verre namentlijk dat zij de jonge dennen bomen te getallen van 20, langs de weg in de kolonie, niet tegenstaande het strengste verbod, moedwillig hebben vernield. Ik heb ieder met 8 dagen provoost gestraft en wanneer de Kommissie het approbeert zullen zij om de anderen dag water en brood hebben.


Bij de beloningen voor kolonisten op 23 augustus 1819 krijgt Vergeer drie gulden voor hulp bij het bestrijden van een veenbrand.


Bij de ‘liefde giften‘ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat Vergeer ook vermeld als donateur.

Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin gezegd 'Van een goed zedelijk gedrag.'



——
Huwelijk Janna Vergeer:

Op 6 maart 1820 schrijft Benjamin van den Bosch:
De dochter van de weduwe Vergeer verzoekt te mogen trouwen met de jongeling bij de weduwe Weender wonende. De gevolgen van hunne verkeering maken dit huwelijk volstrekt noodzakelijk. In afwachting van het antwoord der Permanente Kommissie, heb ik voor genoemde jongeling de daartoe benodigde papieren doen aanvragen.

Uit de notulen van de pc dd 11 maart 1820:
De P.K. verleent hare toestemming tot het huwelijk der dochter van de wed. Vergeer met den jongeling bij de wed. Weender inwoonende.

Vledder, geboorteakte, aktedatum 18 april 1820, aktenr. 10
Kind: Frederik Loomeijer, geb: Frederiksoord (Vledder) 08-04-1820, zoon van Franciscus Loomeijer, beroep: arbeider; oud: 20 jr, en Janna Vergeer, oud: 23 jr.

Vledder, huwelijksakte, aktedatum 20 mei 1820, aktenr. 6
Bruidegom: Franciscus Loomeijer, oud: 20 jr., zoon van Frederik Loomeijer en Lena Kaniιl.
Bruid: Janna Vergeer, oud: 23 jr., dochter van Lukas Vergeer en Henderika van der Valk.

Inmiddels heeft, schrijft Benjamin op 17 april 1820: De kolonie verlaten: Jaantje Wesje Gouda oud 20 jaar ingedeelde bij de weduwe Vergeer

—-
Huwelijk Sent (of Sint of Cent) Vergeer:

Notulen pc dd 14 december 1820: Direkteur (…) meldt de zwangerheid der dochter van Bodenstaf bij den zoon van de wed. Vergeer.

Blijkbaar is dat vals alarm, want er is geen geboorteakte.

28 april 1821, Vledder, huwelijksakte, aktenr. 3
Bruidegom: Sint Vergeer, geboren te Gouda; oud: 21 jaren, zoon van Lukas Vergeer en Henderika van der Valk.
Bruid: Geertruda Bodestaff, oud: 21 jaren, dochter van Johannes Hendrikus Bodestaff en Geertruij Jansen.

31 december 1821, Vledder, geboorteakte, aktenr. 45
Kind: Lukas Vergeer, geboren te Frederiksoord (Vledder) op 31-12-1821, zoon van Sint Vergeer, beroep: arbeider; oud: 22 jaren, en Geertrui Bodestaf, oud: 22 jaren.

——-
Vanaf februari 1821 begint de weduwe Vergeer in brieven naar Gouda uitgebreid te klagen over het leven op de kolonie.

De eerste vermelding is in de notulen pc van 15 februari.

Op 2 april 1821 schrijft Bnjamin van den Bosch:
Vrouw Vergeer zal, zoo voortgaande, zich zeker onaangename gevolgen berokkenen.

Uit een brief van de subcommissie Gouda dd 21 juli 1821:
(…) is deze voornaamlijk dienende UEd kennis te geeven dat er bij de kinderen van onze koloniste de wed. Vergeer op nieuw een brief is ontvangen waarin die vrouw zig zeer over haare toestand beklaagt dat zij niet in staat is de kost voor zig zelve te verdienen met vooruitzigt om eenmaal uit haare schulde te geraken, dat zij geen verlof kan bekomen om uit de kolonie na huys te gaan alvorens haare schuld is afgedaan & meer andere omstandigheden waaromtrent uwe subkommissie veel overlast van gemelde famille heeft.

Het is derhalve dientengevolge dat zij den vrijheid neemend, hetgeen wij de eer hadden UEd in onze vorige missive van den 15 feb. ll. te melden, bij deze instantelijk te herhalen, namentlijk dat UEd der goedheid gelieve te hebben na de waare toestand dezer vrouwe & haar huisgezin onderzoek te doen & indien hetzelve van dien aart bevonden word dat zij door het gemis haarer kinderen niet meer in haar onderhoud kan voorzien met vooruitzigt om eenmaal geheel buiten schuld te geraken, hetzelve huisgezin aldaar worde gecompleteerd tot het primitieve getal van 6 of 7 personen, waartoe onze subkommissie alsdan de nodige personen uit deeze stad zoude voordragen, en bijaldien deeze vrouw op haar ontslag blijve insisteeren & zulks conform de wetten & instelling der kolonie bevonden word, zoodanig dat geheele huisgezin door anderen kunnen doen vervangen.

Wij verzoeken UEd deeze zaak met den meest mogelijke spoed te willen behandelen & ons UEd gedagte deswegens meedetedeelen ten eijnde wij van de last deezer zaak worden ontslagen & tevens de kwaade indrukselen die deze geduurige klagten niet nalaten op de gemoederen der ingezetenen dezer stad te hebben daar door worden weggenomen.

Wouter Visser schrijft op 26 juli 1821:
Van de Heer  2e adsessor ontvangen hebbende eene missive der subkommissie van Gouda, betrekkelijk de herhaalde klagten van de wed. Vergeerin kol. N1, ten einde daarop aan de Permanente K. te berigten en advijseren, zoo heb ik de eer ter voldoening daaraan te melden dat gen. wed. Vergeer, hoe wel zij thans minder schulden maakt dan voorheen, het zelve nog altijd eene famille is, die de Maatschappij tot last, en door hare liederlijkheid de kolonien tot oneer verstrekt; niet tegenstaande dat zij door den ingedeelde, daarna met hare dogter gehuwde perzoon van Lomeijer, ondersteund wordt; terwijl een huisgezin, zamengesteld als dit, bij vlijt en oppassendheid zeer goed in staat is, om eenmaal buiten schulden te geraken.
Dan deeze ontbreken aan hetzelve en ik derhalve met overeenstemming van den Heer 2e adsessor van gevoelen ben, het huisgezin van de wed. Vergeer, met hare dogter en gen. Lomeijer, de kolonie te doen verlaten, en een ander in hare plaats aan te neemen.

Op 14 augustus 1821 schrijft Wouter Visser over de verklaring nog minimaal een  jaar op de kolonie te zullen blijven:
Voorts heb ik het genoegen de Permanente Kommissie te informeren dat, ten einde effect te doen sorteren aan art 8 van haar besluit van den 21 julij ll. ik de kolonisten van N1 onderstaande verklaring ter tekening heb aangeboden, waar aan door alle met genoegen is voldaan, uitgezonderd de weduwe Vergeer.

En op 8 september 1821 gaat de subcommissie accoord met het terugzenden van het gezin.

Bij de volkstellingen 1830 en 1840 blijkt de weduwe in te wonen bij dochter Pieternella in Gouda (met als naaste buren de inmiddels getrouwde dochter Jannigje).

——–
Het verdere leven van dochter Janna Vergeer en familie:

Eerst is er gedoe tussen Gouda en Zaandam wie hun moet huisvesten (zie boek bladzij 303- 305 en persoonsfile Weender) en dat wordt door Johannes als volgt opgelost:
Op 4 december 1821 schrijft Wouter Visser: Voorts heb ik de eer de Permanente Kommis sie bij deeze te berigten dat, de persoon van Frans Lomeijer op advijs van Zijn Hoog Ed Gest den Heer 2e Adsessor is geplaatst in kolonie no.3 als hoofd des huisgezins van wijlen Loggiers.

Voorjaar 1823 komt commissaris en boekverkoper Christiaan Sepp hen tegen, wat Sepp beschrijft in de Star van april 1823. Volgens de rode boeken van Kloosterhuis worden zij ontslagen als huisverzorgers op 13-05- 1825.

Van Janna is verder geen spoor gevonden, maar echtgenoot Loomeijer en hun zoon Frederik wonen in 1830 in bij schoonzus Pieternella in Gouda.

—————
Het verdere leven van zoon Sent Vergeer:

Uit een brief van 20 juli 1822 van de subcommissie Gouda:
Deze Sent Vergeer was een der leden van het huisgezin door ons in october 1818 na de kolonie N1 opgezonden, is geduurende  het verblijf aldaar getrouwd met de dochter van den kolonist Bodenstaf en toen dadelijk in dat huisgezin als een der leden van hetzelve door de directie der kolonien ingedeeld geworden en ook alzo bij het terugkeeren van de wed. Vergeer – zijn moeder – in 1821 is blijven beschouwd geworden (gelijk hij zelf indien tusschentijd nog eens met een consent van den directeur in maart 1821 eenigen dagen hier heeft doorgebracht).
Het is ons voorkomende dat deze persoon als tot het huishouden van de kolonist Bodenstaf behorende, ook aldaar dient te verblijven en geenzints ten laste dezer gemeente kan worden teruggezonden en ook niet op zichzelf als kolonist van dezelve kan worden aangemerkt.

Uit een brief van Wouter Visser van 4 augustus 1822:
Dat de voormalige kolonist Sent Vergeer en vrouw door hun huwelijk natuurlijk als kolonist werden ontslagen; hetgeen door het vertrek van zijn moeder, de wed. Vergeer nog meer is bevestigt: dat zijn schoonvader, de kolonist Bodenstaf hem aanvankelijk wel in deszelfs huis heeft opgenomen – met consent van den Heer Direkteur B. van den Bosch – doch dat dit nimmer als verbindend voor altijd is kunnen worden beschouwd.

Johannes van den Bosch grijpt weer in:
Sent Vergeer en Tuitje Bodenstaf worden op 13-10-1822 geplaatst in Willemsoord als huisverzorger over een aantal kinderen uit Dordrecht, als opvolger van de man die kinderen met een touw met knopen sloeg. Er wordt een zoontje geboren die naar zijn grootvader genoemd wordt: Lucas Vergeer.

Zie voor de aanwezigheid van Vergeer-Bodenstaf in hoeve 19 van Willemsoord deze pagina.

Voorjaar 1823 komt commissaris en boekverkoper Christiaan Sepp hen tegen, wat Sepp beschrijft in de Star van april 1823. Maar op 3 april 1825 schrijft Wouter Visser:
De huisverzorger Sint Vergeer in kol. N3 zich meermalen eigendunkelijke handelwijzen veroorloofd hebbende, onder herhaalde verklaring van zijn ontslag te willen nemen, heb ik nodig geoordeeld hem bij gelegenheid van zulk een gedrag en uitspraak van als wilde hij de Direktie ten zijnen aanzien verpligt rekenen, uit de kolonie doen vertrekken;

Of ze trekken weer in bij schoonvader Bodenstaf, of ze vestigen zich in de buurt in een desperado-kolonie want er wordt geboren op:
 31 maart 1827, Vledder, geboorteakte, aktenr. 11
Kind: Johannes Henderikus Vergeer, geboren te Vledder op 29-03-1827, zoon van Cent Vergeer, beroep: arbeider; oud: 27 jaren, en Geertruid Bodenstaf, oud: 27 jaren.

Na latere omzwervingen, in ieder geval Nijmegen, komen Cent en Geertrui Vergeer-Bodenstaff tussen 1840 en 1850 bij de familie in Gouda wonen. Cent overlijdt 9 februari 1850, Geertrui werkt als hekelster en werkster tot haar dood op 29 januari 1875 in Gouda. Haar hierboven genoemde zoon Jan Hendrik trouwt in Gouda op 3 augustus 1859 met Cornelia van der Strigt en ook een dochter die naar haar moeder genoemd is, dus Geertrui, trouwt in die plaats. Meer informatie via info@lafeber.info.

Volgens de rode boeken van Kloosterhuis keert zoon Lucas in 1838 terug naar de kolonie om bij zijn grootouders (Bodenstaf) te wonen, die dan nog steeds een hoeve in Frederiksoord hebben. In 1840 wordt hij van de kolonie ontslagen.

Zie verder de aantekeningen uit de stamboeken of ga terug naar de pagina van Vergeer.