Raad van Politie en Tucht op den 8 October 1832

Alle leden zijn tegenwoordig.

Wordt gelezen het nevensgevoegd Proces Verbaal van de Raad van Toezigt van kolonie N2 van eergisteren en mitsdien binnengeroepen Geertje Goosens, van hoeve N25, om haar te horen, aangaande haar eigendunkelijke verwijdering uit de kolonie en de overtreding van het verbod des AdjunctDirecteurs, zich naar Steenwijk te begeven.

Niets hebbende in te brengen, dan dat hare moeder haar zulks zou gelast hebben, is haar onder het oog gebragt Art. 16 van het Reglement van Tucht, volgens hetwelk kinderen van boven de 16 jaren oud, voor alle overtredingen zelve strafschuldig zijn, en voorts, dat het den Raad, bovendien beter bekend is, dat zij niet haars moeders maar haar eigen zin gevolgd had.

Overwegende, dat hier niet zoo zeer desertie bedoeld is, maar meer gehoorzaamheid geweigerd aan den AdjunctDirecteur, (§A van Art. 2) zoo is, naar luid van Art 3 §1, waarbij opsluiting van 3 tot 8 dagen in de strafkamer, naar gelang der omstandigheden, wordt opgelegd degenen, die zich voor de eerste maal aan gemelde verkeerdheid schuldig maakt, met eenparigheid van stemmen besloten, Geertje Goossens de minste straf van drie dagen opsluiting, opteleggen, dat haar, zij weêr binnen geroepen zijnde, wordt medegedeeld.


Wijders staat binnen de kolonist J.H. Nieuwenhuis, van kolonie N1, naar aanleiding van het 2e hierbij gevoegde Procesverbaal van den Raad van Toezigt van den 19 september jl.
Hem, als ook den wijkmeester van Anker, en de kolonist Rietberg als getuige, afzonderlijk gehoord hebbende, erlangt de raad de overtuiging, dat Nieuwenhuis, ten gevolge der vermaningen des wijkmeesters, omtrent de bearbeiding van zijnen grond, dien ambtenaar des morgens van den 15 te voren, wel degelijk onbescheiden bejegend en grovelijk gescholden heeft, ja diens langmoedigheid verregaande getrotseerd.

Nieuwenhuis wordt daarop alsnog den weg geopend, om zijne schuld te erkennen en, zoo doende, den wijkmeester en den Raad te voldoen; doch zijne halsstarrigheid noodzaakt den Raad hem te wijzen op Art. 2 § 1 en Art. 3 § 1, van het reglement, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen wordt opgelegd hem, die zich onbescheiden gedraagt jegens of wel zich verzet tegen een der koloniale ambtenaren; -

doch ook dit tevergeefs zijnde, wordt hij, buitengelaten zijnde, bij meerderheid van stemmen besloten, den kolonist Nieuwenhuis op te leggen opsluiting in de strafkamer voor den tijd van vier dagen, welk besluit hem wordt medegedeeld.

De AdjunctDirecteur bekomt de last, de beide besluiten morgen ten uitvoer te brengen.
Aldus gedaan in den raad te Frederiksoord , den 8 October 1832,
J. van Konijnenburg
M. Bersma
???
P v d Bil
Souverijn
L: Lukassen


Bijlage 1: Raad van Toezicht van Wilhelminaoord

Op heden den 6 October 1832 is de Raad van Toezigt van kolonie No 2 bijeengekomen teneinde te hooren de dochter van den kolonist Goossens in gemelde kolonie hoef No 25 beschuldigd van op den 2 dezer buiten de kolonie te gaan hoewel haar dit door den Adjnkt-Directeur stellig verboden was die haar op weg aantrof en zij geene toestemming had nog ook geenszins daarom verzocht had.

Hoe is uw naam?
Geertje Goossens

Hoe oud zijt gij?
Negentien jaar.

Weet gij ook dat gij niet buiten de kolonien moogt gaan zonder toestemming van den wijkmeester of iemand anders der Direktie?
Ja.

Waarom gingt gij dingsdag morgen uit zonder het te verzoeken?
Ik moest naar Steenwijk om iets ter verkwikking voor mijne zuster te halen die ziek was.

Waaom zijt gij nog heen gegaan naardien uw zulks ernstig verboden was door den Adjunkt-Directeur?
Ik ben op het bevel van den Adjunkt-Directeur naar huis gegaan maar mijne moeder heeft mij weer heen gezonden.

De raad van Toezigt ?? ?? gehoord hebbende, heeft gemeend haar te moeten verwijzen naar de raad van tucht opdat zij ook aldaar gehoord worde.
Gedaan in den raad van toezicht van kol N2
op dag en jaar als boven
M. Bersma
A, Keizer
A. Croll
J. Souverijn

Bijlage 2: Raad van Toezicht van Frederiksoord

Proces verbaal van het verhandelde door de Raad van Toezigt in kolonie No 1, op den 19 sept 1832

Is verschenen:

Abraham van den Anker oud 28 jaar koloniste wijkmeester van wijk No 2, verklaarde in last te hebben van den Onder-Directeur den kolonist Nieuwenhuis aantezeggen, van zorg te dragen om meer mest op deszelfs hoeve te brengen, hem anders het daarvoor erkend wordend loon zoude worden gekort, dat hij aan deze last dan ook voldaan heeft;

dat hij wijkmeester een paar dagen daarna wederom op den hoeve geadsisteerd door den Onder Directeur is gekomen, zonder dat er meer of genoegzaam mest was aangebragt, hem daarover onderhouden heeft, met aanzegging andermaal, dat hem geen geld voor zijn arbeid zou worden verstrekt, indien hij niet aan zijne verpligting voldeed,

dat hij eindelijk ten derde maal zich naar Nieuwenhuizen heeft begeven, en bevonden dat deeze weigerend was gebleven aan de hem gegeven orders, waarop hij den opziener Rietberg last gaf, om Nieuwenhuizen voor mestkruijen geen verdiensten toe te kennen,

dat hij vervolgens op den volgende zaturdag zijnde den 15 deezer des morgens met zijn sectiebaas Rietberg bij Nieuwenhuis komende gevraagd wierdt, waarom men geen verdiensten voor mestkruijen op den Staat had gebragt: ten antwoord gegeven had, dat zulks op last van den Onder-Directeur was geschied; -

Nieuwenhuis hem woedende toevoegde Schelm dat is jou schuld,
hem tot bedaring aanmanende met te zeggen niets dan mijne orders te hebben opgevolgd, maar zig desaangaande tot den Onder Directeur behoorde te vervoegen;
dan, in plaats van bedaren in meerdere drift ontstak en voortging hem met scheldwoorden te bejegenen waarbij de vuilste en laagste uitdrukkingen wierde gebezigd; -

ik verwijderde mij zegde van Anker van de hoeve, doch door het stadig bezigen van scheldwoorden keerde ik niet vrij van gramstoorigheid terug, vraagde hem of hij de gebezigde brutale scheldwoorden nader zoude staande houden;
Nieuwenhuis nam daarop de greip en wilde mij daarmede doorsteken, den opziener en zijne vrouw kwam hier tusschen en scheidde ons. ** (zie onder)


Vervolgens is verschenen Johannes Hendrik Nieuwenhuis oud 54 jaaren welke door den voorzitter ondervraagd zijnde, omtrent het gebeurde met de wijkmeester op den morgen van den 15 dezer, ten antwoord gaf.
Dat hij aan den wijkmeester gevraagd heeft, wat of de reden waren dat hij wente (??) dat ik een urer (??) van hem verwijderd was, hetgeen deze weigerde te zeggen, waardoor de onderlinge twist is ontstaan, en den wijkmeester een drijgende toon als wilde hij mij slaan aannam, hem tegemoet voerde wat wil je, wil je mij op mijn hoeve slaan.

Toe slaat maar. waarop de wijkmeester mij uitdaagde, gaa mee naar het heideveld, hem daarop zeijde: dat dit kwade jongenswerk was, dat een man van 50 jaar niet tegen een jong mensch van 25 jaar bestaanbaar was, en den wijkmeester met Rietberg zich verwijderde, doch ik hem nariep als mijn groote jongen thuis was ik mij niet op de kop zou laaten zitten,

daarop terugkwam, mij toevoegde, wat zeg je, en toen ik dit na hem toekomende (na vooraf de greep in de grond te hebben gezet) herhaalde, zag ik dat hij de hand in de zak stak, als willende hij daar een mes uithalen, er vielen voorts meerder woorden voor, en van Anker zegde, bin mij de hand op de rug, en kom op het heideveld, dan zal ik je gooijen dat je de beenen in de hoogte steken.

De voorzitter deed hem voorts de volgende vraagen.

Hebt gij niet met den greep gedreigd den wijkmeester te willen doorsteken?
Antw: Neen.

Hebt gij ook geen mes van uw vrouw genomen (dien bij Uw was, en welke zij in haar voorschot onder meer andere had) om den wijkmeester daar mede te kwetsen?
Antw: Neen. - wat mijn vrouw in haar voorschot had, heeft zij op het land gegooid.

Is niet de twist ontstaan over het mestkruijen?
Antw: Neen.

Hebt gij den wijkmeester niet gevraagd waarom het mestkruijen niet was opgeschreven?
Antw: Neen er is over geen werk gesproken.

Den voorzitter gaf Nieuwenhuis te verstaan dat hij genoegzaam onderrigt was, en vertrekken konde, ten einde de getuige over de zaak te hooren. omtrent welk vertrek hij agterlijk bleef, en den Raad toevoegde: Rietberg kan niet getuigen, omdat van Anker Rietbergs Heer en Meester is.
Den voorzitter gaf hem verder te kennen dat hij en den Raad behoorde te weten wat hun te doen stond, en gelaste Nieuwenhuis andermaal den raadkamer te verlaten, dien dan ook daarop vertrok.


Vervolgens is verscheenen Hermanus Rietberg oud 46 jaar welke door den voorzitter verzogt wierd te willen mededeelen dat geen wat hem bekend was van het geval tusschen van den Anker en Nieuwenhuis. -
Een en ander kwam nagenoeg overeen met de gezegdens van van den Anker met dit onderscheid alleen, dat Rietberg verklaarde, dat de aanleidende oorzaak van twist is ontstaan, over het gevraagde van Nieuwenhuis aan van Anker, wegens de verwijdering van een uur afstands en niet over het werk.

Eindelijk is verschenen Arie Brouwer, oud 20 jaar, welke zegd daar wel bij gekomen te zijn, en onderlingen scheldwoorden te hebben gehoord, doch geen messen of greep gezien te hebben, maar wel dat Rietberg als scheidsman tusschen beide stond. -

------------

Is wijders verschenen Ale Boelens Kooystra oud 42 jaar.
Den voorzitter zegde hem dat op den 18 dezer om 8 uren des avonds bij den kolonist Leloux de glazen waren ingeslagen, en hier mede wordt gij betigt.
Kooistra betuigde hier niets van te weten, zegde dien avond reeds zeer vroeg ten bedde te zijn gegaan, - maar dat de koe van vrouw Le Loux bij hem in de tuin was geweest, welke hij geschut heeft, dat voorts vrouw Leloux zijnen vrouw uitgescholden had voor een hoer, welke reeds drie hoerenkinderen had, dat den Heer Bersma haar reeds drie malen op de wagen gehad had, om haar naar de Schans te brengen, dat hij turf uit het veen gestolen had, een deken en een boezelaar voor f 2,- verkocht zoude hebben; - en verzocht dat een en ander onderzocht, en bewezen mogt worden.

Aldus opgemaakt te Frederiksoord den 29 sept. voornoemd,

De voorzitter H. Faken
J.A. de Jong
A. van Anker
L: Lukassen

Greven
secretaris

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag