Raad van Policie en tucht in de gewone koloniën op den 10 maart 1834


Alle leden zijn tegenwoordig

De voorzitter leest een proces-verbaal van den Raad van Toezigt  van kolonie N1 voor, houdende de beschuldiging van den Kolonist A. Smal, van den Adjunct-directeur der gewone koloniën, door vloek- en scheldwoorden, grovelijk te hebben beledigd.

De Adunct-directeur licht de beschuldiging nader toe en wordt daarna verzocht zich uit den Raad te verwijderen. Daarop worden de getuigen in het proces verbaal van den Raad van toezigt vermeld binnen geroepen en leggen deze, als uit eenen mond de verklaring af dat de beschuldiging is volkomen gegrond.

A. Smal, binnen gelaten zijnde en over zijn misdrijf onderhouden wordende, antwoordt dat hij is driftig geweest, overr de weigering eener andere hoeve, dan waarop hij woont, dat hij berouw heeft over het gebeurde en dat hij belooft, zich nimmer meer zoo ver te zullen te buiten gaan.

De Raad, Smal hebbende doen buiten gaan, overweegt, dat al hoewel Smal eens voor de eerste maal voor den Raad van tucht te regt staat, hij echter meermalen zich ruwe en stoute uitdrukkingen tegen de ambtenaren heeft veroorloofd Voorts dat zijne driftigheid hem niet ter verschooning kan verstrekken

Vooral niet, daar het bekend is, dat hij na het gebeurde, zich bij andere kolonisten er op beroemd heeft den Adjunct/direkteur zoo te hebben toegesproken en behandeld.

De President brengt nu in omvraag of het misdrijf van Smal niet van dien aard en omvang behoort te worden beschouwd, dat eene verwijzing naar de Ommerschans daarop moet volgen en het misdrijf dus gelijk worden gesteld met eene herhaling van de verkeerdheden bij $ a van het 2e opgenoemd, danwel of Smal met eene opsluiting van ten minste acht dagen zou behooren gestraft te worden, een en ander volgens art 3 van het reglement.

De drie gemeensmannen stemmen voor het laatste, doch de drie andere leden stemmen voor het eerste, terwijl de President bij het staken der stemmen gebruik maakt van art 12 en dus eene dubbele stem hierop uitbrengt en is er multium tot de verwijzing van het huisgezin Smal naar de Ommerschans besloten.

De Raad oordeelt evenwel dat het goedvinden van de Perm Commissie op dit besluit in zonderheid moet worden gevraagd.
Zullende, ingeval van afkeuring, Smal met acht dagen opsluiting worden gestraft. A. Smal wordt hij binnen geroepen zijnde dit besluit mede gedeeld.


Art 2.
Voorts deelt de President het 2e gedeelte van het proces/verbaal van den raad van toezigt mede, houdende beschuldiging van de weduwe de Koning die ten tweede maal de kolonien heimelijk heeft verlaten.

De weduwe de Koning voor den Raad van Tucht geroepen zijnde, is niet verschenen, evenmin als zij voor dien van toezigt is gecompareerd.

De Raad, vernemende dat zij op dit oogenblijk dan ook al wederom is weggeloopen met haren zoon en medegenomen onder anderen eenig naai werk van de fabrijk

Gelet op art 2 en 3, waarbij desertie met verplaatsin naar de Ommerschans wordt bedreigd en overwegende dat de weduwe de Koning volstrekt bandeloos te werk gaat en zich aan geen orde of wet stoort

Besluit de weduwe met hare kinderen naar de Ommerschans te verwijzen, zoo dra zij in de kolonièn zal zijn wedergekomen.

Aldus gedaan in den Raad den 10 maart 1834.

Ondertekening
J Van Konijnenburg Pres.
onleesbaar
C. Bollen
H.W. Kemper
J T Klijzing
van Marle


Bijlage: Raad van toezicht van Frederiksoord

Raad van Toezigt van den 5 Maart 1834

Zijn verschenen

Jan de Jong wijkmeester oud  50 jaar
Abram van den Anker oud 30 jaar
Klaas Foekes Kamstra oud 53 jaar
En Gerardus Rochel oud 48 jaar

De Voorzitter vraagd aan de Jong om aan de raad mededeling te willen geven van het op den 3 dezer voorgevallene, tusschen de Heer Adj Dir Bersma en de Kolonist A. Smal.

Jan de Jong zegd, het was op den 3e dezer des middags ongeveer 3 uren; dat wij ons gezamenlijk met den Adj Dir: Bersma aan den dam tusschen Bakker en Brink bevonden, toen Smal zeer driftig kwam aanstappen na genoeg bij ons zijnde, vraagde den Adj Dir: aan Smal waart dat zoo driftig naartoe Smal
Dat zal ik jou G.D.V. … wel leeren als je mijn niet op mijn eigen hoef laat wonen.
Ik weet van geen eigen hoef zeijde de Adj daarop, toen viel hij verder uit in schelden en lasteren en zeijde onder meer andere Schelm Gauwdief Bankeroetier wat doet gij hier, gij hoort hier niet en is al razende de weg vervolgd denkelijk naar Willemsoord zonder waarschijnlijk daartoe permissie gevraagd of verkregen te hebben

Al welk bovenstaande door genoemde personen wordt verklaard waarheid te zijn.
Smal geroepen zijnde is niet verscheenen

Jan de Jong zegt, toen ik hem aangezegd heb van voor de raad te verschijnen, kreeg ik van hem ten antwoord, ik ga niet met u naar de raad, als men mij noodig heeft moet men mij voor de politieke regter roepen.


Voorts is door den Onderdirecteur voor de raad geroepen, de wed de Koning om heden voor de raad te verschijnen, ten einde oplossing te geven waarom zij op den 7e Febr JL zonder voorkennis (of goedkeuring) de kolonie heeft verlaten en eerst op den 3e dezer weder is terug gekomen hetgeen reeds de tweede maal is dat zij zulks heeft gedaan, terwijl zij inmiddels wel bewust is dat men niet eigendunkelijk mag handelen-
de onderdirecteur daarop geantwoord heeft dat zij niet in de raad kon verschijnen omdat zij niet loopen kon en ook met de raad niet te doen had.
De wed de Koning is alzoo ook niet verscheenen
Van al het welk is opgemaakt het tegenswoordig proces Verbaal
Frederiksoord 5 Maart 1834.
Voorzitter H. Faaken
Jan Visscher
A. van Anker
Greven secretaris



BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag