Notulen van het verhandelde bij den Raad van Policie en Tucht, in de vrije kolonien van zaterdag den 3 July 1830


Aanwezend:
de Heer J van Konijnenburg vz Pres.
de Heer A. Brouwer
de kolonist J.Althoff, Gemeensman
de kolonist Fraterman, Gemeensman
en de Heer M.Bersma, Lid en L Secr

Art.1.
De Heer President legt over een proces verbaal van den Raad van Toezigt van kol 2,  houdende beschuldiging van de koloniste Aagje Bijsterveld, ter zake van onzedelijken omgang met Gerrit Verbeek, ten gevolge waarvan zij zwanger zoude zijn geworden.

In plaats van Aagje Bijsterveld, die voor den raad geroepen was, komt haar vader, zeggende, dat zijne dochter ziek en niet in staat is hier te verschijnen.

De vader ontkent wel dat deze zijne dochter zwanger is, maar herhaalt nog het verzoek, dat hij voor vier maanden ook aan den kleinen Raad gedaan had, namelijk, dat zijne dochter ontslagen mogt worden van de kolonie, en geeft door zijne redenering zoo veel te kennen, dat de Raad de zwangerheid zijner dochter niet meer betwijfelt.

In aanmerking genomen zijnde, dat de kleine Raad voor vier maanden geweigerd heeft het ontslag van de kolonie voor Aagje Bijsterveld te vragen, uit hoofde zij toen reeds van onzedelijkheid werd verdacht gehouden, en dat vermoeden sedert nog meer bevestigd is geworden, in zonderheid door haar tegenwoordig achterblijven en de gezegden haars vaders.

Is besloten:

Aagje Bijsterveld naar aanleiding van art 2.Litt f en art 3 $ 2 van het Reglement van Policie en Tucht  voor eenen onbepaalden tijd te veroordeelen naar de strafkolonie te Ommerschans.


Art.2.
Verschenen voor den Raad na daartoe door den raad va Toezigt van kol 1, te zijn verwezen, de kolonisten Smallenburg en de wed. Aukes, ter oorzake van kliene oneenigheden onder elkanderen, die kijven en schelden hadden te weeg gebragt.

Na een voor een gehoord en de zaak overwogen te hebben is besloten, beiden tot onderlinge vrede te vermanen en Smallenburg, wiens huisvrouw de voornaamste oorzaak der oneenigheid is, de onbetamelijkheid dezer handelwijze onder het oog te brengen; hetgene staande de vergadering door den President geschied is.


Art.3.
Vervolgens vervoegden zich, mede op aanklagte van de gemelde Raad van Toezigt voor dezen Raad, de kolonisten Poot en Benjamins, ter oorzake van gelijke oneenigheden onder elkanderen.

Na beiden gehoord te hebben, is besloten, hen met eene ernstige vermaning, voor deze keer, te laten gaan, terwijl de Adjunkt direkteur der vrije kolonien, na uitvoering hiervan, van den Heer Direkteur in last heeft gekregen, om den kolonist Benjamins, bij de eerste goed gelegenheid op eene andere hoeve te plaatsen.


Art.4.
Eindelijk compareerde nog voor den Raad de kolonist Hammeka, door den Raad van Toezigt van kol 1 beschuldigd van in den afgelopen winter, hout uit zijne woning te hebben gebroken en verbrand.

De kolonist verklaart, in de bitterste koude, toen hij voor zich en zijne vijf kleine kinderen niets te branden had, een stuk hout, tot zijn huis behoorende, doch hetgene los was, te hebben opgebrand, doch dat zulks uit groote nood geschied was.

Overwegende dat dit geval niet ongestraft kan blijven, en het gevoelen der leden van den Raad ingewonnen zijnde, waaruit bleek, dat hetzelve volmaakt met elkanderen overeenkwam.

Is besloten Hameka, naar aanleiding van Art 2 Litt e en art 3$3, voor twee etmalen op te sluiten in de gewone strafkamer


En zullen deze notulen, na geteekend te zijn, aan de Permanente Commissie worden ingezonden, zoo ter goedkeuring van het bepaalde bij art 1, als tot mededeeling van het geheel.
J. van Konijnenburg direkteur  
A Brouwer
G. Fraterman
G: Althoff   
M Bersma

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag