Extract uit de notulen van het verhandelde in den raad van policie over de vrije kolonien
Zaterdag den 21 october 1826


Present
de Heer Visser, President
de Heer Bersma,   
de kolonist Zwier, Gemeensman
de kolonist Hoffman, Gemeensman
de kolonist Gutsloo, Gemeensman
en van Wolda, secr

De raad van toezigt over kol No 1, heeft tot den raad van policie verwezen:

1 Jakob Frans, oud 19 jaren, ingedeeld geweest bij de wed Rausch, kol no 1, als beschuldigd van heden zomer uit de kolonien gedeserteerd en voor eenige dagen, uit hoofde hij in Rotterdam het brood niet meer had kunnen verdienen, wedergekeerd te zijn, en

2 Hendrik van Vliet, oud 44 jaren, kolonist in kol no 1, uit hoofde dezelve op den 16 dezer, den jongeling Jurrien Maatje van dezelfde kolonie geslagen en mishandeld zoude hebben, blijkens de processen verbaal van den 20 dezer,

terwijl den raad van toezigt over kol no 2, voor dezen raad heeft doen compareren:

3 Jan Pietersz Bakker, oud 17 jaren, ingedeeld bij den kolonist Poot in kol no 1, wijk 3 beschuldigd van zijnen stiefvader, en twee van deszelfs voorzonen Sjoert en Hendricus Poot, geslagen en gestoten te hebben;

4 Den huisverzorger Hendrik Willemse, oud 59 jaren, uit de oostvierden parten kol no 2, verdacht gehouden van aardappelen uit zijn  land gerooid en vervolgens geborgen te hebben, aangezien er weinig aardappelen uit het land gekomen waren, daar waar veel van verwachten, en men 4 schepels in eenen kuil buiten en 6 schepels binnen s huis gevonden had, blijkens de processen verbaal van de 17 dezer.


Deze vier aangeklaagde personen, één voor één heden voor den raad verschenen en door onze President ondervraagd zijnde, bleken hunne eigene getuigenissen de volgende te zijn: 


Jakob Frans had zijn fortuin buiten de kolonie en wel in zijne geboortestad Rotterdam willen zoeken, had zich ten dieneinde zonder verlof derwaards begeven en aldaar eenigen tijd als staljongen en vervolgens als oppasser bij een paardenspel gediend te hebben, had hij geene mogelijkheid gezien, den kost te verdienen, en uit dien hoofde had hij wederom de wijk naar de kolonie genomen.

Hendrik van Vliet had in drift Jurrien Maatje in handen genomen en geslagen, omdat deze zijn zoontje, volgens zijn zeggen, op eene verregaande wijze mishandeld had.
Dit had hij niet kunnen aanzien, doch nu was hem de drift meester geworden.

Jan Pietersz Bakker had Sjoert en Hendricus Poot, zijns stiefvaders voorzonen, geschopt, en vervolgens zijnen stiefvader, die daarbij was gekomen, ook aangetast: alles was in drift geschied en het laatste had hij, volgens zijn zeggen moeten doen, om zijn eigen lijf te verdedigen.

De huisverzorger Willemse, zoo wel als de bij hem ingedeelde weezen,verklaren eenpariglijk, dat de buiten s huis gekuilde aardappelen, door de kinderen tussentijds op boekweiteland te Doldersum waren gerooid en des avonds mede gebragt, en de in huis geborgene aardappelen waren daar onder en na het rooijen daar henen gebragt uit voorzorg om dan gegeten te worden, wanneer de tuinaardappelen op zouden zijn,
gedeeltelijk waren dezelve na het rooijen op het land opgezocht en wat de quantiteit zijner aardappelen betreft, het was wel mogelijk dat er vooraf aardappelen uit zijn land gerooid waren, doch dan moest het een ander, buiten zijn weten gedaan hebben.


Hierop is in den raad overwogen:

a  Dat Jakob Frans gedurende zijn verblijf in de kolonie zich heeft doen kennen als een ondeugende jongen, en zeker niet naar de kolonie zoude geretourneerd zijn, zoo niet de uiterste nood hem daartoe gedwongen had.

b De noodzakelijkheid, dat alle vegterijen en oneenigheden in de kolonien, zoo veel mogelijk geweerd, en zo die éénmaal plaats hebben gehad, mede ten voorbeelde van anderen, gestraft worden.

dat de huisverzorgers, zoo wel de kolonisten verpligt zijn voor het behoud der vruchten hunner landen te zorgen, en had een ander uit het land van Willemse aardappelen gerooid, daarvoor had de huisverzorger moeten oppassen.

d  dat overigens van Willemse als huisverzorger veel gehouden wordt.


Waarop eindelijk, na bekend dat de gevoelens der leden van den raad in het straffen des bovengenoemde personen volkomen met elkanderen overeenkwamen,

Is besloten:

1. Jakob Frans wordt als deserteur veroordeeld naar de strafkolonie Ommerschans

2. Hendrik van Vliet en Jan Pietersz Bakker worden voor vier etmaal gecondemneerd in de koloniale cachot, en Bakker daarbij tevens herinnerd dat zoo er wederom iets ten zijnen nadeelen mogt voorvallen, hij zich dan verzekerd kan houden van insgelijks een bewoner der Ommerschans te zullen worden.

3. Den huisverzorger Willemse, gedurende den volgende winter 1/6  aardappelen minder te doen toekomen dan de huisgezinnen waar de talrijkheid der zielen gewoon zijn te consumeren.


En zal een afschrift hiervan worden gezonden aan de Permanente   Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid.

Voor extract conform,
De Direkteur der Kolonien
Visser


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag