Raad van Politie en Tucht in de gewone koloniën, op den 31 augustus 1835


Al de leden zijn tegenwoordig.

1.
Wordt gelezen
een procesverbaal van den Raad van Toezigt van kolonie 3 van heden, tengevolge waarvan worden binnengeroepen Johannes Werff, zoon van de kolonist van die naam en den bestedeling Arie de Jong van opgemelde kolonie, als beschuldigd zijnde van onbescheiden gedrag jegens de schoolonderwijzer in de bijgevoegde schriftelijke aanklagte omschreven.

De Jongens hebben niets daartegen in te brengen en leggen de meeste hardnekkigheid aan de dag.

De Raad, gelet op art. 2 § a en art. 3 § i van het reglement van tucht  waarbij de straf van opsluiting van 3 tot 8 dagen in de strafkamer gesteld op zulke verkeerdheden als door opgemelde jongelingen zijnde begaan
besluit
Johannes Werff en Arie de Jong zullen voor 8 dagen in de strafkamer van kolonie 1 worden opgesloten, welk besluit hun wordt medegedeeld nadat zij daartoe waren binnengeroepen.


2.
Wijders wordt binnengelaten de kolonist Van Dinteren met zijnen zoon welke laatste, zonder bekomen verlof, zijn vader gevolgd was op eene reis naar ’s Gravenhage waartoe de Kleine Raad wel de vader maar niet de zoon verlof gegeven had.
Van Dinteren verontschuldigt zich wegens het medenemen zijns zoons die hij aan de Lemmer vond en niet wel eerst kon terugbrengen en vraagt ook verschoning voor derzelven op grond van deszelfs jeugd.
De Raad begrijpt hieraan in zoo verre te kunnen voldoen dat genoemde jongeling na eene opsluiting van drie dagen in de strafkamer voor deze keer kan worden vrijgelaten en deelt dit Van Dinteren en diens zoon mede na eerst eene vermaning aan eerstgenoemde.


3.
Eindelijk de wed. Zwak, terzake van het verlaten der kolonie van haren zoon Jan waartoe de kleine raad verlof geweigerd had.
De vrouw zegt, dat zij zelve haren zoon heeft doen vertrekken omdat zij begreep dat de raad niet wel gedaan had met het verlof te weigeren terwijl het aan een andere in dezelfde omstandigheden, was toegestaan, ofschoon zij nader wel heeft ingezien dat zij verkeerd gedaan heeft waarvoor zij verschooning vraagt, met verzoek dat althans haren zoon, die haar strikt gehoorzaam is, niet mogt worden gestraft.
De raad overwegende dat Jan Zwak na weinige dagen in de kolonien is wedergekeerd en dat deszelfs moeder anders eene oppassende vrouw is, die over hare kinderen goed ontzag houdt, meent beide voor dit maal te kunnen verschoonen en deelt de vrouw dit besluit mede, met eene vermaning voor het vervolg.

Aldus gedaan te Frederiksoord, den 31 augustus 1835
J. van Konijnenburg, Pres.
M. Bersma
onleesbaar
J.C. de Wals
A. Feskens
P. Elsing
van Marle, secretaris


Bijlage 1: Raad van toezicht van Willemsoord

Raad van Toezicht gehouden te Willemsoord de 31 Augustus 1835

Present alle de leden.

Op ingekomen schriftelijk rapport van den onderwijzer Otten, hebben wij opheden de zoon van de kolonist Werf en de bestedeling A de Jong over derzelfs misdrijf gehoord, welke overeenkomstig het vermelde bij proces-verbaal bekende schuldig te zijn en tot overtuiging van het daarbij aangehaalde heeft de vrouw van de kolonist Van Marle met derzelves ingedeelde J Zuidgeest ons verklaard zulks gehoord te hebben.

De kolonist van Dinteren, voor eenige tijd met verlof naar Den Haag geweest zijnde, heeft zonder daartoe bekomen verlof zijn zoon medegenomen en verontschuldigd daarmede dat hij voorgeeft zijn zoon hem stilzwijgend naar den Lemmer gevolgd was.

Jan Swak meede zonder permissie met verlof zich van de kolonie geabsenteerd hebbende hebben wij daarover derzelfs moeder de weduwe Swak over ondervraagd die ons geantwoord heeft dat zulks door de raad op haar verzoek was geweigerd. Daar haar zoon in geen tien jaren met verlof was afwezig geweest, zij hem naar de weigering daartoe permissie gegeven heeft.

Van ons onderzoek de Raad van tucht informerende hebben wij dan eerbiediglijk te zijn

Uwedele dienstwaardige dienaren
Schuurer
A. Feskens
A.C. Koppe
H. de Nekker
Schuurman


Bijlage 2: brief van schoolmeester Harmen Barend Otten

De onderwijzer H.B. Otten, geeft met verschuldigde achting, den raad van toezigt van kolonie no 3 te kennen de verregaande zedeloosheid en lastertaal van Arie de Jong en Johannes Werff als volgt.

Bijna elke schoolles welke door gemelde leerlingen bezocht wordt maken zij zich aan ongehoorzaamheid jegens hunne onderwijzer schuldig.

Wanneer wij hen op de zachtaardigste wijze, uit volle belangstelling voor hun wezenlijke geluk, ter betrachting van hunnen plicht, zoeken op te wekken, spreken zij dikwijls op een stuursche en brutale wijze tegen ons terug, die de grootste ondankbaarheid jegens ons allerschandelijkst te kennen geeft.

Spreken wij bij het onderwijs over de godsdienst, dan betoonen zij volstrekt den minsten eerbied niet te hebben, ja somstijds ziet men daarbij een valsche grimlach op hunne aangezigten.

Op dergelijke wijze, naar gelegenheid, hun zedelijke aanleg, steeds ten goede vormende, vermanen wij mede dezelve om telkens na het eindigen der school stil en zedelijk huiswaarts te keeren, welk verzoek op onderscheiden avonden door het schreeuwen van deze woorden, nadat zij ene wegs van de school verwijderd waren, word beantwoord
    “De meester is een sodomieter”
    “Een landverrader en bloedvergieter”
    “Viva Oranje, hoezee!
    “Weg met dat Sibbelsche vee!”

Om dit gezegde door bewijzen te staven, daartoe zouden wel vele van onze leerlingen, welke met gemelde De Jong en Werff huiswaarts keerden en die hen zelfs vermaanden van zulks na te laten door te zeggen: “dat zij zich wel schamen moesten zoo schandelijk tegen de onderwijzer te spreken” te vinden zijn, welke dit naar waarheid getuigen willen.
Voorts zijn er ouders welke deze zaak met verontwaardiging aantrekken en mede getuigenis van dezelve zouden willen afleggen.

Het is dan daarom, mijne Heeren, dat ik mij in deze tot Uedelen wend en Uedelens policie, ter handhaving mijns gezags, hetwelk voor eenen onderwijzer der jeugd zoo noodzakelijk is, bescheidenlijk inroep.

Willemsoord 31 augustus 1835
H.B. Otten


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag