Raad van policie en tucht in de gewone kolonien op den 30 junij 1836


Alle leden zijn tegenwoordig.

Wordt gelezen een proces-verbaal van den Raad van Toezigt in Kolonie no 3, waarna wordt binnengeroepen de kolonist A.C. Doornbos, als door de Directie herhaaldelijk en laatstelijk nog op maandag den 27e , beschonken gezien zijnde. 

Hij kan deze aanklagt niet ontkennen en zijne verontschuldigingen zijn zonder grond.

De Raad, overwegende, dat ofschoon hij reeds eenmaal daarvoor is gestraft geworden, het oppassend gedrag zijner 3 dochters, zijne eenige huisgenooten, het echter wenschelijk maakt, dit huisgezin nog niet naar de Ommerschans te verwijzen, gelijk naar den inhoud van Art. 2 en 3 van het Reglement zou moeten gebeuren,

besluit,

hem nog eenmaal met 3 dagen opsluiting in de strafkamer te straffen, en hem stellig te verbieden de kolonie immer zonder speciale toestemming der onderdirecteur te verlaten, welk besluit hem wordt kenbaar gemaakt, nadat hij daartoe was binnengeroepen en waarvan de adjunctdirecteur den onderdirecteur zal kennis geven.



Wijders een proces-verbaal van den Raad van Toezigt in Kolonie no 1, waarop wordt binnengeroepen de bestedeling W. Schaardenburg no 352B, ter zake van het verkoop van eenige zijner kleedingstukken.

Hij bekent die beschuldiging en belooft zich daarvan voortaan te onthouden.
De Raad, gelet op Art. 2B1 en Art. 2B3 van het Reglement en in aanmerking nemende, dat Schaardenburg nog een jong kolonist is en daarbij beterschap belooft,

besluit

hem op te leggen 4 dagen opsluiting in de strafkamer.



Vervolgens wordt, tengevolge hetzelfde proces-verbaal, binnengelaten Pieter Hentz, als beschuldigd van ontvreemding uit de smederij van kolonie no 2, waarin hij als baas werkt, van eenig ijzerwerk.

Hentz wil doen gelooven, dat het stort zijn eigendom was, maar de Raad brengt hem onder het oog, dat hij op vierderlei wijzen over de oorsprong van dit stort gesproken heeft en houdt het er dan ook voor, dat zoowel dit, als het bandijzer door hem aan de Maatschappij is ontvreemd, te meer, daar hij reeds lang onder verdenking heeft gelegen van zich daaraan schuldig te maken.

De Raad, overwegende de verzwarende omstandigheid dat er veel goederen van waarde aan hem waren toevertrouwd, van welk vertrouwen het nu gebleken is, dat hij misbruik maakt;
voorts dat hij met zijne vrouw slecht leeft en die, van tijd tot tijd, gruwelijk mishandelt, gelijk nog voor een paar dagen het geval was, waarom het te wenschen is, dat man en vrouw, ten minste voor eenigen tijd, van elkander worden afgezonderd.
Gelet op Art. 2 § 1 en Art. 3 § 3

besluit

het huisgezin van den kolonist P. Hentz naar de Ommerschans te verwijzen en ze daar afzonderlijk te doen verplegen, wanneer de vrouw wederom de bescherming van de Directie, tegen mishandelingen van haren man mogt inroepen.
Hentz weêr binnengeroepen zijnde, zoo wordt aan hem dit Besluit medegedeeld.



Wijders deelt de President den Raad mede Art. 2 van het Besluit der Permanente Commissie van den 13 Meij jl. no 4, ten aanzien van den kolonist P. Letterie in kolonie no 2.
Daarop wordt gelezen een proces-verbaal van onderzoek van de tegenwoordige gesteldheid der kleeding en het huisraad bij dien kolonist voorhanden.
En wordt hij zelf vervolgens gehoord, nopens de slordigheid, waarin zijn huisgezin door den Heer Inspecteur bevonden is, en over de twee vreemde personen, die hij bij zich in huis had.

Pieter Letterie brengt in, dat hij, de eenige werkman in zijn huisgezin van 6 zielen zijnde, niet in staat is, om zijn kleeding en huisraad in beteren staat te hebben en dat een dier twee vreemde lieden een hutbewoner was, die bij hem melk kwam halen en de andere eene vrouw, mede uit de nabijheid, die een kleedingstuk voor een zijner kinderen gemaakt had.

De Raad, overwegende, dat Letterie van Augustus 1831 tot Augustus 1834 in militaire dienst is geweest en het huisgezin gedurende de laatste 2 jaren van zijnen diensttijd, geheel door de Maatschappij heeft moeten worden onderhouden en derhalve slechts karig van het noodige bedeeld heeft kunnen worden
en dat hij, zelf een zwak man zijnde, gedurende het verlopen half jaar, volgens bijgevoegde nota, slechts ƒ 2.57 's weeks in het geheel heeft verdiend,
meent daarom dat behoefte inderdaad de grootste oorzaak is der slechte gesteldheid van de kleeding en het huisraad van dit huisgezin, waarom hetzelve evenzeer te beklagen als te beschuldigen is van het weinige, dat zij genieten, niet zorgvuldig genoeg te gebruiken en te onderhouden en

Besluit

mitsdien P. Letterie ernstig te vermanen tot meerdere huishoudelijkheid, inzonderheid van zijne vrouw en de Permanente Commissie te verzoeken genoegen te willen nemen, dat het hierbij vooreerst blijve, met aanbeveling aan de adjunctdirecteur, om dit huisgezin meer bijzonder te doen surveilleren.
De vermaning wordt gegeven nadat Letterie daartoe was binnengeroepen.

Frederiksoord den 30 Junij 1836.

Bijlage 1: Raad van toezicht van Willemsoord 30 juni 1836

Raad van Toezicht gehouden te Willemsoord den 30 juny 1836

Present alle de leden

De kolonist Doornbos vanwege aanhoudende dronkenschap in onze vergadering geroepen, teneinde te zien of dezelve voor vermaningen mogt vatbaar zijn en verder om daarvan aan de Raad van Tucht rapport te doen terwijl zulks geheel tegen een goede policie strijdig is en een voorbeeld geeft aan andere kolonisten, welke door dien weg, wanneer zulks niet werd  tegengegaan, aan gemeld misbruik zouden schuldig maken.

Zoo is het dan dat, nadat wij hem gehoord hebben, hij onderscheide excuses & ontkenningen heeft ingebragt echter is het ons alle genoeg bekend, dat hij nimmer van huis gaat of heeft bij zijn terugkomst zoodanig van de drank misbruik gemaakt dat hij op een onfatsoenlijke wijze, onder beledigingen aan de Directie als andere de kolonie passeerd.

Echter moeten wij bij deze de Raad van Tucht herinneren dat gemelde personen enige jaren geleden om gemeld misdrijf met profoost is gestraft geweest.

Willemsoord den datum als boven


Bijlage 2: Raad van toezicht van Frederiksoord 30 juni 1836


GEEN transcriptie


Bijlage 3: Proces verbaal over Pieter Letterie

PROCES VERBAAL

Op heden den 30 sten Junij 1836, hebben wij ondergetekenden op last van den Heer Directeur der Koloniën ons begeven naar de woning van den kolonist Pieter Letterie, wonende in Kolonie no 2 Hoeve 58 om aldaar te onderzoeken en op te nemen het huisraad en de kleeding, wat er voorhanden is, en bevonden dat er was als volgt:

1 Bultzak
1 Wollen deken
3 Kussens
2 Lakens
1 Noppendeken (goed)
1 idem (oud)
2 Hemden mans 1e Taille
1 pr. Kousen idem
1 Broek (bombazijn)
1 Buis (Peij)
1 pr. Schoenen (nieuw)
1 pr. Klompen
1 Hoed
4 Doeken
1 Rok (voerlaken) vr. 1e Taille
1 Jak (voerlaken) vr. 1e Taille
1 Boezelaar (wol) vr. 1e Taille
1 Boezelaar (bont) vr. 1e Taille
1 paar Kousen vr. 1e Taille
2 Hemden vr. 1e Taille 
1 pr. Schoenen vr. 1e Taille
1 pr. Klompen vr. 1e Taille
1 Muts vr. 1e Taille
2 Jakken meisjes 3e Taille
2 Rokken meisjes 3e Taille
4 Hemden meisjes 3e Taille
2 pr. Kousen meisjes 3e Taille
2 Mutsen meisjes 3e Taille
2 pr. Klompen meisjes 3e Taille
1 linnen Broek mans 5e Taille
1 idem Buis mans 5e Taille
2 Hemden (1 goed 1 slecht) mans 5e Taille

Ook is er bij hem nog een bijbel voorhanden geweest, doch zoo hij zegt is dezelve gestolen.
Daar P. Letterie in zijn huisgezin sedert den 1sten Julij 1835 tot aan den 30sten Junij geen beddegoed ontvangen heeft zoo zag hetgeen er voorhanden was, nog al vrij wel uit, en de zindelijkheid kon heel wel, al hoewel gemelde P. Letterie welbekend is van niet heel zindelijk te zijn.

Aldus opgemaakt door ondergetekenden te Frederiksoord den 30sten Junij 1836

G. Bersma
A. Keizer
D. Schouten

OPGAVE DER VERDIENSTEN VAN DEN KOLONIST P. LETTERIE OP No. 58 VANAF 2 JANUARIJ TOT 25 JUNIJ 1836

2 Januarij ƒ 2.40
9 Januarij  1.75
16 Januarij 1.80
20 Januarij 2.10
30 Januarij 2.47½
6 Februarij 1.60
13 Februarij 2.91½
20 Februarij 1.77½
27  Februarij 2.70
5 Maart 2.70
12 Maart 2.70
19 Maart 1.50
26 Maart 2.85
25 Junij 2.70
2 April 2.02½
9 April 3.15
16 April 2.85
23 April 2.15
30 April 3.15
14 Meij 3.07½
21 Meij 4.05
28 Meij 3.35
4 Junij 2.32½
11 Junij 2.60
11 Junij 2.30
18 Junij 4.00
Totaal ƒ 66.99

Dit huisgezin bestaat uit 6 zielen.
Frederiksoord 30 Junij 1836
De Boekhouder van Kolonie no 2
Morriën


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag